ECLI:NL:RBMNE:2026:3177

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/16/604500 / FO RK 25-1614
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Brussel II-terArt. 15 HKV 1996Art. 23 HKV 1996Art. 5 HKV 1996Art. 7 HKV 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering erkenning en tenuitvoerlegging Turkse beschikkingen inzake ouderlijk gezag en zorgregeling

De man verzocht de rechtbank om twee Turkse beschikkingen te erkennen en ten uitvoer te leggen: een echtscheidingsbeschikking van 9 augustus 2022 met een zorgregeling en een beschikking van 8 juli 2025 waarbij het ouderlijk gezag werd gewijzigd. De kinderen wonen sinds mei 2023 met de vrouw in Nederland, die asiel heeft aangevraagd. De rechtbank oordeelde dat de Turkse rechter op 8 juli 2025 niet bevoegd was omdat de kinderen toen hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden.

De erkenning van de beschikking van 9 augustus 2022 werd eveneens geweigerd omdat onverkorte toepassing van de zorgregeling in strijd is met het belang van de kinderen. De vrouw stelde dat er sprake was van huiselijk geweld en dat de kinderen bang zijn voor de man. De rechtbank vond dat contact met de kinderen eerst rustig en met hulpverlening moet worden opgebouwd, wat in de Turkse beschikking niet is voorzien.

De rechtbank baseerde haar oordeel op het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 en het feit dat Turkije geen EU-lidstaat is, waardoor Brussel II-ter niet van toepassing is. De verzoeken van de man werden afgewezen en erkenning en tenuitvoerlegging van de Turkse beschikkingen werden geweigerd. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van de Turkse beschikkingen af wegens gebrek aan bevoegdheid en strijd met het belang van de kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/604500 / FO RK 25-1614
Erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlandse beschikking
Beschikking van 13 mei 2026
in de zaak van:
[de man],
in de Basisregistratie Personen genoemd als: [naam] ,
wonende in [woonplaats] , Turkije,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. R.M. Hendriksen,
tegen
[de vrouw],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. N.J. Hos.

1.De procedure

1.1
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de man, binnengekomen op 27 november 2025;
  • het bericht van de man van 5 december 2025;
  • het bericht van de man van 19 december 2025;
  • het bericht met bijlagen van de man van 6 januari 2026;
  • het betekeningsexploot van 3 februari 2026;
  • het verweerschrift van de vrouw van 25 februari 2026 met bijlagen;
  • de brief van de man van 2 maart 2026 met bijlagen.
1.2
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 3 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de man met zijn advocaat;
  • de vrouw met haar advocaat;
  • mevrouw M. Kurdi als tolk voor de man;
  • de heer P. Cuypers als tolk voor de vrouw.
1.3
De vrouw heeft tijdens de zitting productie 1 behorende bij haar verweerschrift overgelegd.

2.De belangrijke feiten

2.1
Partijen hebben beiden de Syrische en Turkse nationaliteit.
2.2
Volgens de Basisregistratie Personen (BRP)-registratie van de vrouw zijn partijen met elkaar gehuwd op [trouwdatum] 2009.
2.3
Partijen hebben samen drie kinderen:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , Syrië;
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] , Syrië;
  • [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] , Turkije.
2.4
De kinderen wonen bij de vrouw.
2.5
Bij beschikking van 9 augustus 2022 heeft de rechtbank in Turkije de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Bij diezelfde beschikking is het ouderlijk gezag aan de vrouw toegekend en is er een zorgregeling vastgesteld tussen de man en de kinderen inhoudende dat de man recht heeft op omgang met de kinderen:
  • op iedere eerste en derde zaterdag van de maand van 9.00 tot 17.00 uur;
  • op iedere tweede feestdag van 9.00 tot 17.00 uur;
  • op iedere eerste dag van de vakantie na elk semester van 9.00 tot 6.00 uur en in de zomervakantie van 1 juli om 9.00 uur tot en met 30 juli om 17.00 uur.
2.6
De vrouw heeft op 16 mei 2023 samen met de kinderen Turkije verlaten. De man heeft sindsdien geen contact meer met de kinderen gehad.
2.7
Bij beschikking van 8 juli 2025 heeft de rechtbank in Turkije de man alleen met het ouderlijk gezag belast en een zorgregeling vastgesteld tussen de vrouw en de kinderen.

