ECLI:NL:RBMNE:2026:32

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/3963
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8, eerste lid, AwbArt. 6:9, eerste lid, AwbArt. 6:11 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare reden

Eiser maakte bezwaar tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, waarbij omgevingsvergunningen waren verleend. De bezwaren werden echter na het verstrijken van de wettelijke bezwaartermijn ingediend. Het college verklaarde de bezwaren daarom niet-ontvankelijk en eiser stelde beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelde dat de bezwaartermijn van zes weken aanving op de dag na verzending van de besluiten aan vergunninghouder, namelijk 6 maart 2025, en eindigde op 16 april 2025. Eiser diende zijn bezwaren op 17 april 2025 in, één dag te laat. Eiser voerde aan dat de termijn moest worden gerekend vanaf de publicatie in het Gemeenteblad, maar de rechtbank verwierp dit omdat de verzenddatum correct was bekendgemaakt en eiser geen geldige reden gaf voor de overschrijding.

Verder stelde eiser dat het college het recht op hoor en wederhoor had geschonden door hem niet te horen in bezwaar. De rechtbank vond dat het college terecht van horen kon afzien omdat de niet-ontvankelijkheid kennelijk was en het besluit voldoende was gemotiveerd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat het college de bezwaren terecht niet-ontvankelijk had verklaard. Hierdoor hoeft het college de inhoud van de bezwaren niet te behandelen en krijgt eiser het betaalde griffierecht niet terug.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond omdat de bezwaren te laat zijn ingediend zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3963

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, verweerder

(gemachtigde: K. van de Wateringen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij]uit [plaats] , vergunninghouder
(gemachtigde: mr. M.E. van den Kommer).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep van eiser tegen het besluit van het college van 20 mei 2025 (het bestreden besluit), waarin het college de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 4 maart 2025 (met kenmerken [.] en [..] ) kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de bezwaren na het verstrijken van de bezwaartermijn zijn ingediend.
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college de bezwaren van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat ze te laat zijn ingediend en eiser daarvoor geen geldige reden heeft gegeven. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder een zitting te houden. [1]

Procesverloop

3. Het college heeft op 4 maart 2025 aan vergunninghouder een omgevingsvergunning (kenmerk [..] ) verleend voor het oprichten van een loods, in afwijking van een eerder verleende omgevingsvergunning. Op diezelfde datum heeft het college ook een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van het perceel van vergunninghouder, in afwijking van het Omgevingsplan, en de aanleg van oppervlakteverhardingen buiten het bouwvlak (kenmerk [.] ). Het college heeft deze besluiten op 5 maart 2025 per gewone post aan vergunninghouder toegezonden en op
7 maart 2025 gepubliceerd in het Gemeenteblad. Dat is tussen partijen niet in geschil.
4. Tegen de besluiten van 4 maart 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt. Uit de ontvangstbevestiging volgt dat eiser zijn bezwaarschriften op 17 april 2025 om 15:48 op het kantoor van het college heeft afgegeven.
5. Op 28 april 2025 heeft het college eiser geïnformeerd dat de bezwaren na het verstrijken van de bezwaartermijn zijn ingediend, omdat de bezwaartermijn liep tot en met 16 april 2025. Het college heeft eiser in de gelegenheid gesteld om te laten weten of hij een (goede) reden heeft waarom de bezwaarschriften te zijn laat zijn ingediend.
6. Eiser heeft op 14 mei 2025 gereageerd dat zijn bezwaren tijdig zijn ingediend, omdat ze binnen zes weken na publicatie van de besluiten in het Gemeenteblad zijn afgegeven op het kantoor van het college.
7. Met het bestreden besluit van 20 mei 2025 heeft het college de bezwaren van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaarschriften te laat zijn ingediend en de te late indiening niet verschoonbaar is. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep bij de rechtbank ingesteld.
8. Het college heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft zich bij de inhoud van het verweerschrift aangesloten.

