De rechtbank Midden-Nederland heeft op 19 mei 2026 een beschikking uitgesproken over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2025, in een pleeggezin. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de uithuisplaatsing tot het einde van de ondertoezichtstelling, waarbij ook het perspectiefbesluit van de GI werd betrokken. De moeder stemde in met de verlenging, maar betwistte het perspectiefbesluit dat terugplaatsing bij haar of de vader uitsluit.
De feiten tonen aan dat de minderjarige kort na de geboorte met spoed werd uithuisgeplaatst vanwege ernstige zorgen over huiselijk geweld, middelengebruik en onveilige woonomstandigheden bij de ouders. Pogingen van de GI om de situatie van de ouders te verbeteren, met name van de moeder, zijn niet succesvol gebleken. De vader verblijft gedetineerd en toont weinig motivatie voor betrokkenheid bij de minderjarige. De omgang tussen ouders en kind verloopt moeizaam en onder begeleiding.
De rechtbank oordeelt dat verlenging van de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, die zich goed ontwikkelt in het pleeggezin. Het perspectiefbesluit van de GI, waarin wordt geconcludeerd dat terugplaatsing niet meer aan de orde is, wordt door de rechtbank erkend als een belangrijke factor, hoewel het formeel niet toetsbaar is. De moeder krijgt wel de ruimte om zich te ontwikkelen en hulp te accepteren, maar de huidige situatie rechtvaardigt het standpunt van de GI.
De rechtbank beveelt tevens aan om de mogelijkheid van plaatsing binnen het familie- en netwerkverband in Hongarije te onderzoeken, gezien de wens van de moeder en de aanwezigheid van andere kinderen in dat netwerk. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.