ECLI:NL:RBMNE:2026:3192

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
UTR 24/5710-E
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Willemse
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen stopzetting WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Eiseres maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarin zij per 22 september 2022 werd beoordeeld als 29,52% arbeidsongeschikt, waardoor haar WIA-uitkering per 5 september 2024 zou worden stopgezet. De rechtbank deed op 26 mei 2025 een tussenuitspraak waarin een motiveringsgebrek werd vastgesteld en het UWV werd opgedragen dit te herstellen.

Het UWV heeft vervolgens aanvullende medische rapporten overgelegd, waarop eiseres reageerde. De rechtbank oordeelt dat het UWV het gebrek heeft hersteld door een volledige medische beoordeling per beoordelingsdatum 2 te laten uitvoeren, waarbij ook de door eiseres ingebrachte medische informatie is betrokken. De rechtbank volgt het standpunt van het UWV dat er geen sprake is van een verslechtering van de gezondheid van eiseres.

De rechtbank concludeert dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. Het beroep wordt gegrond verklaard vanwege het eerdere motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; eiseres ontvangt proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5710

einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. Wortel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: S.N. Westmaas-Kanhai).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Stichting [derde belanghebbende]uit [plaats] ((ex-)werkgeefster),
gemachtigde: A. Resic.

Inleiding

1. Deze zaak gaat over het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 24 juli 2024 (het bestreden besluit), waarbij het Uwv het bezwaar van (ex-)werkgever gegrond heeft verklaard en eiseres 29,52% arbeidsongeschikt heeft bevonden per 22 september 2022 (beoordelingsdatum 1). In het bestreden besluit is eiseres medegedeeld dat haar uitkering zal worden stopgezet per 5 september 2024 (beoordelingsdatum 2). Op 26 mei 2025 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenuitspraak gedaan. [1] Voor het procesverloop tot aan dat moment verwijst de rechtbank naar deze tussenuitspraak.
2. Met de tussenuitspraak heeft de rechtbank het Uwv in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
3. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het Uwv een e-mail van 17 juni 2025 met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 juni 2025 toegestuurd. Eiseres heeft hierop gereageerd met een brief van 11 juli 2025. De rechtbank heeft het Uwv op 4 augustus 2025 per brief laten weten dat met het rapport van 10 juni 2025 niet volledig is voldaan aan de herstelmogelijkheid die de rechtbank in de tussenuitspraak aan het Uwv heeft gegeven. Het Uwv heeft daarop een brief van 20 augustus 2025 met als bijlage een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 augustus 2025 toegestuurd. Eiseres heeft hierop op 18 september 2025 gereageerd.

Beoordeling door de rechtbank

Geheimhouding
4. Eiseres heeft geen toestemming gegeven om de gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan ex-werkgever te verstrekken. In deze uitspraak zal dan ook zoveel mogelijk in algemene termen gesproken worden over de medische gegevens van eiseres om te voorkomen dat deze gegevens alsnog via deze uitspraak bekend worden gemaakt.
Tussenuitspraak
5. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de beroepsgronden die zien op beoordelingsdatum 1 niet slagen. Verder heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat in de verzekeringsgeneeskundige rapporten die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit niet inzichtelijk is gemotiveerd wat per beoordelingsdatum 2 de arbeidsmogelijkheden van eiseres zijn. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene Wet Bestuursrecht, omdat sprake is van een motiveringsgebrek.
6. Om het gebrek te herstellen moet de verzekeringsarts bezwaar en beroep een volledige medische beoordeling doen van de arbeidsbeperkingen van eiseres per beoordelingsdatum 2. In deze beoordeling dient de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook te reageren op de in beroep ingebrachte aanvullende medische informatie en op het standpunt van eiseres dat in het kader van de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek meer informatie opgevraagd had moeten worden over haar behandeling bij Altrecht in 2024, haar behandeling voor fybromyalgie sinds 2022 en dat een actueel medicatieoverzicht had moeten worden opgevraagd per beoordelingsdatum 2.
Einduitspraak
7. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.