3.Verzoeken en verweer

3.1
De man verzoekt de rechtbank om de beschikkingen van 9 augustus 2022 en 8 juli 2025 van de rechtbank in Turkije te erkennen en aan de man verlof te verlenen om deze beschikkingen in Nederland ten uitvoer te leggen.
3.2
De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man.

4.De beoordeling

Conclusie
4.1
De rechtbank is van oordeel dat de beschikkingen van de Turkse rechtbank niet voor erkenning in Nederland in aanmerking komen. De rechtbank wijst daarom de verzoeken van de man af en zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.2
Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift van de man (op 27 november 2025) hadden de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland. De Nederlandse rechter komt daarom op grond van artikel 7 Brussel Pro II-ter rechtsmacht toe om op de verzoeken te beslissen. [1] Op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKV 1996) is op de verzoeken Nederlands recht van toepassing.
Erkenning van de Turkse beslissingen
4.3
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de beslissingen van de Turkse rechtbank in aanmerking komen voor erkenning in Nederland. De erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen ter zake van ouderlijke verantwoordelijkheid worden bestreken door het HKV 1996 en de Verordening Brussel II-ter. De rechtbank is van oordeel dat Brussel II-ter in dit geval niet van toepassing is omdat Turkije geen EU-lidstaat is. Omdat Turkije wel partij is bij het HKV 1996, stelt de rechtbank vast dat de erkenning van de Turkse beslissingen in Nederland wordt beheerst door het erkenningsregime van dit verdrag.
4.4
In artikel 23 HKV Pro is bepaald dat door de autoriteiten van Verdragsluitende Staten genomen maatregelen van rechtswege in alle andere Verdragsluitende Staten worden erkend, tenzij sprake is van een uitzonderingsgrond.
Bevoegdheid Turkse rechter
4.5
Uit artikel 5 HKBV Pro volgt dat de rechter van het land waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, bevoegd is een beslissing te nemen over de ouderlijke verantwoordelijkheid. Onder het begrip ouderlijke verantwoordelijkheid valt het gezagsrecht
met inbegrip van rechten betreffende de zorg voor de persoon van het kind. [2] In dit geval heeft de Turkse rechtbank beslissingen genomen over het gezag en de zorgregeling waarvan de man erkenning vraagt. Het HKV 1996 is daarop dan ook van toepassing.
4.6
Vervolgens zijn bevoegd de autoriteiten van de verdragsluitende staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het moment dat de maatregel moet worden genomen. In artikel 5 lid 2 HKV Pro 1996 wordt aangegeven dat ingeval van verplaatsing van de gewone verblijfplaats van het kind naar een andere verdragsluitende staat de autoriteiten van de staat van de nieuwe gewone verblijfplaats bevoegd zijn, behalve als er sprake is van kinderontvoering (artikel 7 HKV Pro 1996). Voor wat betreft de bevoegdheid kent het HKV 1996, anders dan Brussel II-bis, dus niet het zogenaamde beginsel van
perpetuatio fori. Dit betekent dat voor de beantwoording van de vraag of de Turkse rechter bevoegd was, eerst moet worden beoordeeld waar de gewone verblijfplaats van de kinderen was ten tijde van de beslissingen van de Turkse rechtbank.
De Turkse beschikking van 8 juli 2025
4.7
Ten aanzien van de Turkse beschikking van 8 juli 2025 geldt dat de kinderen op dat moment met de vrouw in Nederland woonden. Vast staat dat de vrouw op 16 mei 2023 met de kinderen is vertrokken uit Turkije. Zij heeft onbetwist gesteld dat zij op 20 mei 2023 in Nederland is aangekomen en dat zij toen direct voor zichzelf en de kinderen in Nederland asiel heeft aangevraagd. Uit de BRP-registraties van de vrouw en de kinderen volgt dat zij op 14 februari 2024 voor het eerst in Nederland zijn geregistreerd. De rechtbank is van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de kinderen op 8 juli 2025 dan ook