Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3253

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
14 juni 2026
Zaaknummer
C/16/588909 / HA ZA 25-98
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWArt. 6:52 BWArt. 6:58 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst en tekortkoming bij dienstverlening met verrekening van schadevordering

In deze civiele zaak vordert eiseres, een B.V., betaling van openstaande facturen van €58.709,20 plus incassokosten en rente van gedaagde, eveneens een B.V., op grond van een overeenkomst waarbij dienstverleners werden ter beschikking gesteld tegen een vast maandbedrag en een uurtarief voor meerwerk.

Gedaagde erkent een deel van de schuld maar stelt dat zij te veel heeft betaald en wil verrekenen met een schadevordering wegens tekortkomingen in een DPIA-traject. De rechtbank oordeelt dat partijen een abonnementsmodel zijn overeengekomen met een vast maandbedrag, ongeacht de werkelijk gewerkte uren, en dat gedaagde gehouden is dit bedrag te voldoen.

De rechtbank wijst het beroep op schuldeisersverzuim en opschorting af, omdat eiseres niet verplicht was tot het verstrekken van urenspecificaties en de schadevordering van gedaagde niet opeisbaar was bij opschorting. Wel is vastgesteld dat eiseres tekort is geschoten in de uitvoering van het DPIA-traject, waardoor gedaagde recht heeft op schadevergoeding van €6.292,00.

Door verrekening van deze schadevordering met de openstaande facturen resteert een betalingsverplichting van €44.877,62 plus wettelijke handelsrente vanaf 3 juni 2026. Gedaagde wordt tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente over deze kosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde moet €44.877,62 plus wettelijke handelsrente betalen na verrekening van schadevergoeding wegens tekortkoming in DPIA-traject.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/588909 / HA ZA 25-98
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V. H.O.D.N. [handelsnaam],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [handelsnaam] ,
advocaat: mr. P. van Zwijndregt,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. S.A.H.J. Warringa.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 4 februari 2025, met producties 1 tot en met 7;
  • de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 8;
  • de aanvullende producties 8 tot en met 13 van [handelsnaam] ;
  • de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
  • de mondelinge behandeling van 3 december 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
  • de akte van eisvermindering van [handelsnaam] van 3 december 2025;
  • de spreekaantekeningen van [gedaagde] ;
  • de akte van [handelsnaam] van 18 maart 2026;
  • de akte van [gedaagde] van 18 maart 2026;
  • de akte van [handelsnaam] van 8 april 2026.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[handelsnaam] heeft op haar verzoek aan [gedaagde] een [functie] en een [functie] ter beschikking gesteld. In de overeenkomsten die partijen hebben gesloten wordt gesproken over een vast bedrag per maand als vergoeding maar ook over een bepaald uurtarief. [handelsnaam] heeft facturen verstuurd op basis van de gesloten overeenkomsten, die [gedaagde] niet allemaal heeft betaald omdat zij vindt dat [handelsnaam] niet de prestatie heeft geleverd die partijen zijn overeengekomen. [handelsnaam] vordert betaling van de openstaande facturen (€ 58.709,20) en incassokosten vermeerderd met rente. [gedaagde] erkent dat zij nog een deel moet betalen, maar vindt dat ze ook al te veel heeft betaald. Dat gedeelte wil ze verrekenen met wat [handelsnaam] nog te vorderen heeft. De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde] nog een bedrag van € 44.877,62 vermeerderd met de handelsrente moet betalen aan [handelsnaam] .

3.De beoordeling

Opmerking vooraf
3.1
Om tot een weloverwogen beslissing te komen, moet de rechtbank door partijen voldoende worden geïnformeerd. In deze zaak is het bijvoorbeeld noodzakelijk dat duidelijk wordt gemaakt wat de overeengekomen opdracht heeft ingehouden én wat het uiteindelijke resultaat daarvan was. Op verzoek van de rechtbank hebben partijen daarom na de mondelinge behandeling aktes ingediend. Maar, ook die aktes scheppen geen duidelijk beeld. De beoordeling en de daaropvolgende beslissing zijn dan ook gebaseerd op de beperkte informatie die uit het dossier naar voren komt.
