Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3230

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/5206
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 WooArt. 7:12 AwbArt. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing Woo-verzoek en motivering geheimhouding concessieovereenkomst

Eiser verzocht op grond van de Wet open overheid (Woo) om documenten over de concessieovereenkomst voor A0-reclamedisplays bij de gemeente Zeist. Het college maakte sommige documenten openbaar, andere gedeeltelijk en enkele niet. Eiser maakte bezwaar tegen de besluiten en stelde dat de zoekslag onvolledig was en dat de motivering voor geheimhouding onvoldoende was.

De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom bepaalde documenten niet openbaar waren, met name de resultaten van een onderzoek door een adviesbureau en passages in een offerte die kritisch waren over het bedrijf van eiser. De rechtbank volgde eiser in zijn stelling dat deze informatie waarschijnlijk bij het college berust en dat het college dit onvoldoende had weersproken.

Verder concludeerde de rechtbank dat het college niet voldeed aan de motiveringsplicht voor het toepassen van de weigeringsgrond van artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met een deugdelijke motivering per onderdeel.

Het college moet tevens het griffierecht van €194,- aan eiser vergoeden. Er zijn geen overige proceskosten toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter P.J. Blok op 27 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met een volledige zoekslag en deugdelijke motivering.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5206

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, het college

(gemachtigde: mr. N. El Moussaoui).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 3 augustus 2024 op grond van de Wet open overheid (de Woo) verzocht om informatie en documenten met betrekking tot de concessieovereenkomst voor A0-reclamedisplays.
1.1.
Het college heeft bij besluit van 7 oktober 2024, gewijzigd bij de besluiten van 7 november 2024 en 26 maart 2025 sommige documenten volledig, andere gedeeltelijk openbaar en enkele niet openbaar gemaakt. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Met het bestreden besluit van 16 juli 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college de besluiten van 7 november 2024 en 26 maart 2025 gedeeltelijk herroepen. Daarbij heeft het college – kort samengevat – de document 18, 19 en 20 alsnog gedeeltelijk openbaar gemaakt en een aanvullende motivering gegeven voor het niet-openbaar maken van de passages in document 20. Ook is de oorspronkelijke zoekslag inzichtelijk gemaakt en zijn de resultaten van de aanvullende zoekslag (9 nieuwe documenten) gedeeltelijke openbaar gemaakt.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen
:eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het college het Woo-verzoek op de juiste wijze heeft behandeld en of voldoende informatie openbaar is gemaakt. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank merkt vooraf op dat met eiser op de zitting is besproken en toegelicht dat document 29 in het dossier - dat door het college aan de rechtbank is verstuurd - aanwezig is en in dat kader ook in het bezit van eiser zou moeten zijn. Op de zitting is ook besproken wat dit document behelst. Verder is op de zitting duidelijk geworden dat de toepassing van de weigeringsgronden ten aanzien van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo en de bescherming van concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo niet (meer) in geschil zijn. Tussen partijen is wel in geschil de zoekslag en de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 5.1, vijfde lid van de Woo in document 20. Document 20 betreft een door het [adviesbureau] ( [adviesbureau] ) opgestelde offerte voor het begeleiden van de gemeente Zeist bij de aanbesteding van de AO-reclamedisplays.
Zoekslag
4. Eiser voert aan dat de zoekslag niet volledig is. Dit blijkt volgens eiser uit de correspondentie tussen [adviesbureau] en de gemeente Zeist en in het bijzonder uit de mail van 13 oktober 2023. In die mail geeft [adviesbureau] onder meer aan diverse culturele instellingen te hebben gemaild (die mogelijk gebruik maakten van de diensten van de onderneming van eiser) en hen enkele vragen te hebben gesteld. Ook geeft [adviesbureau] in diezelfde mail aan alles te zullen verzamelen en er een notitie van te zullen maken. Eiser stelt dat de aard van deze mail maakt dat er een reactie op die mail zou moeten zijn. In elk geval zouden de resultaten van de gestelde vragen en de opgestelde notitie in bezit van de gemeente moeten zijn.
5. Het college stelt zich op het standpunt dat de zoekslag volledig is. Er zijn niet meer documenten aangetroffen die onder het Woo-verzoek vallen. Volgens het college is de mail van 13 oktober 2023 ter informatie bedoeld en heeft [adviesbureau] hierin niet om een reactie verzocht. Verder is het college van mening dat uit de mail van 13 oktober 2023 blijkt dat de “opvatting van de culturele instellingen” en de informatie over “controle op het aantal displays” door [adviesbureau] wordt verzameld. Dit betekent niet dat de betreffende informatie met de gemeente is gedeeld. Om die reden berust deze informatie niet bij het college en is daarom niet betrokken bij de openbaarmaking van de documenten. Op de zitting heeft het college naar voren gebracht dat dit ook geldt voor de genoemde notitie.
6. Volgens vaste rechtspraak [1] van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document of documenten niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.