in Nederland was. De rechtbank concludeert dat de Turkse rechter op 8 juli 2025 niet bevoegd was om een beslissing over het gezag en de omgang met betrekking tot de kinderen te nemen. De uitzondering dat de Turkse rechter bevoegd zou zijn gebleven als er sprake was van kinderontvoering is niet aan de orde. Uit de beschikkingen van de rechtbank Den Haag van 1 september 2023 en het gerechtshof Den Haag van 11 oktober 2023 volgt immers dat er geen sprake was van kinderontvoering. De rechtbank is daarom van oordeel dat de beschikking van de Turkse rechter van 8 juli 2025 op grond van artikel 23 HKV Pro 1996 niet voor erkenning in aanmerking komt. Het verzoek van de man om de beschikking te erkennen en ten uitvoer te leggen wijst de rechtbank dan ook af.
De Turkse beschikking van 9 augustus 2022
4.8
Wat betreft de echtscheidingsbeschikking van de Turkse rechtbank van 9 augustus 2022 geldt dat beide partijen en de kinderen toen in Turkije woonden. Niet in geschil is dat de gewone verblijfplaats van de kinderen gedurende de gehele procedure in Turkije was.
In artikel 10 HKV Pro is bepaald dat de rechter die bevoegd is om te beslissen over een verzoek tot echtscheiding ook bevoegd is om in dat kader beslissingen te nemen in het belang van de kinderen. De Turkse rechtbank was op dat moment dan ook bevoegd om te beslissen over het gezag en de zorgregeling.
4.9
De man heeft tijdens de zitting verklaard dat hij wat betreft de beschikking van 9 augustus 2022 alleen erkenning wil van de beslissing over de zorgregeling tussen hem en de kinderen. De man heeft sinds 2023 geen fysiek contact met de kinderen meer gehad en wil hen graag weer zien. De vrouw is het hier niet mee eens. Volgens de vrouw leidt erkenning en tenuitvoerlegging van de Turkse beschikking gelet op het belang van de kinderen tot strijd met de Nederlandse openbare orde. De erkenning moet daarom worden geweigerd ingevolge artikel 23 lid 2 sub d HKV Pro 1996.
4.1
De rechtbank is van oordeel dat de beschikking van de Turkse rechtbank van 9 augustus 2022 ten aanzien van de zorgregeling (zoals door de man verzocht) niet moet worden erkend. Erkenning en tenuitvoerlegging houdt immers in dat de man direct recht heeft op omgang met de kinderen, terwijl zij de man al langere tijd niet meer hebben gezien. De vrouw heeft verklaard dat zij vanuit Turkije naar Nederland is gevlucht omdat in de relatie tussen partijen sprake was van huiselijk geweld door de man. De kinderen zijn bang voor de man en willen hem niet zien. Ook is de vrouw bang dat de man de kinderen dan mee naar Turkije zal nemen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat onverkorte toepassing van de zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van de Turkse rechtbank van 9 augustus 2022 in strijd is met de belangen van de kinderen. Als er al contact zou kunnen plaatsvinden, zal dit eerst met behulp van hulpverlening rustig moeten worden opgebouwd. Hiervoor is in de beschikking van de Turkse rechtbank van 9 augustus 2022 geen ruimte. Erkenning en tenuitvoerlegging van deze beschikking is daarom in strijd met de belangen van de kinderen en daarmee in strijd met de Nederlandse openbare orde.
4.11
Uit dit oordeel volgt dat de beschikking van de Turkse rechtbank van 9 augustus 2022 evenmin kan worden erkend. Bij deze conclusie kan hetgeen de moeder voor het overige heeft aangevoerd over de (andere) weigeringsgronden verder onbesproken blijven.
Ten uitvoerlegging van de Turkse beschikkingen
4.12
Nu de twee beschikkingen van de Turkse rechtbank in Nederland niet worden erkend, kan de man deze beschikkingen hier ook niet ten uitvoerleggen. Zij verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank wijst de verzoeken van de man af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.E. Falkmann, kinderrechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad (hierna: Brussel II-ter).
2.Artikel 3 sub b HKV Pro 1996