Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder
Procesverloop
€ 533.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2023.
7 mei 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van het object gehandhaafd.
Overwegingen
€ 61.416,- te hanteren, die is toegelicht tijdens de zitting. De rechtbank ziet in de vergelijkbaarheid met [adres 2] geen reden om een lagere waarde aan te nemen. Voor zover eiser de ligging van de referenties aan de [straat] niet vergelijkbaar vindt oordeelt de rechtbank als het volgt. De ligging van de [straat] wordt door eiser als beter gezien. De ligging is van subjectieve aard. Dat betekent dat de ligging aan de straat [straat] door de ene koper positiever wordt beschouwd dan door de andere koper. Het is daarom moeilijk om dat in een waarde te duiden. Uit de matrix blijkt dat de referentiewoningen aan de [straat] een iets hogere verkoopprijs hebben opgeleverd. Dat verschil is niet dusdanig groot dat de woningen niet als vergelijking kunnen dienen.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr. S. Vermeer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.