ECLI:NL:RBMNE:2026:3245

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/16/609376 / FA RK 26-657
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot uitsluitend gebruik woning en gezag in voorlopige voorziening echtscheiding

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 8 juni 2026 een verzoek van de vader om voorlopige voorzieningen te treffen in het kader van een echtscheidingsprocedure. De vader verzocht om het gezag over het minderjarige kind aan hem toe te wijzen en om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toe te kennen. De moeder verzocht de rechtbank om de vader niet-ontvankelijk te verklaren of de verzoeken af te wijzen, en stelde zelf tegenverzoeken voor.

De rechtbank oordeelde dat de vader onvoldoende had onderbouwd dat de situatie onhoudbaar was, aangezien de ouders al geruime tijd gescheiden van elkaar in de woning leefden en nauwelijks communiceerden. Hoewel er spanningen binnen het gezin zijn, achtte de rechtbank deze niet zodanig dat één ouder uit de woning zou moeten worden gezet, mede omdat beide ouders nergens anders terecht kunnen.

De rechtbank benadrukte het belang van het verminderen van spanningen en het inschakelen van een opvoedondersteuner om de opvoedkundige verschillen te bespreken. Tevens werd gewezen op de noodzaak om afspraken te maken over de gevolgen van de echtscheiding, waaronder het opstellen van een ouderschapsplan. Gezien het ontbreken van een onhoudbare conflictsituatie wees de rechtbank het verzoek van de vader af, evenals zijn verzoek tot het gezag over het kind. De tegenverzoeken van de moeder werden niet inhoudelijk behandeld vanwege het ontbreken van een noodsituatie.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de vader af om het uitsluitend gebruik van de woning en het gezag over het kind toe te kennen wegens het ontbreken van een onhoudbare situatie.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/609376 / FA RK 26-657
Voorlopige voorzieningen
Beschikking van 8 juni 2026
in de zaak van:
[de vader],
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. D. Rezaie,
tegen
[de moeder],
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. A. Hashem Jawaheri.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift (met bijlagen) van de vader, binnengekomen op 1 april 2026;
  • het verweerschrift van de moeder met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken);
  • het bericht (met bijlagen) van de vader van 19 mei 2026 (via F9-formulier).
1.2.
De verzoeken zijn behandeld tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader met zijn advocaat en S.M. Razagi als tolk;
  • de moeder met haar advocaat en M. Abdi als tolk.

2.Waar deze procedure over gaat

2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd.
2.2.
Partijen hebben samen een kind:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] , roepnaam: [minderjarige] .
2.3.
De vader wil scheiden. Hij vraagt de rechtbank om voorlopige voorzieningen te treffen. Dat zijn tijdelijke maatregelen die gelden voor de duur van de echtscheidingsprocedure.
2.4.
De vader verzoekt de rechtbank om:
  • [minderjarige] aan de vader toe te vertrouwen;
  • te beslissen dat alleen de vader de woning mag gebruiken.
2.5.
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader. Zij wil dat de vader niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoeken of dat de verzoeken worden afgewezen, omdat er geen sprake is van een noodzaak voor het treffen van voorlopige voorzieningen. In het geval dat de rechtbank wel oordeelt dat er sprake is van een noodzaak, verzoekt de moeder de rechtbank om:
  • [minderjarige] aan de moeder toe te vertrouwen;
  • een voorlopige zorgregeling vast te stellen waarbij de vader en [minderjarige] omgang met elkaar hebben op zaterdag en zondag van 12.00 uur tot 15.00 uur;
  • te beslissen dat alleen de moeder de woning mag gebruiken

3.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1.
De Nederlandse rechter komt in deze voorlopige voorzieningenprocedure rechtsmacht toe en past daarbij Nederlands recht toe.
De beslissing
3.2.
De rechtbank zal de verzoeken van de vader afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij deze beslissing neemt.
De toelichting
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat de situatie op dit moment onhoudbaar is dat de ouders niet langer gezamenlijk in één woning kunnen verblijven. De moeder heeft op de zitting toegelicht dat de ouders al jaren gescheiden van elkaar in de woning wonen en dat zij nauwelijks met elkaar communiceren. De vader heeft dit niet betwist. Voor de rechtbank staat daarom vast dat de ouders al een langere periode op de huidige manier leven. De rechtbank begrijpt dat dit geen ideale situatie is en ziet ook dat er spanningen binnen het gezin zijn. Maar volgens de rechtbank kunnen die spanningen er niet toe leiden dat één partij niet meer in de woning mag blijven. Beide ouders hebben gesteld dat zij nergens anders terecht kunnen, dus dat betekent dat één partij op straat komt te staan als de ander het uitsluitend gebruiksrecht toegewezen krijgt. Dat vindt de rechtbank niet in het belang van het gezin. Het is het belang van beide ouders dat zij ergens kunnen wonen.
3.4.
De rechtbank vindt het belangrijk dat de ouders er alles aan doen om de spanningen in de woning verminderen. Op de zitting is naar voren gekomen dat de spanningen voornamelijk zien op de opvoeding van [minderjarige] . Bij het gezin is een opvoedondersteuner betrokken. De rechtbank vindt dat de ouders zich moeten inspannen om het verschil in opvoeding aan de opvoedondersteuner voor te leggen en de adviezen daarover op te volgen. Daarnaast is het belangrijk dat de ouders met elkaar aan de slag gaan om verdere afspraken te maken over de gevolgen van de echtscheiding. Uiteindelijk zal toch iemand de woning moeten verlaten en moet er een ouderschapsplan worden opgesteld. Het is de rechtbank gebleken dat de ouders daar nog helemaal niet met elkaar, met behulp van de advocaten, over hebben gesproken.
3.5.
Omdat er geen zodanige conflictsituatie is, zal de rechtbank het verzoek van de vader om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hem toe te kennen, afwijzen. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om [minderjarige] aan de vader toe te vertrouwen en wijst ook dat verzoek af.
3.6.
De moeder heeft voorwaardelijke zelfstandige verzoeken ingediend. Gelet op het feit dat de rechtbank vindt dat er geen sprake is van een onhoudbare situatie, hoeft zij de verzoeken van de moeder verder niet te bespreken.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst de verzoeken van de vader af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. L.A.C. de Vaan, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. I.C. van Schip, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.