ECLI:NL:RBMNE:2026:3145

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
11917100 \ ME VERZ 25-143 BW 31650 DEF
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:662 BWArt. 7:663 BWArt. 7:673 lid 1 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek transitievergoeding afgewezen wegens overgang van onderneming zonder opzegging

De verzoeker was sinds 21 juli 2014 in dienst als schoonmaker bij de rechtsvoorganger van verweerder en werkte op een school. Per 11 juli 2025 is hij in dienst getreden bij het bedrijf waarvoor hij de werkzaamheden voortzette. Verzoeker vorderde een transitievergoeding van verweerder omdat hij meende dat zijn arbeidsovereenkomst was opgezegd.

De kantonrechter oordeelde dat verweerder de arbeidsovereenkomst niet heeft opgezegd. De brief van verweerder kondigde slechts een voorwaardelijke beëindiging aan, afhankelijk van overname door een nieuwe opdrachtnemer. Omdat het bedrijf de werkzaamheden in eigen beheer heeft voortgezet en verzoeker daar in dienst is getreden, is de voorwaarde niet vervuld en is geen opzegging tot stand gekomen.

Daarnaast is vastgesteld dat sprake is van een overgang van onderneming. De economische eenheid is overgegaan en de identiteit is behouden, waardoor alle rechten en verplichtingen, inclusief anciënniteit, zijn overgenomen door het bedrijf. Ook bij opvolgend werkgeverschap blijft de anciënniteit behouden.

Verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten van verweerder. Het verzoek om transitievergoeding wordt afgewezen omdat geen opzegging door verweerder heeft plaatsgevonden.

Uitkomst: Het verzoek om transitievergoeding wordt afgewezen omdat de arbeidsovereenkomst niet is opgezegd maar is overgegaan op de nieuwe werkgever door overgang van onderneming.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer / rekestnummer: 11917100 \ ME VERZ 25-143 BW 31650
Beschikking van 29 mei 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[verzoeker],
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. E.F.J. van West (FNV),
tegen
[verweerder],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. S. Booij.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:
- het verzoekschrift met 15 producties (ingekomen op 10 oktober 2025),
- het verweerschrift met 5 producties (van 8 december 2025),
-de aanvullende productie van [verzoeker] (van 7 mei 2026).
1.2
De mondelinge behandeling heeft, nadat deze twee maal door de rechtbank is verplaatst door onvoorziene omstandigheden, plaatsgevonden op 8 mei 2026.
[verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. Van West. Namens [verweerder] zijn de heer [A] (Manager Schoonmaak) en mevrouw [B] (Officemanager) verschenen, bijgestaan door mr. Booij. Beide gemachtigden hebben de standpunten nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen is besproken.
1.3
Tijdens de zitting is bepaald dat uiterlijk op 5 juni 2026 uitspraak zal worden gedaan.

2.Waar gaat deze zaak over?

2.1
[verzoeker] is op 21 juli 2014 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) [verweerder] als schoonmaker. Hij verrichtte sindsdien namens [verweerder] (uitsluitend) schoonmaakwerkzaamheden op de [school] , een school van de [bedrijf] ( [bedrijf] ). Sinds 11 juli 2025 verricht [verzoeker] de schoonmaakwerkzaamheden op die school voor [bedrijf] zelf.
[verzoeker] vraagt in deze procedure om [verweerder] te veroordelen om aan hem de transitievergoeding te betalen, omdat [verweerder] de arbeidsovereenkomst zou hebben opgezegd. [verweerder] zegt dat zij de arbeidsovereenkomst niet heeft opgezegd en dat [verzoeker] door overgang van onderneming in dienst is gekomen bij [bedrijf] .
De kantonrechter is het eens met [verweerder] en wijst het verzoek van [verzoeker] af.

