6.3.Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft de aangever in zijn bovenbeen gestoken met een mes waardoor de aangever een steekwond heeft opgelopen die gehecht moest worden. Dit gebeurde voor de aangever en de aanwezige getuigen uit het niets. De precieze aard en ernst van het letsel is mogelijk ernstiger dan kan worden vastgesteld op basis van het beschikbare dossier, maar de gedraging is op zichzelf al zeer ernstig. Het was voor het slachtoffer en de andere aanwezigen een beangstigende situatie. Eén van de getuigen beschrijft dat de verdachte tijdens dit incident ‘de blik van een maniak’ had en een andere getuige heeft verklaard dat de verdachte een psychopaat leek toen hij de aangever had aangevallen en dat zijn ogen helemaal wild leken. De aangever heeft in een aanvullende verklaring onder meer verklaard dat hij op zoek is naar psychologische hulp, omdat hij sinds het steekincident angstig is en zich oncomfortabel voelt als er iemand achter hem staat of loopt.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:
- een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende de verdachte van 30 april 2026. Hieruit volgt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor een misdrijf. De verdachte heeft zelf overigens tijdens het persoonlijkheidsonderzoek te kennen gegeven dat hem in zijn thuisland een keer een geldboete is opgelegd toen hij slaande ruzie had gekregen.
- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 7 april 2026. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met oplegging van bijzondere voorwaarden, te weten – in het kort – een meldplicht, een ambulante behandeling en een verbod op middelengebruik.
- een dubbel persoonlijkheidsonderzoek Pro Justitia (psychiatrisch en psychologisch). De psychiater heeft op 5 februari 2026 onder meer het volgende gerapporteerd:
Tijdens het tenlastegelegde was er sprake van een paranoïde psychotisch toestandsbeeld,
veroorzaakt door het gebruik van amfetamine en/of 2MMC. Daarnaast is er sprake van een stoornis in het gebruik van amfetamine, inmiddels in remissie. Deze stoornissen waren tijdens het ten laste gelegde aanwezig, waarbij de stoornis in het gebruik van amfetamine of een ander stimulerend middel nog niet in remissie was.
De verdachte meende dat zijn huisgenoten hem wilden vergiftigen. Het ontbrak hem aan realiteitsbesef. Het denken en handelen van de verdachte werd volledig bepaald door de paranoïde wanen en de hieruit voortkomende angst, waarbij het hem aan ieder realiteitsbesef ontbrak. Daarbij wordt – samenvattend – ook opgemerkt dat hij wel enig inzicht had in de werking van de middelen die hij toen had gebruikt.
Daarom wordt geadviseerd om het ten laste gelegde in tenminste verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Het recidiverisico wordt, op zowel de korte als de lange termijn, laag tot matig geschat. Belangrijke onderwerpen lijken hierbij terugval in psychose dat door middelengebruik veroorzaakt kan worden. Hierbij is een punt van zorg dat de verdachte (onverwachte) gebeurtenissen (kortdurend) psychotisch kan interpreteren.
Beschermend is dat de verdachte een intelligente man is met een goede coping en zelfcontrole en zeker ook empathische vermogens. Hij werkt, er is goede vrijetijdsbesteding, een goed financieel beheer en hij heeft als doel een opleiding in de ICT af te ronden. Hij heeft een positieve houding tegenover autoriteit en is gemotiveerd voor behandeling. Er ontbreken externe beschermende factoren.
Een behandeling gericht op het langdurig vervolgen van het beloop van de (doorgemaakte) psychotische klachten en het voorkomen van een terugkerende psychose is belangrijk. Er kan dan tijdig ingegrepen worden om recidive te voorkomen. Voorlichting over psychose en een behandeling met een anti-psychoticum om te kijken of de paranoïde belevingen hiermee verdwijnen, zijn gewenst. Een andere kernfactor is middelengebruik. Ambulante begeleiding met psycho-educatie over middelen en een balans tussen werk en ontspanning zijn hierbij belangrijke onderdelen. Deze behandeling kan in het kader van een voorwaardelijk strafdeel plaatsvinden.
De psycholoog heeft op 6 februari 2026 vergelijkbare conclusies, bevindingen en adviezen gerapporteerd als de psychiater.
De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog en de psychiater over de verminderde toerekenbaarheid over en maakt die tot haar conclusie. Hoewel gezegd kan worden dat verdachte zichzelf in een psychotisch toestandsbeeld heeft gebracht door middelengebruik en hij een en ander lijkt af te weten van de werking en bijwerkingen van de toen gebruikte middelen (
culpa in causa), volgt uit de bevindingen van de deskundigen ook iets anders. De psychiater schrijft dat er geregeld paranoïde belevingen opflakkeren en dat daarom een kwetsbaarheid voor psychose bij deze verdachte niet uit te sluiten is. Daarom kan niet gezegd worden dat het volledig aan verdachte zelf te wijten is dat hij zich tijdens het feit in die toestand bevond, omdat juist de persoon van verdachte hiervoor kwetsbaar was, althans, die kwetsbaarheid valt niet uit te sluiten en daarbij zou het middelengebruik dan als katalysator van die onderliggende problematiek hebben gewerkt. De rechtbank zal het feit daarom in verminderde mate aan hem toerekenen.
Strafkader
Gelet op de aard en ernst van het feit, zoals hiervoor omschreven, kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank heeft geconstateerd dat de verdachte al 193 dagen in voorlopige hechtenis heeft gezeten voordat de rechtbank de voorlopige hechtenis heeft geschorst. De rechtbank vindt dat verdachte niet terug moet naar de gevangenis. De rechtbank houdt enerzijds rekening met de ernst van het feit, maar ook met de persoon van de verdachte. Het feit kan hem in verminderde mate worden toegerekend, wat in strafverminderende zin meeweegt. Verder heeft verdachte zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis goed ingezet en heeft hij zijn leven weer op de rit, met de kanttekening dat hij wel verkeersboetes heeft gekregen tijdens die schorsing. De rechtbank vindt dat de nadruk nu moet liggen op het voorkomen van herhaling en hem daarbij hulp te bieden door het opleggen van de door de deskundigen en de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De verdachte staat hiervoor open en zou die hulp graag aanvaarden.
Rekening houdend met de hiervoor genoemde omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat er geen groot voorwaardelijk op te leggen strafdeel meer resteert. In zoverre zal de rechtbank het anders doen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank komt tot de volgende strafoplegging:
- een gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 7 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaar, met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
De voorlopige hechtenis
Het voorgaande brengt ook met zich dat de rechtbank het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis zal opheffen.