3.3.2.Bewijsoverwegingen
Het ongeval
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen op de zitting is besproken het volgende vast.
Op 9 november 2024 heeft er in Vianen, gemeente Vijfheerenlanden, een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een door de verdachte bestuurde auto en een ander voertuig. De verdachte reed met een te hoge snelheid over de Rijksweg A27 en botste met de voorzijde van zijn voertuig tegen de achterkant van een bedrijfsvoertuig (een bestelbus met opbouw), bestuurd door [slachtoffer] . De auto van de verdachte is vanaf dat punt ongeveer 207 meter verderop tot stilstand gekomen, waarna er brand in de auto is ontstaan en deze is uitgebrand. Het bedrijfsvoertuig is ongeveer 286 meter verderop in tegengestelde richting tegen de vangrail tot stilstand gekomen. De foto’s behorende bij het forensisch onderzoek laten zien dat ook het bedrijfsvoertuig fors beschadigd was. Uit medische gegevens blijkt dat de verdachte door dit ongeval enig letsel heeft opgelopen. De bestuurder van het bedrijfsvoertuig, [slachtoffer] , heeft geen letsel opgelopen. Enkele minuten later heeft op dezelfde plek een dodelijk ongeval plaatsgevonden waarbij mensen betrokken waren die naar het brandende autowrak keken.
Juridisch kader en toepassing op de zaak
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) heeft overtreden, doordat hij te hard zou hebben gereden en daarbij onvoldoende aandacht zou hebben gehad voor het verkeer dat voor hem reed. Hierdoor heeft hij niet tijdig kunnen remmen of stoppen, waardoor hij tegen het bedrijfsvoertuig is gebotst. De rechtbank moet beoordelen of de verdachte met dit rijgedrag (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a.
het schenden van de verkeersregels
Uit de bewijsmiddelen in het dossier volgt dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de verdachte op 9 november 2024 de verkeersregels heeft geschonden door veel te hard te rijden op de Rijksweg A27. Zijn snelheid lag op het moment van de botsing vermoedelijk tussen de 166 en 227 kilometer per uur. Dat verdachte veel te hard reed wordt door de verdediging ook niet betwist.
het in ernstige mate schenden van de verkeersregels
De verdediging heeft aangevoerd dat de vastgestelde verkeersovertreding mogelijk excessief was omdat verdachte veel te hard heeft gereden, maar dat van langdurig te hard rijden geen sprake is geweest. Volgens de verdediging is er daarom geen sprake van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op het Forensisch Onderzoek Verkeer en de verklaring van getuige [getuige 1] , is het aannemelijk dat de verdachte over een traject van 2.119 meter gemiddeld minimaal 129 km/u heeft gereden. Dit betreft een minimale ondergrens van de door verdachte gereden snelheid. Bij de beoordeling of dit een excessief en langdurige snelheidsovertreding was, betrekt de rechtbank de verklaringen van de getuige [getuige 1] en het proces-verbaal snelheid & impact analyse. De getuige [getuige 1] verklaart dat het voertuig van de verdachte ‘extreem’ hard reed en geeft daarbij een indicatie van 200 km/u. Getuige [getuige 1] werd met hele hoge snelheid door de verdachte gepasseerd terwijl hij op dat moment zelf met een snelheid van ongeveer 110 km/u op de weg reed. Deze getuige verklaarde hierover dat hij vanuit het niets een hard zoemend geluid hoorde en door luchtdrukverplaatsing werd zijn auto, een Saab station, ongeveer 10 a 20 cm naar rechts gedrukt. Hij moest zijn rijrichting corrigeren om niet op de rechter rijbaan uit te komen.