3.De beoordeling

3.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of [verweerder] een transitievergoeding moet betalen aan [verzoeker] , omdat hij sinds 11 juli 2025 niet meer in dienst is bij [verweerder] .
Toetsingskader
3.2
Bij de beoordeling stelt de kantonrechter voorop dat [verzoeker] alleen recht heeft op een transitievergoeding als de arbeidsovereenkomst door [verweerder] is opgezegd (artikel 7:673 lid 1 sub a onder Pro 1 BW).
3.3
Vast staat dat [verzoeker] sinds 11 juli 2025 niet langer meer werkzaam is voor [verzoeker] en per die datum in dienst is getreden bij [bedrijf] en daar zijn schoonmaakwerkzaamheden heeft voortgezet. [verzoeker] zegt dat hij uit de brief van 10 juni 2025 heeft begrepen dat [verweerder] zijn arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Daarin volgt de kantonrechter [verzoeker] niet. In die brief staat namelijk, onder meer:
“Op 23 mei 2025 hebben wij je schriftelijk geïnformeerd over het feit dat wij, als gevolg van een Europese aanbesteding, het perceel waar jij werkzaam bent helaas niet opníeuw gegund hebben gekregen. (…)
Wat op dit moment wel vaststaat, is dat ons contract met de Gemeente Almere op 11 juli 2025 afloopt. Dit betekent dat onze werkzaamheden op deze locaties per die datum zullen stoppen.
Mocht de opdrachtgever voor die tijd geen passende oplossing bieden voor de betrokken medewerkers -bijvoorbeeld via overname door de nieuwe opdrachtnemer - dan zijn wij helaas genoodzaakt om het dienstverband met jou te beëindigen wegens het structureel vervallen van jouw functie. Wij benadrukken dat dít een situatie is die buiten onze invloedsfeer ligt.
We hopen nog steeds op een passende en zorgvuldíge overgang voor jou en je collega's, want dat is wat jullie verdienen.
Tot op heden hebben wij echter geen zicht op vervangend werk binnen onze organisatie.
Met deze brief brengen wij je dan ook op de hoogte van ons voornemen tot beëindiging van je
arbeidsovereenkomst per 11 juli 2025, onder voorbehoud van verdere ontwikkelingen. (…)”
In deze brief wordt aangekondigd dat tot beëindiging zou worden overgegaan als [verzoeker] niet door de nieuwe opdrachtnemer zou worden overgenomen. Dat is geen onvoorwaardelijke opzegging en vast staat dat [bedrijf] de schoonmaakwerkzaamheden in eigen beheer heeft voortgezet en [verzoeker] zijn werkzaamheden voor [bedrijf] is gaan verrichten per 11 juli 2025. Door [verweerder] is later ook aan [verzoeker] meegedeeld dat de werkzaamheden door [bedrijf] worden overgenomen. [verzoeker] heeft ook al op 25 juni 2025 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten met [bedrijf] en is zijn werkzaamheden aansluitend en ongewijzigd gaan voortzetten in dienst van [bedrijf] . Doordat [bedrijf] [verzoeker] in dienst heeft genomen, is de voorwaarde die [verweerder] in haar brief stelde aan de voorgenomen opzegging niet vervuld en is [verweerder] dus ook niet tot opzegging overgegaan. Omdat [verweerder] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] niet heeft opgezegd, bestaat er geen grond om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding aan [verzoeker] . Het verzoek van [verzoeker] (en zijn daarmee samenhangende nevenverzoeken) zullen dus worden afgewezen.
Er lijkt een overgang van onderneming te hebben plaatsgevonden
3.4
Ten overvloede overweegt de kantonrechter het volgende. Hoewel gelet op voorgaande de conclusie is dat het verzoek van [verzoeker] tot afwijzing leidt, vindt de kantonrechter het in het belang van partijen om ook in te gaan op de vraag of sprake is geweest van overgang van onderneming. [verzoeker] heeft namelijk belang bij duidelijkheid over die vraag, gelet op zijn opgebouwde anciënniteit en de daaruit voortvloeiende financiële rechten. Omdat [bedrijf] niet in deze procedure is betrokken, kan de kantonrechter hierbij alleen uitgaan van de informatie die zij van [verzoeker] en [verweerder] heeft ontvangen.