[gedaagde] moet de facturen betalen
De standpunten van partijen
3.2
Op 8 mei 2023 zijn partijen overeengekomen dat [handelsnaam] [gedaagde] tegen betaling van een vast bedrag per maand een [functie] en [functie] (hierna: de dienstverleners) ter beschikking zal stellen. Partijen hebben het overeengekomen vaste bedrag per maand gebaseerd op de inschatting dat de dienstverleners ieder ongeveer 4 dagen per maand voor [gedaagde] aan het werk zouden zijn. Afgesproken is dat additionele inzet (meerwerk) op basis van €162,50 per uur in rekening zou worden gebracht. [handelsnaam] stelt kort gezegd dat [gedaagde] deze overeenkomst van opdracht niet is nagekomen. [gedaagde] heeft namelijk vanaf december 2023 geen enkele maandfactuur voldaan. [handelsnaam] vordert daarom betaling van € 58.709,20 aan onbetaalde facturen.
3.3
[gedaagde] is van mening dat zij geen betaling meer is verschuldigd omdat de dienstverleners na de zomer van 2023 veel minder uren beschikbaar zijn geweest dan de 4 dagen per maand die als uitgangspunt golden. Zij heeft daarom gevraagd om een urenspecificatie en wil alleen betalen voor de uren die de dienstverleners feitelijk hebben gewerkt. [gedaagde] heeft aangevoerd dat [handelsnaam] als schuldeiser in verzuim is geraakt, omdat zij heeft geweigerd die urenspecificatie te verstrekken. [gedaagde] heeft ook aangevoerd dat nader is afgesproken dat [handelsnaam] een dienstverlener ter beschikking zou stellen voor een DPIA (Data Protection Impact Assessment) traject. De facturen die [handelsnaam] daarvoor heeft gestuurd zijn betaald, maar [handelsnaam] heeft niet het vereiste eindproduct (een assessment rapport) opgeleverd. Daardoor schiet [handelsnaam] tekort in haar verplichtingen uit die overeenkomst en lijdt [gedaagde] schade. Dat geeft haar het recht betaling van de openstaande facturen op te schorten, want zij heeft een tegenvordering op [handelsnaam] .
Partijen zijn een vast bedrag per maand op abonnementsbasis overeengekomen
3.4
Voor de beantwoording van de vraag wat partijen zijn overeengekomen moet de overeenkomst worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Het komt niet alleen aan op de bewoordingen van de overeenkomst, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en wat zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
3.5
Uit wat partijen over en weer hebben aangevoerd maakt de rechtbank het volgende op. [gedaagde] was begin mei 2023 op zoek naar een nieuwe [functie] , omdat zij ontevreden was over de toenmalige [functie] . Volgens [gedaagde] sloot [handelsnaam] goed aan bij haar zoekvraag, omdat zij naast een [functie] ook een [functie] kon leveren. Niet ter discussie staat dat [handelsnaam] op basis van een abonnementsmodel werkt, waarbij als uitgangspunt geldt dat de uren die meer worden gemaakt dan is ingeschat aanvullend op regiebasis in rekening worden gebracht. Partijen hebben besproken hoe de samenwerking vorm te geven en hebben een inschatting van de te besteden uren gemaakt. Overeengekomen is geworden dat [handelsnaam] een [functie] en [functie] zal leveren die gemiddeld vier dagen per maand aan werkzaamheden voor [gedaagde] zou verrichten tegen een maandbedrag van € 5.200,00 ex. btw. Partijen hebben hierbij meegenomen dat bij lage risico’s minder maatregelen/werkzaamheden nodig zijn dan bij hoge risico’s, en andersom. Omdat de risico’s konden fluctueren, is in de overeenkomst opgenomen dat de intensiteit van de samenwerking per rol in samenspraak kan worden aangepast. Dit zou dan invloed kunnen hebben op het maandbedrag. De eerste mogelijkheid om de overeenkomst bij te stellen was na afloop van de maand mei 2023, de tweede mogelijkheid na verloop van 6 maanden. [gedaagde] heeft van deze momenten geen gebruik gemaakt om de overeenkomst aan te (laten) passen. De overeenkomst is dus ongewijzigd voortgezet.
3.6
Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat partijen, totdat daarover nadere overeenstemming zou worden bereikt (voor zover binnen de gemaakte afspraken mogelijk), een vast maandbedrag zijn overeengekomen als tegenprestatie voor de inzet van de dienstverleners, ongeacht de werkelijk gemaakte uren. De rechtbank vindt dus dat voldoende aannemelijk is geworden dat partijen, zoals [handelsnaam] heeft aangevoerd, tot nadere order een abonnement zijn overeengekomen op basis waarvan [handelsnaam] in ieder geval gehouden was gemiddeld 4 dagen per maand de dienstverleners ter beschikking te stellen als [gedaagde] daarom vroeg. Weliswaar is in de offerte opgenomen ‘
Eind van elke maand zal een factuur worden gestuurd op basis van de tijdsbestedingtabel […]’, maar de rechtbank begrijpt dat die toevoeging is opgenomen omdat [gedaagde] het recht had het maandbedrag te evalueren en naar beneden te laten bijstellen na één , respectievelijk zes maanden looptijd van de overeenkomst. Uit die toevoeging kan namelijk niet zonder meer worden vastgesteld dat, anders dan in de overeenkomst tot uitdrukking is gebracht, niet uitgegaan zou worden van een vast bedrag per maand, maar van werken op basis van uurtarief. Partijen hebben ook uitvoering gegeven aan de abonnementsgedachte. [handelsnaam] heeft namelijk steeds maandbedragen in rekening gebracht, zonder urenspecificatie en [gedaagde] heeft die bedragen steeds betaald zonder te vragen om een urenspecificatie. Die wens om een urenspecificatie te krijgen is pas gaan spelen eind 2023.
3.7
Omdat partijen op geen enkel moment een andere afspraak hebben gemaakt, geldt dus de overeengekomen maandelijkse betalingsverplichting als uitgangspunt voor de beoordeling. Van [handelsnaam] mocht [gedaagde] verwachten dat zij leverde wat was overeengekomen: ter beschikking stelling van de dienstverleners voor gemiddeld 4 dagen per maand. Als [gedaagde] in een bepaalde maand dus geen concrete vraag of opdracht had voor de dienstverleners, dan was zij toch het overeengekomen maandbedrag verschuldigd. Als [gedaagde] wel behoefte had aan de dienstverleners en [handelsnaam] heeft ze niet ter beschikking voor gemiddeld 4 dagen per maand, dan schiet [handelsnaam] tekort in haar verplichtingen uit de overeenkomst.
3.8
Niet ter discussie staat dat [handelsnaam] vanaf oktober 2023 minder dan 4 dagen per maand de dienstverleners heeft ingezet. Maar partijen hebben niet aannemelijk gemaakt dat [handelsnaam] daarmee te kort is geschoten in het gemiddelde aantal uren dat [handelsnaam] de dienstverleners ter beschikking zou stellen. Partijen hebben de rechtbank namelijk alleen geïnformeerd over de werkzaamheden die zijn verricht in de periode waarop de facturen betrekking hebben. Hoe de samenwerking qua tijdsbesteding is verlopen vóór deze periode, is de rechtbank onbekend. [gedaagde] is dus gehouden de overeengekomen maandbedrag te voldoen.
3.9
[handelsnaam] heeft vanaf januari 2024 in plaats van het overeengekomen bedrag van
€ 5.200,00 ex btw € 5.408,00 ex btw in rekening gebracht. Voor die verhoging is, anders dan [gedaagde] meent, een contractuele basis. In de overeenkomst staat namelijk dat jaarlijks gerekend wordt met een inflatiecorrectie volgens de CBS-index. Partijen zijn de verhoging vanaf januari 2024 dus overeengekomen, zodat [gedaagde] ook deze kosten verschuldigd is.
3.1
Dit alles maakt dat [gedaagde] in principe de facturen ter hoogte van € 58.709,20 moet betalen. Dit is anders als het beroep van [gedaagde] op schuldeisersverzuim en/of opschorting slaagt.
