ECLI:NL:RBMNE:2026:3206

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/4719
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wvw 1994Art. 21 BABWArt. 3:2 AwbArt. 3:4 AwbArt. 2.2 Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling intrekking geslotenverklaring voor voertuigen met aslast boven 4,8 ton bij brug in Baambrugge

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het verkeersbesluit van 31 januari 2025 waarbij het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen de geslotenverklaring voor voertuigen met een aslast hoger dan 4,8 ton bij een brug in Baambrugge heeft ingetrokken. Eiseres betwist dit besluit en voert meerdere beroepsgronden aan.

De rechtbank heeft het besluit getoetst aan de zorgvuldigheid, belangenafweging en motivering. Het college baseerde zich op deskundigenonderzoek van twee adviesbureaus, waarbij het laatste rapport concludeerde dat de brug geschikt is voor zwaarder verkeer. De rechtbank stelt vast dat het college aan zijn vergewisplicht heeft voldaan en dat eiseres geen concrete aanwijzingen heeft gegeven die het advies in twijfel trekken.

Verder is geoordeeld dat het college voldoende rekening heeft gehouden met verkeersveiligheid, mede op basis van het positieve politieadvies. De stelling van eiseres dat het college afstemming met het waterschap had moeten zoeken, wordt verworpen omdat het besluit alleen de brug betreft.

De rechtbank concludeert dat het college een evenwichtige belangenafweging heeft gemaakt en dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit haar belangen onevenredig schaadt. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het verkeersbesluit tot intrekking van de geslotenverklaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4719

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigden: mr. L.P.W. Mensink en mr. H.J.E. Osse)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen, het college
(gemachtigde: mr. drs. A. Krijgsman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een verkeersbesluit van 31 januari 2025 waarbij de geslotenverklaring voor voortuigen die, met inbegrip van een lading, een aslast hebben die hoger is dan 4,8 ton ter hoogte van de brug tussen de [straat 1] en de [straat 2] in Baambrugge, is ingetrokken. Eiseres is het niet eens met de intrekking van de geslotenverklaring. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het verkeersbesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid tot het verkeersbesluit heeft kunnen komen
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft op 31 januari 2025 het verkeersbesluit genomen. Eiseres heeft daar tegen bezwaar gemaakt. Eiseres heeft verder de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat het verkeersbesluit wordt geschorst tot er op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen. [1] Met het bestreden besluit van 3 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Op 30 maart 2026 heeft eiseres aanvullende beroepsgronden ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigden zijn verschenen. Aan de zijde van eiseres zijn verder verschenen de heer [persoon 1] en de heer [persoon 2] . Mr. P.M.L. van der Schot is verschenen als waarnemend gemachtigde van het college en zij is bijgestaan door mevrouw [persoon 3] en de heer [persoon 4] , projectleider constructeur bij [adviesbureau 1] te [plaats 2] .