Beoordeling van de herstelpoging

Beoordelingsdatum 2 (5 september 2024)
De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
8. Het standpunt van eiseres is dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat er geen medisch onderzoek is verricht per beoordelingsdatum 2. Daardoor heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen rekening gehouden met de verslechtering van haar gezondheid tussen beoordelingsdatum 1 en beoordelingsdatum 2. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had ook verdere medische informatie moeten opvragen per beoordelingsdatum 2, namelijk informatie over haar behandeling bij Altrecht in 2024, informatie over haar behandeling voor fybromyalgie sinds 2022 en een actueel medicatieoverzicht per beoordelingsdatum 2. Om te onderbouwen dat haar gezondheid tussen de twee beoordelingsmomenten is verslechterd en de door haar genoemde informatie relevant is voor de beoordeling, heeft eiseres gewezen op de brief van haar huisarts van 28 januari 2025 en de brief van Altrecht van 22 januari 2025.
9. Uit de rapporten van 10 juni 2025 en 18 augustus 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat hij de door eiseres ingebrachte brief van haar huisarts van 28 januari 2025 en de brief van Altrecht van 22 januari 2025 kenbaar heeft betrokken bij de beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vermeld dat uit de brief van Altrecht volgt dat eiseres daar een behandeling heeft gevolgd en dat de behandelaar van Altrecht heeft geschreven dat eiseres klachten heeft die passen bij de bij haar vastgestelde diagnoses. Dit zijn dezelfde klachten en diagnoses die zij ook had ten tijde van beoordelingsdatum 1. Daarnaast wordt in de brief van Altrecht gesproken van een mildere psychische aandoening bij eiseres dan bij beoordelingsdatum 1 en wordt eiseres doorverwezen naar een laagfrequente vervolgbehandeling. Daaruit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat eiseres geen specifiek of intensieve behandeling volgde bij Altrecht per beoordelingsdatum 2. Anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat uit de brief van Altrecht blijkt, dat eiseres per beoordelingsdatum 2 geen behandeling meer volgde. Uit de brief van Altrecht is enkel op te maken dat eiseres tussen 30 januari 2024 en 15 januari 2025 een behandeling heeft gevolgd. Wel blijkt uit de brief van Altrecht, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 10 juni 2025 heeft geschreven, dat er bij eiseres gedurende de behandeling sprake was van eenzelfde of zelfs een mildere klachtenlast, dan ten tijde van beoordelingsdatum 1. Het opvragen van nadere informatie kan dan niet van toegevoegde waarde zijn, omdat daaruit niet kan volgen dat sprake was van een verslechterde gezondheidssituatie. De stelling van eiseres dat de brief van Altrecht ziet op de verbeterde gezondheidssituatie van eiseres per 15 januari 2025 en niet op beoordelingsdatum 2 wordt niet gevolgd door de rechtbank. Anders dan zij stelt is het precieze moment van verbetering niet van belang, omdat er geen aanknopingspunten zijn voor een verslechtering van haar gezondheidssituatie ten opzichte van beoordelingsdatum 1.
10. De rechtbank kan ook de redenering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen dat er ten aanzien van de beoordelingsdatum 2 geen informatie opgevraagd hoefde te worden over de behandeling van fybromyalgie sinds 2022, omdat kenbaar was welke behandelingen eiseres daarvoor volgde per beoordelingsdatum 1 en dit bij beoordelingsdatum 2 hetzelfde was. Daarin is tussen de twee beoordelingsmomenten geen wijziging in geweest. Tot slot kan ook de rechtbank de redenering volgen dat er geen medicatieoverzicht nodig was, omdat het relevante medicatiegebruik al kenbaar was op basis van de gegevens uit eerdere rapporten en nu niet is gebleken dat er een wijziging in medicatie heeft plaatsgevonden tussen de beoordelingsmomenten.
11. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld ten aanzien van de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft namelijk de door eiseres ingebrachte medische informatie betrokken bij zijn medische beoordeling, te weten de brief van haar huisarts van 28 januari 2025 en de brief van Altrecht van 22 januari 2025, en hij heeft overtuigend gemotiveerd waarom hij geen aanvullende informatie op de door eiseres genoemde punten hoefde op te vragen. Uit het rapport van 10 juni 2025 blijkt verder dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier heeft bestudeerd en alle beschikbare medische gegevens bij zijn beoordeling heeft betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden gemotiveerd hoe de beoordeling tot stand is gekomen en hiermee heeft hij alsnog medisch onderzoek verricht.