Bij deze beoordeling betrekt de rechtbank ook dat bij de door de politie gemaakte berekening van de snelheid ook de seconden tot de eerste 112-melding zijn meegenomen. Dit heeft enige tijd in beslag genomen, zo geeft de politie ook bij haar berekening aan, omdat de getuige die als eerste contact had met de 112 centrale, hoogstwaarschijnlijk eerst het verkeersongeval heeft waargenomen, vervolgens bedacht heeft om 112 te bellen en daarna pas daadwerkelijk heeft gehandeld. Het voertuig van de verdachte stond op dit moment stil, waardoor de berekende gemiddelde snelheid lager is uitgevallen. Op basis van de pleegplaatsen zoals verklaard door getuige [getuige 1] (de brug bij het Amsterdams Rijnkanaal ter hoogte van Houten, ongeveer 5 km vóór de plaats van de aanrijding) en de ANPR-hit van de politie (ter hoogte van Vianen, ruim 2 km vóór de plaats van de aanrijding), kan worden aangetoond dat de verdachte gedurende dit langere stuk op de weg excessief te hard over de weg heeft gereden.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er sprake is geweest van een excessieve snelheidsovertreding, gedurende een langere periode waardoor de verdachte niet in staat is gebleken om zijn voertuig tijdig af te remmen. Immers is hij op het voertuig van een andere bestuurder gebotst. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
het opzettelijk in ernstige mate schenden van de verkeersregels
Het opzet van de verdachte moet zowel gericht zijn geweest op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden daarvan. Bij het antwoord op de vraag of er sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval worden bekeken. De gedragingen moeten gezamenlijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm op de opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels gericht zijn geweest.
De verdediging heeft betoogd dat er geen sprake is geweest van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. De verdachte heeft niet opzettelijk te hard gereden. Hij is beroepschauffeur en kwam uit de sauna. De verdachte was niet onder invloed van alcohol of drugs en is tijdens het rijden mogelijk flauwgevallen of overvallen door de slaap.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het dossier biedt geen enkele aanwijzing om aan te nemen dat de verdachte tijdens het autorijden op enig moment buiten bewustzijn is geweest. De verdachte zat vanaf het vertrek bij de sauna gedurende een langere tijd in de auto en heeft allerlei (bewuste) verkeershandelingen moeten verrichten om op de plek te komen waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Getuige [getuige 1] beschrijft dat de auto 5 kilometer vóór het ongeval al (veel) te hard reed. Getuige [getuige 2] beschrijft dat de auto van de verdachte vlak voor het ongeval van baan wisselde, wat ook een aanwijzing is dat de bestuurder op dat moment bij bewustzijn was. Hij heeft hier immers stuurmanoeuvres voor moeten verrichten. Door te hard rijden en niet tijdig remmen is de verdachte uiteindelijk tegen het voertuig van het slachtoffer gebotst. Het enkele feit dat de verdachte zich die gebeurtenis niet meer weet te herinneren, is onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte niet bij bewustzijn was tijdens de rit op de Rijksweg A27. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en is van oordeel dat het langere tijd met een veel te hoge snelheid rijden niet anders dan opzettelijk kan worden gedaan. Uit de aard en het samenstel van de hiervoor beschreven gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder hij deze gedragingen heeft verricht, kan worden afgeleid dat de verdachte ook opzet had op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen
Er was door het rijgedrag van de verdachte gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten. Hij heeft met hoge snelheid een levensgevaarlijke botsing veroorzaakt. De verdachte heeft daarbij zelf letsel opgelopen. De bestuurder van het bedrijfsvoertuig had ook gewond kunnen raken of erger, door de botsing zelf, maar ook omdat hij daardoor de macht over het stuur verloor. Het is in zijn algemeenheid voorzienbaar dat gevaarlijke situaties ontstaan wanneer de maximumsnelheid op een (snel)weg aanzienlijk wordt overschreden. Daarbij neemt voor de bestuurder hierdoor het vermogen om te anticiperen en (tijdig) te reageren op de gedragingen van andere weggebruikers af en neemt de tijd die nodig is om voor eventuele anderen te remmen toe, met eveneens als gevolg dat (zeer) gevaarlijke situaties kunnen ontstaan.
Conclusie
Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994.