Gronden van het beroep

9. Eiser voert aan dat de bezwaartermijn voor derde-belanghebbenden aanvangt op de dag na publicatie in het Gemeenteblad, omdat het publiek pas vanaf dat moment kennis kan nemen van de besluitvorming. Het college heeft de besluiten op 7 maart 2025 gepubliceerd in het Gemeenteblad. Dat betekent volgens eiser dat de bezwaartermijn aanving op 8 maart 2025 en eindigde op 18 april 2025. Het hanteren van de datum van verzending van de besluiten aan vergunninghouder als aanvang van de bezwaartermijn belemmert volgens eiser de toegang tot rechtsbescherming en is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Voor het geval de verzenddatum wordt gehanteerd, voert eiser aan dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding van één dag, omdat de verzenddatum niet expliciet in de publicatie is vermeld. [2]
10. Verder voert eiser aan dat het college in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel en het recht op hoor en wederhoor door eiser niet in bezwaar te horen. Van horen in bezwaar mag slechts worden afgezien als redelijkerwijs geen twijfel bestaat over de niet-ontvankelijkheid. Het feit dat de bezwaarschriftencommissie uitvoerig motiveert waarom zij van oordeel is dat geen sprake is van verschoonbaarheid wijst volgens eiser juist op het bestaan van twijfel. Het college heeft eiser dus ten onrechte niet gehoord, aldus eiser.

Beoordeling door de rechtbank

11. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [3] Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [4] Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden of uitgereikt aan de aanvrager. [5] Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [6] Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is, omdat daarvoor een geldige reden is. Het gaat dan omstandigheden waar bezwaarmaker redelijkerwijs niets aan kon doen. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [7]
12. Het college heeft de besluiten op 5 maart 2025 toegezonden aan vergunninghouder, zodat de termijn van zes weken voor het indienen van bezwaar aanving op 6 maart 2025 en eindigde op 16 april 2025. Eiser heeft zijn bezwaren op het kantoor van het college afgegeven op 17 april 2025. Dat is één dag te laat, omdat de bezwaren voor het einde van de termijn moeten zijn ontvangen. De bezwaarschriften zijn dus niet tijdig ingediend.
13. Eiser heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Eiser is uitgegaan van de publicatiedatum in het Gemeenteblad, omdat de verzenddatum niet in de publicatie is vermeld. De rechtbank ziet hierin geen geldige reden voor de termijnoverschrijding. In de publicatie van de besluiten in het Gemeenteblad staat vermeld dat: ‘
Indien u van mening bent dat u door dit besluit rechtstreeks in uw belang bent getroffen, dan kunt u op grond van de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken na datum van verzending van het besluit tegen dit besluit bezwaar maken’.De bezwaartermijn is dus op de juiste wijze bekendgemaakt. Hoewel de verzenddatum in de publicatie niet wordt genoemd, is de rechtbank van oordeel dat eiser met de publicatie correct is geïnformeerd over de bezwaartermijn. Het had op de weg van eiser gelegen om bij het college te informeren naar de datum van de bekendmaking, om zo zekerheid te krijgen over het einde van de bezwaartermijn. Eiser heeft verder ook geen bijzondere persoonlijke omstandigheden aangevoerd die maken dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. [8] Dat betekent dat het college de bezwaren van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
14. Wanneer een bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, kan van horen in bezwaar worden afgezien. [9] Als het college daartoe overgaat, dan moet aan die beslissing een deugdelijke motivering ten grondslag liggen. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een deugdelijke onderbouwing bevat. Het college heeft dus in redelijkheid kunnen afzien van het horen van eiser in bezwaar.

Conclusie en gevolgen

15. De bezwaren van eiser zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat het college de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 4 maart 2025 niet inhoudelijk hoeft te behandelen. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daardoor het door hem betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
3.Artikel 6:7 van Pro de Awb.
4.Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
5.Artikel 3:41 van Pro de Awb.
6.Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
7.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
8.Uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 14 februari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:698.
9.Artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb.