Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3248

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
13 juni 2026
Zaaknummer
C/16/603960 / JL RK 25-872
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en beoordeling perspectiefbesluit minderjarige

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 19 mei 2026 een beschikking uitgesproken over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2025, in een pleeggezin. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de uithuisplaatsing tot het einde van de ondertoezichtstelling, waarbij ook het perspectiefbesluit van de GI werd betrokken. De moeder stemde in met de verlenging, maar betwistte het perspectiefbesluit dat terugplaatsing bij haar of de vader uitsluit.

De feiten tonen aan dat de minderjarige kort na de geboorte met spoed werd uithuisgeplaatst vanwege ernstige zorgen over huiselijk geweld, middelengebruik en onveilige woonomstandigheden bij de ouders. Pogingen van de GI om de situatie van de ouders te verbeteren, met name van de moeder, zijn niet succesvol gebleken. De vader verblijft gedetineerd en toont weinig motivatie voor betrokkenheid bij de minderjarige. De omgang tussen ouders en kind verloopt moeizaam en onder begeleiding.

De rechtbank oordeelt dat verlenging van de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, die zich goed ontwikkelt in het pleeggezin. Het perspectiefbesluit van de GI, waarin wordt geconcludeerd dat terugplaatsing niet meer aan de orde is, wordt door de rechtbank erkend als een belangrijke factor, hoewel het formeel niet toetsbaar is. De moeder krijgt wel de ruimte om zich te ontwikkelen en hulp te accepteren, maar de huidige situatie rechtvaardigt het standpunt van de GI.

De rechtbank beveelt tevens aan om de mogelijkheid van plaatsing binnen het familie- en netwerkverband in Hongarije te onderzoeken, gezien de wens van de moeder en de aanwezigheid van andere kinderen in dat netwerk. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 28 juli 2026 en erkent het perspectiefbesluit van de GI dat terugplaatsing bij de ouders niet langer aan de orde is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummer: C/16/603960 / JL RK 25-872
Datum uitspraak: 19 mei 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
gevestigd in Lelystad,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[moeder],
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. L.D.H. Lesmeister.
De rechtbank merkt als informant aan:
[vader],
verblijvend in de penitentiaire inrichting in [plaats] ,
hierna te noemen de vader.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 22 januari 2026 heeft de rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 28 juli 2026 en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend tot
28 mei 2026 en het overige gedeelte (tot 28 juli 2026) van het verzoek van de GI aangehouden.
1.2.
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
  • een brief (met bijlagen) van de GI, binnengekomen op 17 maart 2026;
  • een brief (met bijlage) van de GI, binnengekomen op 16 april 2026;
  • een aanvullend stuk van de advocaat van de moeder, binnengekomen op
20 april 2026.
1.3.
Op 23 april 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
  • I. Korf als tolk voor beide ouders;
  • [A] namens de GI;
  • [B] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen de Raad).

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] niet erkend.
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.

3.Het verzoek van de GI en het standpunt van de moeder

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank moet nog een beslissing nemen op het aangehouden gedeelte van het verzoek voor de periode van 28 mei 2026 tot 28 juli 2026.
3.2.
Verder heeft de GI de rechtbank gevraagd om zich bij de beoordeling van het verzoek over de uithuisplaatsing uit te laten over het genomen perspectiefbesluit. De GI vindt namelijk dat [minderjarige] , ook na de verzochte periode, niet meer teruggeplaatst kan worden bij één van de ouders.
3.3.
De moeder kan instemmen met toewijzing van het verzoek van de GI om de uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling te verlengen. Zij begrijpt dat [minderjarige] op dit moment niet bij haar kan wonen omdat zij geen woonplek heeft. De moeder is het echter niet eens met het door de GI genomen perspectiefbesluit en vindt dat zij nog een kans verdient om aan de thuisplaatsing van [minderjarige] te werken.