3.5
[verweerder] wijst er op dat sprake is geweest van een overgang van onderneming en dat daarmee ook de anciënniteit van [verzoeker] is overgenomen door [bedrijf] .
Voor de vraag of sprake is geweest van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW Pro moet worden beoordeeld of i) een overgang heeft plaatsgevonden op grond van een overeenkomst, ii) een economische eenheid is overgegaan en iii) de identiteit van de economische eenheid is behouden.
Naar het oordeel van de kantonrechter is aan die vereisten voldaan. Het overeenkomstvereiste wordt, zo blijkt uit vaste jurisprudentie, ruim uitgelegd. Ook het in eigen beheer overnemen van schoonmaakwerkzaamheden, inbesteding, zoals hier aan de orde is valt daaronder. Aan de andere twee vereisten lijkt ook te zijn voldaan, omdat de schoonmaakdienst en alle zes werknemers die zich bezighielden met de schoonmaak voor [bedrijf] zijn overgenomen door [bedrijf] en hun werkzaamheden aansluitend op de werkzaamheden (per 11 juli 2025) voor [verweerder] hebben voortgezet voor [bedrijf] . Daarmee is sprake van een economische eenheid die is overgegaan en zijn identiteit heeft behouden.
3.6
Dat betekent dat (gelet op het bepaalde in artikel 7:663 BW Pro) alle rechten en verplichtingen die [verweerder] had richting [verzoeker] die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst per 11 juli 2025 overgegaan zijn op [bedrijf] . Daarmee zijn ook de anciënniteit (de oorspronkelijke indiensttredingsdatum van [verzoeker] bij de rechtsvoorganger(s) van [bedrijf] ) en de daaruit voortvloeiende rechten mee overgegaan [1] . Dat betekent dat als [bedrijf] in de toekomst de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] zou opzeggen en als voldaan is aan de voorwaarden voor het toekennen van een transitievergoeding, daarbij moet worden uitgegaan van die oorspronkelijke indiensttredingsdatum (21 juli 2014).
3.7
Ook als niet zou zijn voldaan aan de vereisten van overgang van onderneming, geldt naar het oordeel van de kantonrechter dat op grond van opvolgend werkgeverschap de anciënniteit van [verzoeker] en de daaruit voortvloeiende verplichtingen door [verweerder] op [bedrijf] overgegaan zijn. Voor het aannemen van opvolgend werkgeverschap is allereerst vereist dat de taken en verantwoordelijkheden onder de nieuwe arbeidsovereenkomst niet wezenlijk verschillen. Duidelijk is dat de werkzaamheden van [verzoeker] onveranderd zijn gebleven. Ten tweede is vereist dat de aanleiding voor de werkgeverswisseling moet zijn gelegen bij één van de werkgevers. Dat is hier ook het geval. De aanleiding voor het overgaan van [verzoeker] naar [bedrijf] is namelijk gelegen in het feit dat de schoonmaakwerkzaamheden opnieuw zijn aanbesteed en deze niet opnieuw aan [verweerder] zijn gegund. [bedrijf] heeft om die reden besloten de schoonmaakwerkzaamheden zelf te gaan organiseren en heeft al het personeel dat voorheen via [verweerder] bij haar werkzaam was, in dienst genomen. Er is dus geen sprake geweest van het op eigen initiatief van [verzoeker] aangaan van een arbeidsovereenkomst met een andere werkgever. Dat betekent dat in elk geval ook sprake is van opvolgend werkgeverschap op grond waarvan de anciënniteit van [verzoeker] door [bedrijf] is overgenomen.
[verzoeker] moet de proceskosten betalen
3.8
Omdat [verzoeker] in het ongelijk is gesteld en zijn verzoeken worden afgewezen, zal hij worden veroordeeld in de proceskosten van [verweerder] . Die kosten worden begroot op
€ 721,00 en bestaan uit een bedrag van € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1
wijst de verzoeken af;
4.2
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van [verweerder] , tot vandaag vastgesteld op
€ 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
4.3
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld: Hof van Justitie EU, 14 september 2000, C-343/98.