ECLI:NL:RBMNE:2026:3144

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
C/16/610404 / FV RK 26-1029
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek zorgmachtiging wegens voldoende vrijwilligheid van zorgacceptatie

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 11 mei 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging voor betrokkene, wonende in Utrecht. Betrokkene was niet aanwezig bij de zitting, maar was wel op de hoogte van de oproep en koos bewust niet te verschijnen. De advocaat van betrokkene voerde aan dat de huidige woonvorm en depotmedicatie zorgen voor stabiliteit en dat de zorg vrijwillig wordt toegepast, waardoor een zorgmachtiging niet langer noodzakelijk is.

De casemanager pleitte voor toewijzing van het verzoek, stellende dat het contact met betrokkene beperkt is en dat zonder zorgmachtiging het contact waarschijnlijk zal verminderen. De rechtbank oordeelde echter dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, omdat betrokkene de zorg vrijwillig accepteert en er geen verplichte zorg wordt toegepast.

De rechtbank verwees naar een eerdere zitting op 8 december 2025, waar toen werd geoordeeld dat het te vroeg was om de zorg vrijwillig te verlenen. Inmiddels is de situatie veranderd en is onvoldoende onderbouwd waarom het nu opnieuw te vroeg zou zijn. Daarom krijgt betrokkene de kans om te laten zien dat hij vrijwillig zorg accepteert. Het verzoek tot zorgmachtiging werd dan ook afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot verlening van een zorgmachtiging wordt afgewezen wegens voldoende vrijwilligheid van betrokkene.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/610404 / FV RK 26-1029
Datum uitspraak: 11 mei 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] ,
hierna: betrokkene,
wonende in Utrecht,
advocaat: mr. S.M.G. Weitjens.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft het verzoekschrift met bijlagen op 20 april 2026 ontvangen.
1.2.
De zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Daarbij zijn gehoord:
  • de advocaat;
  • [A] , casemanager.
1.3.
Betrokkene was niet aanwezig. Uit het PostNL-systeem blijkt dat hij de aangetekende oproep van de griffier wel heeft afgehaald. Zijn advocaat heeft bevestigd dat hij niet aanwezig wilde zijn en afziet van het recht om gehoord te worden. Gelet hierop heeft de rechtbank geconcludeerd dat betrokkene afwist van de zitting en er bewust voor heeft gekozen om niet ter zitting te verschijnen.

2.Het verzoek

De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank wijst het verzoek af. Hierna wordt uitgelegd waarom de rechtbank deze beslissing heeft genomen.
3.2.
De advocaat heeft primair verzocht om afwijzing van het verzoek. Zij legt uit dat de huidige woonvorm in combinatie met de depotmedicatie zorgt voor stabiliteit. Daarnaast worden de verzochte vormen van verplichte zorg vrijwillig toegepast, wat maakt dat er volgens haar geen zorgmachtiging meer nodig is. Subsidiair heeft de advocaat verzocht om de zorgmachtiging in duur te beperken tot maximaal zes maanden.
3.3.
De casemanager pleit voor toewijzing van het verzoek. Zij legt uit dat er beperkt contact is met betrokkene en er enkel over de depotmedicatie een gesprek mogelijk is. Verder staat betrokkene niet open voor gesprekken volgens de casemanager. Daarbij voegt de casemanager toe dat zij verwacht dat het contact minder wordt op het moment dat er geen zorgmachtiging meer is.
3.4.
De rechtbank wijst het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging af. Er wordt niet voldaan aan de voorwaarden uit de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg omdat er voldoende vrijwilligheid is. Uit de toelichtingen ter zitting blijkt dat betrokkene weliswaar weinig contact wil met de zorgverleners, maar dat er geen verplichte zorg wordt toegepast. Betrokkene accepteert zijn depotmedicatie en de woonvorm. Betrokkene heeft al geruime tijd een zorgmachtiging. Tijdens de zitting van 8 december 2025 is er besproken dat het op dat moment te vroeg was om de zorg in een vrijwillig kader te verlenen. In de beschikking van die zitting is opgenomen dat betrokkene destijds de casemanagers niet toeliet in zijn woning, maar dat is inmiddels veranderd. Er is ter zitting niet voldoende onderbouwd waarom het op dit moment wederom te vroeg zou zijn voor vrijwilligheid. Om die reden is de rechtbank van mening dat betrokkene nu een kans verdient om te laten zien dat hij – zoals ook in het verleden het geval was –vrijwillig de zorg accepteert.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
Wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026 door mr. D. Riani el Achhab, rechter, in aanwezigheid van R. Staal, griffier en op schrift gesteld op 19 mei 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.