Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
Procesverloop
24 juli 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de WOZ-waarde van het object verlaagd naar € 845.000,-.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser is eigenaar van een woning in Utrecht waarvan de WOZ-waarde voor het belastingjaar 2024 is vastgesteld op € 873.000,-. Na bezwaar is deze waarde verlaagd naar € 845.000,-. Eiser is tegen deze uitspraak in beroep gegaan en vordert een lagere WOZ-waarde.
De rechtbank heeft de zaak op 29 mei 2026 behandeld waarbij eiser, de gemachtigde van de heffingsambtenaar en een taxateur aanwezig waren. De heffingsambtenaar heeft een taxatiematrix overgelegd met drie vergelijkbare woningen in de buurt die recentelijk zijn verkocht. De rechtbank acht deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar en concludeert dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is.
Eiser voerde aan dat de WOZ-waarde onterecht hoger is dan die van twee vergelijkbare woningen in de straat, een beroep op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank oordeelt dat deze woningen niet nagenoeg identiek zijn en dat de vergelijking met WOZ-waarden van andere woningen zonder onderliggende gegevens onvoldoende is om de vastgestelde waarde te verlagen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om terugbetaling van het griffierecht af. De uitspraak is mondeling gedaan en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 845.000,- wordt ongegrond verklaard.