Geen sprake van schuldeisersverzuim aan de kant van [handelsnaam]
3.11
Uit artikel 6:58 BW Pro volgt dat van schuldeisersverzuim sprake is als de schuldeiser (in deze zaak [handelsnaam] ) nakoming van de verbintenis verhinderd door de daartoe noodzakelijke medewerking niet verlenen of doordat een ander beletsel van zijn zijde opkomt, tenzij de oorzaak van verhindering hem niet kan worden toegerekend.
3.12
[gedaagde] heeft aangevoerd dat [handelsnaam] in schuldeisersverzuim verkeert, omdat zij geen urenspecificatie heeft overgelegd waarna [gedaagde] over kan gaan tot betaling. De rechtbank gaat hieraan voorbij. Zoals uitgelegd in 3.6 verplicht de overeenkomst niet tot het verstrekken van urenspecificatie. [gedaagde] wordt dan ook niet gehinderd door [handelsnaam] in de nakoming van haar verbintenis tot betaling. Van schuldeisersverzuim kan dan ook geen sprake zijn.
Beroep op opschorting slaagt niet
3.13
Volgens [gedaagde] heeft zij om twee redenen de betaling rechtvaardig opgeschort. Ten eerste heeft [handelsnaam] geen urenspecificatie verstrekt en ten tweede heeft [gedaagde] een schadevordering op [handelsnaam] . Deze redenen gaan echter allebei niet op.
3.14
Uit artikel 6:52 BW Pro volgt dat een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser, pas bevoegd is de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, als tussen de vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen.
3.15
In 3.6 heeft de rechtbank al beslist dat er geen verplichting voor [handelsnaam] bestaat tot het verstrekken van een urenspecificatie. [gedaagde] heeft dan ook geen vordering op [handelsnaam] .
3.16
Als het gaat om opschorting vanwege de schadevordering die [gedaagde] op [handelsnaam] meent te hebben, geldt dat deze gestelde vordering op het moment van opschorten (nog) niet opeisbaar was. Op 29 april 2024 heeft [gedaagde] aan [handelsnaam] kenbaar gemaakt dat zij vindt dat [handelsnaam] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting uit een andere overeenkomst en hierdoor schade heeft geleden. [1] De verbintenis van [gedaagde] tot betaling van de facturen was in principe al opeisbaar vanaf de vervaldata van de facturen, waarvan de laatst verstuurde factuur op 19 maart 2024 is vervallen. [gedaagde] heeft haar betalingsverplichting dus niet mogen opschorten, omdat deze verbintenis op een eerder moment is ontstaan dan de eventuele schadevordering. Later in dit vonnis gaat de rechtbank in op de toewijsbaarheid van de vermeende schadevordering van [gedaagde] en de mogelijkheid tot verrekening.
3.17
Kortom, het beroep van [gedaagde] op schuldeisersverzuim en opschorting slaagt niet.
[gedaagde] moet in principe de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.362,09 vermeerderd met de wettelijke rente betalen
3.18
[handelsnaam] vordert ook vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 8.806,38, maar de rechtbank rekent voor deze kosten een bedrag van € 1.362,09.
3.19
Omdat de vordering van [handelsnaam] strekt tot betaling van een geldsom uit hoofde van een overeenkomst, is het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing. [handelsnaam] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is echter hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief en acht de rechtbank niet redelijk. De rechtbank sluit daarom aan bij het wettelijke tarief, namelijk € 1.362,09.
3.2
[handelsnaam] heeft ook wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Over die kosten is slechts de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro toewijsbaar en niet de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW. Het laatstgenoemde artikel is namelijk niet van toepassing op schadevergoedingsbedragen. De wettelijke rente gaat lopen vanaf het moment dat de desbetreffende schade is opgetreden. Bij een vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten is dat het moment waarop deze kosten door [handelsnaam] zijn betaald. Omdat [handelsnaam] over dit moment niets heeft gesteld, neemt de rechtbank de dag van dagvaarding als moment waarop de wettelijke rente gaat lopen.