7. De rechtbank overweegt als volgt. Het college heeft de zoekslag uiteengezet en deze is op zich niet ongeloofwaardig. Maar naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser aannemelijk gemaakt dat er meer documenten zouden moeten zijn. In de mail van 13 oktober 2023 wordt opgemerkt door het [adviesbureau] dat zij nader onderzoek zal doen door onder andere uitvraag te doen bij verschillende culturele instellingen en dat er mogelijk een fotosessie zal plaatsvinden om de in Zeist geplaatste displays vast te leggen. In die mail staat ook dat [adviesbureau] alles zal verzamelen en er een notitie van zal maken. De rechtbank kan de stelling van het college volgen dat deze mail niet om een reactie vraagt. Maar het is niet duidelijk geworden waarom de resultaten van de gestelde vragen, de eventueel genomen foto’s dan wel de door [adviesbureau] op te stellen notitie niet bij het college zouden zijn. Op de zitting is besproken dat de mail is opgesteld door [adviesbureau] in het licht van en met als onderwerp de “offerte”. Dat doet vermoeden dat de mail van 13 oktober 2023 weergeeft welke stappen [adviesbureau] in het kader van de opdracht die na de offerte is gegund, gaat uitvoeren. Het licht dan ook voor de hand dat de resultaten van die stappen met de gemeente als opdrachtgever zijn gedeeld. Op de zitting is door het college opgemerkt dat die offerte niet heeft geleid tot een opdracht, maar dat kan de rechtbank ook niet volgen. In diezelfde mailwisseling blijkt namelijk uit [adviesbureau] op 9 oktober 2023 heeft gevraagd of wanneer er duidelijkheid komt over de offerte, waarna diezelfde dag door de gemeente is gemaild dat er een opdrachtbrief bij de secretaresse ligt.
8. Gelet op het voorgaande heeft eiser dus aannemelijk gemaakt dat de gegevens die [adviesbureau] stelt te genereren of op zijn minst de notitie waarover in de mail van 13 oktober 2023 wordt gesproken bij het college zou moeten berusten en heeft het college dat onvoldoende gemotiveerd weersproken. De beroepsgrond slaagt.
Weigeringsgrond: artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo
9. Eiser voert aan dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom twee passages in document 20 met toepassing van artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo niet openbaar worden gemaakt. In het bestreden besluit staat dat deze passages een kritische beoordeling van de onderneming van eiser door [adviesbureau] bevatten. Volgens eiser valt niet in te zien dat openbaarmaking van deze passages, waarin [adviesbureau] zich kennelijk negatief uitlaat over het bedrijf van eiser, benadelend zou zijn voor [adviesbureau] zelf.
10. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, zesde lid van de (Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennis genomen van de ongelakte versie van document 20.
11. Uit vaste rechtspraak [2] van de Afdeling volgt dat een bestuursorgaan in beginsel per document of onderdeel van een document moet motiveren op welke grond openbaarmaking achterwege wordt gelaten. Het kan daarvan afzien als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Indien meer dan één weigeringsgrond van toepassing is geacht op een document dat uit verschillende onderdelen bestaat, kan deze uitzondering zich slechts voordoen indien voldoende kenbaar is van welke weigeringsgrond voor welk onderdeel wordt uitgegaan.
12. In het bestreden besluit is met de aanduiding ‘code P’ toegelicht dat de met die code gemarkeerde passages uitlatingen bevatten over de prestaties en positie van de huidige exploitant, waaronder een kritische beoordeling van de samenwerking. Openbaarmaking van deze informatie kan volgens het college leiden tot onevenredige benadeling van de betreffende partij, onder meer doordat de concurrentiepositie wordt geschaad. Vanwege het vertrouwelijk karakter en het risico op reputatieschade heeft het college op grond van artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo heeft het college daarom besloten deze passages niet openbaar te maken. Op de zitting heeft het college daarop aangevuld dat het gaat om een offerte, dat ook concurrentiegevoelige en bedrijfsgegevens bevat. In die context is het volgens het college benadelend voor [adviesbureau] om uitlatingen die zij doen over eisers bedrijf, openbaar te maken.
13. De rechtbank kan deze stelling niet volgen. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat de toelichting van het college in het bestreden besluit en op de zitting en de formulering van wat die passages behelzen, niet stroken met wat de rechtbank in die passages leest. Bovendien is artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo alleen van toepassing in uitzonderlijke gevallen Het college heeft niet gemotiveerd waarom in dit geval sprake is van een dergelijke uitzonderlijk geval. Op de zitting is gewezen op de context van het gehele document, namelijk een offerte, en het aspect van concurrentie- en bedrijfsgevoelige gegevens. Daarmee miskent het college dat uit artikel 5.1, vijfde lid van de Woo ook volgt dat die grond alleen van toepassing is als andere weigeringsgronden (zoals bescherming van concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo) niet van toepassing zijn. Ook miskent het college dat per passage de toegepaste weigeringsgrond gemotiveerd moet worden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in de zin van artikel 5.1, vijfde lid van de Woo en openbaarmaking van de passage op deze grond geweigerd moet worden. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Dat is in strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan het college is nader onderzoek te doen naar mogelijke andere documenten die bij het college berusten, in het bijzonder in het licht van de mail van 13 oktober 2023. Ook is het aan het college om per onderdeel te beoordelen en te motiveren of de geheimhouding moet worden opgeheven en zo ja, of er in het kader van het Woo-verzoek een weigeringsgrond uit de Woo van toepassing is. Het college moet daarom binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een besluit het op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak.
15. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser vergoeden. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het college op om binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak; en
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L.K. Dagmar, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3571, r.o. 8.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:525) en van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1497).