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Het college heeft op verzoek van een melkveehouderij aan de [straat 1] onderzocht of de aslastbeperking kon worden opgeheven. Reden hiervoor is dat door de beperking niet alle melkwagens de brug mogen passeren en deze brug de enige toegangsweg is tot de percelen aan de [straat 1] . Dit zorgt voor extra kosten en aanvullende afspraken met de zuivelverwerker, andere leveranciers en loonbedrijven. Het college heeft eerst onderzoek laten doen door [adviesbureau 2] (hierna: [adviesbureau 2] ). Dit onderzoek is neergelegd in een memo van 11 juli 2024. De uitkomsten van dit onderzoek hebben voor het college aanleiding gevormd om uitgebreider onderzoek te laten doen door [adviesbureau 1] . De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 13 december 2024. Op basis van het onderzoek van [adviesbureau 1] heeft het college het verkeerbesluit genomen. De politie heeft bij brief van 14 januari 2025 het college laten weten geen bezwaar te hebben tegen het instellen van het verkeersbesluit.
Toetsingskader
4. Op grond artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:
a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;
b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;
c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;
d. het zo veel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.
5. Op grond van artikel 21 van Pro het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.
6. Het college heeft beoordelingsruimte bij de beantwoording van de vraag wat nodig is ter bescherming van de verkeersbelangen genoemd in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994. Het college dient dit naar behoren te motiveren. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop het college van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of het college redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen. Nadat het college heeft vastgesteld wat naar zijn oordeel nodig is gelet op de betrokken verkeersbelangen, moet het de uitkomst van die beoordeling afwegen tegen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit. Bij die afweging heeft het bestuursorgaan beleidsruimte. De bestuursrechter gaat niet na of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de (uitkomst van de) belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit onevenredig is in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. [2]
Beoordeling
7. Het college heeft aan het verkeersbesluit ten grondslag gelegd; ‘het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer (artikel 2, eerste lid, onder d, van de Wvw 1994)’. Het college heeft overwogen dat sprake is van een onnodige beperking van het wegverkeer, terwijl die beperking gevolgen heeft voor de bedrijven die aan de [straat 1] zijn gelegen. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op het onderzoek dat door [adviesbureau 1] is verricht en heeft toegelicht dat uit dat onderzoek blijkt dat sprake is van een onnodige belemmering bij de brug.
8. Eiseres voert in dit kader aan dat het college onvoldoende maatregelen heeft getroffen voor het voorkomen van overlast en schade en dat het college zich niet zondermeer op het advies van [adviesbureau 1] heeft kunnen baseren. [adviesbureau 1] komt namelijk tot een wezenlijk andere conclusie dan het rapport van [persoon 5] . Bovendien is in het rapport van [persoon 5] opgenomen dat een verhoging van de maximale aslast slechts verantwoord kan worden op basis van nader onderzoek, maar [adviesbureau 1] heeft deze onderzoeken niet (volledig) uitgevoerd. Zo zijn bijvoorbeeld de staalmetingen maar gedeeltelijk gedaan en heeft [adviesbureau 1] geen onderzoek gedaan naar het type hardhout.
9. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het rapport van [adviesbureau 1] volgt dat de aslastbeperking niet noodzakelijk is en dat de brug geschikt is voor zwaarder verkeer. Dit is een deskundigenadvies. Het is vaste rechtspraak dat het bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. [3] Deze zogeheten vergewisplicht volgt in dit geval uit artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college aan zijn vergewisplicht heeft voldaan. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het advies naar voren gebracht. [adviesbureau 1] heeft in de bezwaarfase middels een notitie van 31 maart 2025 uitgebreid gereageerd op hetgeen eiseres heeft aangevoerd. Daarbij heeft [adviesbureau 1] onder andere toegelicht dat de berekeningen van [persoon 5] zijn gebaseerd op een verouderde norm en een niet meer gangbare ontwerpbelasting voor vrachtvoertuigen. Verder betreft het een conservatieve herberekening waarbij de brugconstructie vereenvoudigd is gemodelleerd tot een 1D-liggerberekening en dat belasting over meerdere liggers door vervorming van de liggers niet is beschouwd. Ten aanzien van de belasting heeft [adviesbureau 1] in deze notitie en ter zitting nader toegelicht dat dit is berekend aan de hand van belastingmodel 1 en 2 en dat belastingmodel 2 ziet op hele zware vrachtwagens die zonder ontheffing niet op de Nederlandse wegen mogen rijden. Ook is er een uitleg gegeven over de berekening van de remkrachten en de staat van de brug tijdens de inspectie. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het advies van [adviesbureau 1] naar voren heeft gebracht. Eiseres heeft ook geen contra-expertise overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat het college het advies van [adviesbureau 1] aan het verkeersbesluit ten grondslag heeft mogen leggen.
10. Eiseres voert verder aan dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de verkeersveiligheid. Het advies van de politie is summier en de overwegingen zijn gelijk aan die van het college.
11. De rechtbank stelt vast dat het college voorafgaand aan het verkeersbesluit informatie heeft ingewonnen bij de politie en dat de politie heeft aangegeven dat er geen bezwaar bestaat tegen het verkeersbesluit en dat dit geen negatieve invloed heeft op de verkeersveiligheid of de bereikbaarheid voor hulpdiensten. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op dit advies van de politie mocht baseren. Het advies is weliswaar niet uitgebreid, maar er zijn geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van dit advies. Eiseres heeft niet nader onderbouwd dat sprake is van een verslechterde verkeerssituatie.
12. Eiseres voert eerst ter zitting aan dat het college op grond van artikel 2.2 van de Omgevingswet afstemming had moeten zoeken met het waterschap alvorens het verkeersbesluit kon worden genomen. De brug loopt namelijk door in een weg en de weg betreft een waterkering en valt daarom onder het beheer van het waterschap.
13. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan slagen. Zoals door het college ter zitting is aangegeven ziet het verkeersbesluit enkel op de brug en niet op de weg daarachter. Daarom is het college bevoegd om het verkeersbesluit te nemen en hoeft het college geen afstemming te zoeken met het waterschap.
14. De rechtbank is gelet op al het voorgaande van oordeel dat het college de relevante belangen heeft meegewogen en een voldoende evenwichtige belangenafweging heeft gemaakt. Dat met dit verkeersbesluit de belangen van eiseres onevenredig getroffen zijn, volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt in dit kader dat het verkeersbesluit alleen betrekking heeft op de brug en niet op de weg daarachter. Eiseres heeft verder niet concreet onderbouwd dat door het zwaardere verkeer over de brug schade is ontstaan. De door haar overgelegde foto’s in beroep zijn daartoe onvoldoende. Bij eerder onderzoek is niet gebleken van een wegverzakking. De verwijzing van eiseres naar een beschadiging aan de Dorpsbrug in Braambrugge leidt niet tot een ander oordeel. Zoals het college heeft aangegeven, is bij die brug de schade niet ontstaan door overbelasting qua gewicht, maar ging het daar om schade door aanrijding tegen de opbouw van de brug door een te hoog vaartuig. Het college heeft toegelicht te beschikken over een calamiteitenprotocol en dat er 24/7 een aannemer paraat staat om indien nodig direct de schade te herstellen. Het college geeft aan dat het incident aan de Dorpsbrug juist illustreert hoe snel en adequaat het college handelt in dergelijke situaties. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de belangen van eiseres onevenredig nadelig zijn getroffen in verhouding tot de met het verkeersbesluit te dienen doelen.
15. De rechtbank concludeert dat het college het verkeersbesluit in redelijkheid heeft kunnen nemen.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, voorzitter, en mr. M.E.A. Braeken en
mr. dr. M.L. van Emmerik, leden, in aanwezigheid van mr.L.S. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van 1 april 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3023.
2.Artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:599.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1337.