3.21
Een bedrag van € 1.362,09 aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 4 februari 2025 is dus in principe toewijsbaar.
[gedaagde] is de wettelijke handelsrente over het restant van de facturen vanaf 4 mei 2024 verschuldigd
3.22
Daarnaast heeft [handelsnaam] zowel een bedrag van € 11.238,01 aan de al verschenen wettelijke handelsrente als de nog lopende wettelijke handelsrente over de restant hoofdsom gevorderd vanaf 1 februari 2024.
3.23
Niet ter discussie staat dat [gedaagde] de nog verschuldigde termijn van totaal € 58.709,20 niet op tijd heeft betaald en dat de overeenkomst tussen [handelsnaam] en [gedaagde] kwalificeert als een handelsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6:119a BW. Voor de verschuldigdheid van de wettelijke handelsrente is geen verzuim vereist. Als hoofdregel geldt dat deze rente verschuldigd is met ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling. [handelsnaam] heeft echter niet duidelijk gemaakt wat de uiterste dag van betaling is geweest en hoe zij tot een rentebedrag van € 11.238,01 is gekomen. De rechtbank gaat daarom uit van 20 april 2024 als uiterste dag van betaling. Dit is de dag voordat [handelsnaam] haar vordering ter incassering uit handen uit handen heeft gegeven, zoals blijkt uit de akte van eisvermindering van [handelsnaam] . Dit leidt ertoe dat de door [handelsnaam] berekende verschenen rente van € 11.238,01 zal worden afgewezen en [gedaagde] in principe de wettelijke handelsrente vanaf 21 april 2024 is verschuldigd.
3.24
Op 24 april 2024 en 3 mei 2024 heeft [gedaagde] echter betalingen verricht. De rechtbank zal hieronder toelichten welke gevolgen dit heeft voor het bedrag dat [gedaagde] is verschuldigd aan [handelsnaam] .
Toerekening van de verrichte betalingen door [gedaagde]
3.25
In artikel 6:44 BW Pro is bepaald dat deze betaalde bedragen eerst in mindering moeten worden gebracht op de kosten, vervolgens op de rente en ten slotte op de hoofdsom. [handelsnaam] heeft in haar eigen berekening deze volgorde gevolgd en maakt daarmee duidelijk hoe zij de betalingen wil toerekenen. De rechtbank zal daarom op in dezelfde volgorde de betalingen van [gedaagde] toerekenen.
3.26
Eerst heeft [gedaagde] een bedrag van € 6.292,00 voldaan. Op 24 april 2024 is [gedaagde] nog geen wettelijke rente verschuldigd over de buitengerechtelijke incassokosten (zie overweging 3.20). De verschenen rente over de hoofdsom van € 58.709,20 bedroeg tot en met 24 april 2024 € 80,20. De totale hoofdsom komt dan neer op € 60.071,39. In 3.19 heeft de rechtbank al beslist dat de buitengerechtelijke incassokosten € 1.362,09 bedragen. Als de betaling van [gedaagde] van 24 april 2024 eerst in mindering wordt gebracht op de kosten en vervolgens op de rente, komt de hoofdsom vanaf 25 april 2024 neer op € 53.859,49.
Op 21 april 2024
Hoogte onbetaalde facturen
€ 58.709,30 plus de wettelijke handelsrente vanaf 21 april 2024
Op 21 april 2024
Buitengerechtelijke incassokosten
€ 1.362,09
Totaal te vorderen op 21 april 2024
€ 60.071,39 plus de wettelijke handelsrente vanaf 21 april 2024
Vanaf 21 april 2024 tot en met 24 april 2024
- Verschenen handelsrenterente
+ € 80,20
Op 24 april 2024
- Betaling van [gedaagde]
- € 6.292,00
Op 24 april 2024
Nieuw openstaand bedrag
€ 53.859,59 plus de wettelijke handelsrente vanaf 25 april 2024
3.27
De buitengerechtelijke incassokosten zijn dus door de betaling van [gedaagde] op 24 april 2024 komen te vervallen. De rechtbank zal daarom de vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten afwijzen.