4.De beoordeling

De uithuisplaatsing
4.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . [1] De rechtbank wijst het resterende gedeelte van het verzoek van de GI daarom toe en verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 28 juli 2026. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
4.2.
[minderjarige] is vlak na de geboorte met spoed uithuisgeplaatst vanwege grote zorgen over zijn veiligheid en ontwikkeling. De zorgen zagen voornamelijk op het structurele huiselijk geweld tussen de ouders, het middelengebruik van de ouders, de instabiele en onveilige woonomstandigheden en het feit dat beide ouders geen hulpverlening accepteerden. De ouders leidden op dat moment al jaren een zwervend bestaan en hadden geen inkomen of zorgverzekering. De problematiek werd veroorzaakt door verslaving, psychische problemen en het slecht kunnen reguleren van emoties. Sinds de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing heeft de GI door de inzet van hulpverlening geprobeerd de situatie van de ouders of in ieder geval de moeder te verbeteren. Uit de rapportage van de GI en de toelichting tijdens de zitting blijkt echter dat de zorgen nog onverminderd aanwezig zijn.
4.3.
Na de uithuisplaatsing van [minderjarige] in augustus 2025 is een plek voor de moeder geregeld bij zorgaanbieder [instelling] om daar te werken aan de gestelde doelen en voorwaarden voor terugplaatsing. Het verblijf van de moeder bij [instelling] is in december 2025 stopgezet omdat zij te veel afwezig was en niet meewerkte aan de geboden begeleiding en zorg. Er is een nieuwe plek voor de moeder georganiseerd bij [instelling] . Dat traject is in februari 2026 geëindigd omdat de moeder ook hier niet meewerkte en het merendeel van de tijd niet in de opvang verbleef. Toen zij toch terug wilde komen, is zij verwezen naar de [instelling] , maar daar is zij nooit verschenen. Nadat de moeder eind maart 2026 na een mishandeling zwaargewond in het ziekenhuis is opgenomen, is zij naar de [instelling] gebracht waar een noodbed voor haar beschikbaar was gesteld. Na een paar uur heeft zij de opvang van de [instelling] alweer verlaten. Sindsdien heeft de GI slecht contact met haar kunnen krijgen. Ondanks de inzet van de GI en andere hulpverleningsinstanties is het dus niet gelukt om de woonsituatie van de moeder te verbeteren of begeleiding en hulp in te zetten.
4.4.
Datzelfde geldt voor de vader. De vader verblijft nog steeds op een boot in [plaats] zonder elektriciteit of stromend water. Op dit moment zit hij echter gedetineerd op verdenking van de mishandeling van de moeder eind maart 2026. Verder is tijdens de zitting gebleken dat de vader nog steeds twijfels heeft over of hij de biologische vader is van [minderjarige] , maar dat het niet is gelukt om een DNA-test te doen. Vanwege die twijfels lijkt hij niet gemotiveerd om zich in te zetten voor [minderjarige] .
4.5.
Ook de omgangsmomenten zijn sinds de uithuisplaatsing niet goed verlopen. In eerste instantie hadden de ouders tegelijkertijd omgang, maar toen verschenen zij regelmatig ruziënd en onder invloed. Sinds januari 2026 is de omgang daarom met beide ouders apart gepland. De vader is sindsdien helemaal niet meer naar de omgangsmomenten gekomen en de moeder maar enkele keren. De GI heeft de ouders in februari 2026 aangemeld voor begeleide omgang bij [instelling] , maar daar wilde de moeder niet aan meewerken. Op 15 april 2026 is de moeder wel naar het omgangsmoment gekomen, maar bleek zij wiet te hebben gebruikt. Omdat zij wel redelijk helder was en [minderjarige] inmiddels al weken niet gezien had, heeft de GI toch besloten de omgang door te laten gaan. Op het omgangsmoment dat een dag voor de zitting gepland stond, is de moeder niet verschenen. Zij heeft verteld dat dit kwam omdat zij geen geld had voor een treinkaartje.
4.6.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] op dit moment noodzakelijk is in het belang van zijn opvoeding en verzorging. In het pleeggezin gaat het goed met [minderjarige] en ontwikkelt hij zich tot een ontspannen, tevreden en vrolijke baby. De rechtbank wijst het resterende gedeelte van het verzoek van de GI daarom toe en verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Het perspectiefbesluit
4.7.
Tijdens een uithuisplaatsing kan de GI tot het standpunt komen dat terugplaatsing bij de ouder(s) niet meer aan de orde is en dat het opgroeiperspectief van het kind ergens anders ligt. Dit standpunt van de GI wordt in de praktijk het ‘perspectiefbesluit’ genoemd. Binnen de rechtspraak zijn er ontwikkelingen (geweest) met betrekking tot de toetsing van het perspectiefbesluit. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 1 september 2023 volgt dat er geen wettelijke grondslag is voor het perspectiefbesluit. [2] De wet verbindt geen rechtsgevolgen aan het perspectiefbesluit en voorziet niet in een specifieke rechtsgang om het perspectiefbesluit voor beoordeling aan de rechtbank voor te leggen. Toch kan het zo zijn dat het door de GI bepaalde opgroeiperspectief een grote rol speelt in een procedure bij de rechtbank. Dat is in deze zaak ook het geval. Het door de GI genomen perspectiefbesluit werkt namelijk door in de uitvoering van de uithuisplaatsing doordat de ingezette hulpverlening niet meer gericht is op een terugkeer van [minderjarige] naar de ouder(s). [minderjarige] , de ouder(s) en de pleegouders hebben belang bij inzicht in en duidelijkheid over het standpunt van de GI over [minderjarige] ’s opgroeiperspectief. In dat opzicht heeft het perspectiefbesluit dus een belangrijke functie. Ondanks dat de rechtbank het besluit niet als zodanig kan toetsen, zal zij zich daar daarom toch over uitlaten.