De inhoudelijke medische beoordeling
12. Eiseres stelt dat de inhoudelijke medische beoordeling per beoordelingsdatum 2 niet juist is, omdat onvoldoende rekening is gehouden met haar verslechterde gezondheid.
13. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling, en volgt eiseres dus niet in haar stelling dat er sprake is van een verslechterde gezondheid per beoordelingsdatum 2, en licht dat als volgt toe. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met zijn rapporten van 10 juni 2025 en 18 augustus 2025 onderzoek gedaan naar de arbeidsbeperkingen van eiseres per beoordelingsdatum 2. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat op grond van de door eiseres ingebrachte brief van haar huisarts blijkt dat de gezondheidssituatie van eiseres onder controle was. Ook stelt hij op grond van de gegevens uit de brief van de huisarts dat de reumatoloog en neuroloog hebben geconcludeerd dat eiseres klachten heeft die passen bij de bij haar vastgestelde diagnoses. Er is op basis van poliklinisch onderzoek ook geen nieuwe aandoening vastgesteld. Daarnaast stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat ook uit de informatie van Altrecht geen verslechtering van haar gezondheid blijkt. De behandelaar van Altrecht speekt namelijk over klachten die passend zijn bij de diagnoses die bij eiseres zijn vastgesteld. Dit zijn dezelfde klachten en diagnoses die zij ook had ten tijde van beoordelingsdatum 1. Ook wordt in de brief van Altrecht gesproken van een mildere psychische aandoening dan bij beoordelingsdatum 1. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op grond van zijn onderzoek geconcludeerd dat eiseres per beoordelingsdatum 2 dezelfde belastbaarheid heeft als per beoordelingsdatum 1 en dat er dus niet gebleken is dat er sprake is van een verslechtering van haar gezondheid.
14. Het standpunt van eiseres dat de informatie van Altrecht slechts informatie in samengevatte vorm is en dat niet specifiek wordt ingegaan op de correlatie tussen haar klachten slaagt niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft namelijk inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat uit de informatie van Altrecht blijkt dat er geen sprake is van een verslechtering van haar gezondheid. Als de psychische klachten de fysieke klachten versterken, en de psychische klachten bij beoordelingsdatum 2 juist minder zijn, zijn er mogelijk dus juist minder beperkingen aan de orde. Ook het standpunt dat eiseres wegens haar diagnoses afspraken bij de psychiater niet heeft kunnen bezoeken, kan niet worden gevolgd. Eiseres heeft dat standpunt namelijk niet met medische stukken onderbouwd. De rechtbank ziet in dat wat eiseres in beroep heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor de conclusie dat zij meer beperkingen heeft dan door de verzekeringsartsen is aangegeven.
15. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld ten aanzien van beoordelingsdatum 2.
De arbeidsdeskundige beoordeling
16. Eiseres stelt dat de inhoudelijke medische beoordeling per beoordelingsdatum 2 niet juist is, omdat onvoldoende rekening is gehouden met haar verslechterde gezondheid. Hierdoor klopt volgens haar ook de arbeidsdeskundige beoordeling per beoordelingsdatum 2 niet.
17. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat zij om medische redenen niet in staat is de geduide functies te vervullen. Nu uit de voorgaande overwegingen blijkt dat het Uwv ten aanzien van beoordelingsdatum 2 heeft mogen uitgaan van de medische beoordeling zoals uitgevoerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, volgt ook dat de FML die opgesteld is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep passend is. Nu niet wordt betwist dat de geduide functies in lijn zijn met de FML kan deze grond niet slagen.
Conclusie en gevolgen
18. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. Omdat het Uwv het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat eiseres niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
19. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het Uwv aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het Uwv moet die vergoeding betalen. De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 3 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en twee keer een half punt voor het indienen van twee schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus) met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.802,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.802,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van deze rechtbank van 26 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3336.