3.28
Vervolgens heeft [gedaagde] op 3 mei 2024 een betaling van € 12.942,16 verricht. De verschenen rente over het nog openstaand bedrag (dus € 53.859,59) bedraagt van 25 april 2024 tot en met 3 mei 2024 € 183,95. Als deze betaling wordt afgetrokken van de verschenen rente en het openstaand bedrag, blijft er een bedrag van € 41.101,28 over. Hierover is [gedaagde] dan de wettelijke handelsrente vanaf 4 mei 2024 verschuldigd.
Op 24 april 2024
Openstaand bedrag
€ 53.859,59 plus de wettelijke handelsrente vanaf 25 april 2024
Vanaf 25 april 2024 tot en met 3 mei 2024
- Verschenen handelsrente
+ € 183,95
Op 3 mei 2024
- Betaling van [gedaagde]
- € 12.942,16
Op 3 mei 2024
Nieuw openstaand bedrag
€ 41.101,38 plus de wettelijke handelsrente vanaf 4 mei 2024
Tussenconclusie
3.29
Dit alles maakt dat [gedaagde] in principe een bedrag van € 41.101,38 vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 4 mei 2024 moet betalen aan [handelsnaam] . Dit is anders als het beroep van [gedaagde] op verrekening slaagt. [gedaagde] stelt namelijk een schadevordering te hebben op [handelsnaam] .
[gedaagde] heeft een schadevordering van € 6.292,00 op [handelsnaam]
3.3
Op 7 september 2023 zijn partijen een tweede overeenkomst van opdracht aangegaan. [gedaagde] wilde namelijk een DPIA laten uitvoeren door [handelsnaam] . Dat is een onderzoek dat duidelijk maakt of en waar grote privacy risico’s ontstaan als men (persoons)gegevens verwerkt.
3.31
Anders dan de overeenkomst van 8 mei 2023 (over het inschakelen de dienstverleners) zijn partijen overeengekomen dat de facturatie van deze dienstverlening op basis van nacalculatie zou plaatsvinden. Voor deze werkzaamheden heeft [handelsnaam] twee facturen in rekening gebracht, in totaal van € 6.292,00. [gedaagde] heeft deze facturen betaald op 24 april 2024, maar is niet tevreden over de verrichte werkzaamheden. [gedaagde] heeft namelijk de ISO-certificering niet verkregen en ook niet de hiervoor benodigde documenten. [gedaagde] stelt zich dan ook op het standpunt dat [handelsnaam] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. De rechtbank geeft [gedaagde] hierin gelijk en licht dit als volgt toe.
[handelsnaam] is tekortgeschoten in haar verbintenis tot het uitvoeren van de DPIA
3.32
Tussen partijen bestaat als eerst een discussie over of het in deze overeenkomst gaat om een inspanningsverbintenis of een resultaatsverbintenis. [gedaagde] vindt de verbintenis tot het uitvoeren van een DPIA een resultaatsverbintenis is, terwijl [handelsnaam] van mening is dat het gaat om inspanningsverbintenis.
3.33
Het antwoord op deze vraag kan in het midden blijven. Wat in ieder geval duidelijk is, is dat de bedoeling van partijen was om [gedaagde] zodanig diensten te verlenen dat zij aan de wettelijke vereisten voldeed die haar werden gesteld. Daarvoor is het abonnement afgesloten en was volgens [handelsnaam] in aanvulling daarop nog de inzet van een andere dienstverlener nodig die zorg zou dragen voor een deugdelijk DPIA traject. Niet onderbouwd is wat de dienstverlening aan [gedaagde] vanaf oktober 2023 precies nog heeft ingehouden terwijl daar wel vorstelijk voor is betaald/moest worden betaald. Dat is precies wat [gedaagde] dwars zit en waarover ze met [handelsnaam] heeft willen communiceren, maar waar [handelsnaam] niet op in wilde gaan omdat [gedaagde] de betalingsverplichtingen opschortte. Wat daardoor evident lijkt is dat [handelsnaam] vanaf oktober 2023 niet zonder meer aan haar verplichting heeft willen voldoen/voldaan om de dienstverleners gemiddeld vier dagen per maand ter beschikking te stellen van [gedaagde] , en dat zij wel een andere dienstverlener, tegen betaling van een uurtarief, heeft ingezet en betaald heeft gekregen zonder aantoonbaar resultaat voor [gedaagde] . Het staat namelijk vast dat [handelsnaam] dat DPIA niet volledig heeft uitgevoerd en de documentatie hiervan niet heeft verstrekt. [2] Daardoor is voldoende aannemelijk dat [handelsnaam] tekort is geschoten in haar verbintenis uit de overeenkomsten. Het is dan niet meer van belang om na te gaan om het behalen van een ISO-certificering ook tot de opdracht behoorde. Volgens [handelsnaam] is de tekortkoming niet aan haar toe te rekenen, maar de rechtbank gaat hieraan voorbij. Dat [gedaagde] herhaaldelijk afspraken zou hebben afgezegd en/of gewijzigd zonder duidelijke koers, blijkt nergens uit. Omdat [handelsnaam] tekort is geschoten in haar verbintenis, is zij ook schadeplichtig.