4.8.
In deze zaak heeft de GI op 12 maart 2026 een perspectiefbesluit genomen. Hier is een interne procedure aan voorafgegaan waarbij drie afwegingen zijn getoetst tijdens een multidisciplinair overleg. Tijdens dat overleg zijn de brief van 3 februari 2026 aan de moeder met een analyse van de opvoedsituatie van de ouders, de door de pleegzorgmedewerker van [instelling] opgestelde analyse van 18 februari 2026 en de OTS-evaluatie van 11 maart 2026 meegenomen. De GI heeft geconcludeerd dat de balans tussen de opvoedingsvaardigheden van de ouders en de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] onvoldoende zijn hersteld en dat deze balans niet te herstellen is binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn. Ook als de moeder nu wel hulp aanvaardt en haar leven op de rit krijgt, kan [minderjarige] door zijn jonge leeftijd volgens de GI niet langer wachten totdat zij er eventueel klaar voor is. De GI heeft dan ook besloten niet langer te zullen werken aan terugplaatsing van [minderjarige] . De GI vindt het het beste voor [minderjarige] om bij de pleegouders te blijven wonen. [minderjarige] heeft zich op een positieve manier gehecht aan de pleegouders en zij kunnen hem bieden wat hij nodig heeft.
4.9.
De moeder begrijpt dat zij de zorg voor [minderjarige] op dit moment niet kan dragen, maar is het niet eens met het door de GI genomen perspectiefbesluit waaruit volgt dat helemaal niet meer gewerkt gaat worden aan een thuisplaatsing. De moeder vindt dat zij nog een kans verdient om te laten zien dat zij wel goed voor [minderjarige] kan zorgen. Het is voor haar erg moeilijk om uit de gewelddadige relatie met de vader los te komen omdat zij ook afhankelijk van hem is voor onderdak en geld. Toch heeft ze daar nu verdere stappen in gezet omdat zij aangifte tegen de vader heeft gedaan. Sindsdien verblijft zij in Amsterdam, eerst zonder onderdak en sinds kort in een opvang van het Leger des Heils. Door de advocaat van de moeder is een mail overgelegd van een begeleider bij het Leger des Heils waarin staat dat de moeder zich daar meewerkend opstelt en open staat voor hulpverlening. Ook tijdens de zitting heeft de moeder verteld dat zij nu echt wil veranderen en daarvoor bereid is alle hulp te aanvaarden.
4.10.
De rechtbank begrijpt dat het voor de moeder moeilijk en verdrietig is om niet zelf voor [minderjarige] te kunnen zorgen. Voor iedereen is echter duidelijk dat dat op dit moment echt niet kan. Gelet op het bij de beoordeling van de uithuisplaatsing beschreven verloop van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing tot nu toe, begrijpt de rechtbank dat de GI ook niet langer meer toewerkt naar een terugplaatsing. De zorgen over de ouders zijn onverminderd aanwezig en het is hen niet gelukt de situatie te verbeteren of hulp te aanvaarden. Als de situatie van de moeder (of de vader) op korte termijn niet sterk verandert, is het daarom beter voor [minderjarige] om niet bij zijn ouder(s) op te groeien. Net als de GI hoopt de rechtbank wel dat het de moeder alsnog lukt om hulp te aanvaarden en haar leven op de rit te krijgen. Dan kan altijd gekeken worden of de moeder (en/of de vader) een grotere rol in het leven en de opvoeding van [minderjarige] kan spelen, maar de rechtbank onderschrijft net als de Raad het besluit van de GI dat nu de ouders geen ontwikkeling hebben laten zien, het perspectief niet bij hen ligt.
4.11.
De moeder heeft nog drie andere kinderen waarover zij de zorg niet draagt. Deze kinderen wonen bij haar moeder in Hongarije. Volgens de moeder is er wel telefonisch contact, maar heeft zij ze ongeveer zes jaar geleden voor het laatst gezien omdat zij niet terug kan reizen naar Hongarije in verband met de kosten en omdat zij daar problemen heeft met de politie. De GI heeft overwogen om te kijken naar de mogelijkheden voor een plaatsing van [minderjarige] in het netwerk in Hongarije, maar heeft daarvan afgezien omdat contact tussen de ouders en [minderjarige] daarmee onhaalbaar zou worden. De ouders willen namelijk allebei in Nederland blijven omdat zij vanwege openstaande straffen zeggen niet terug te kunnen naar Hongarije. Of het voor de ouders haalbaar is om in Nederland te blijven, is de rechtbank niet duidelijk. Beiden hebben hier (nog) geen werk of inkomen en geen vaste woon- of verblijfplaats. De rechtbank geeft de GI in overweging om toch ook een mogelijke plaatsing van [minderjarige] bij zijn oma en halfzusjes en halfbroer te betrekken in het verdere traject. Ook omdat de moeder de wens heeft uitgesproken [minderjarige] te laten opgroeien bij zijn halfzusjes en halfbroertje in Hongarije als hij niet bij haar kan wonen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 28 juli 2026;
5.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. D. van Bloemendaal,
mr. M.M. Janssen - Witteveen en mr. E.G. de Jong, kinderrechters, in samenwerking met
mr. L. de Kroon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.
2.Hoge Raad 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1148