De schade bedraagt € 6.292,00
3.34
[gedaagde] stelt dat zij schade heeft geleden, doordat de DPIA niet volledig is uitgevoerd. Volgens [handelsnaam] zijn in het kader van het uitvoeren van de DPIA werkzaamheden verricht die facturatie, naast de overeengekomen maandtarieven, rechtvaardigen, maar een onderbouwing hiervan ontbreekt. De rechtbank zal daarom het bedrag dat betaald is voor de werkzaamheden van de derde dienstverlener als schade aanmerken, het gaat dan om de totaal gefactureerde en betaalde tegenprestatie van € 6.292,00. Niet gebleken is dat er meer schadeposten zijn. De totale schadevordering van [gedaagde] op [handelsnaam] bedraagt daarmee € 6.292,00.
Verrekening kan plaatsvinden
3.35
Eerder heeft de rechtbank al overwogen dat [gedaagde] in principe aan [handelsnaam] een bedrag van € 41.101,38 plus de wettelijke handelsrente vanaf 4 mei 2024 moet betalen. Tegelijkertijd heeft [gedaagde] een schadevordering op [handelsnaam] van € 6.292,00.
3.36
Op grond van artikel 6:127 BW Pro is de schuldenaar bevoegd tot verrekening wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die aan zijn schuld tegenover dezelfde wederpartij beantwoordt en de schuldenaar bevoegd is tot betaling van de schuld en tot het afdwingen van de betaling van de vordering. Nu vast staat dat partijen over en weer een opeisbare vordering op elkaar hebben, slaagt het beroep op verrekening van [gedaagde] . Door de verrekening gaan de verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop teniet met terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop de verrekeningsbevoegdheid ontstond.
3.37
De rechtbank zal op grond van artikel 6:137 BW Pro op dezelfde wijze verrekenen zoals neergelegd in 3.25. Dit betekent dat de schadevordering eerst afgetrokken moet worden van de verschenen rente. De verrekeningsbevoegdheid van [gedaagde] is ontstaan op het moment van deze uitspraak. De verschenen rente over € 41.101,38 moet dus worden berekend vanaf 4 mei 2024 tot en met 3 juni 2026. Dit komt neer op een bedrag van € 10.068,24. Als de schadevordering van [gedaagde] hierop in mindering wordt gebracht, resteert een bedrag van € 44.877,62 (€ 41.101,38 + € 10.068,24 - € 6.292,00 = € 44.877,62). Hierover zal [gedaagde] nog de wettelijke handelsrente vanaf 3 juni 2026 moeten betalen.
Conclusie: [gedaagde] moet een bedrag van € 44.877,62 betalen aan [handelsnaam]
3.38
Op grond van het voorgaande zal [gedaagde] worden veroordeeld tot betaling van € 44.877,50 vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 3 juni 2026.
[gedaagde] moet de proceskosten van [handelsnaam] betalen
3.39
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [handelsnaam] betalen. De proceskosten van [handelsnaam] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
3.870,00
(3 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
7.173,40
3.4
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.41
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals [handelsnaam] heeft gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam] te betalen een bedrag van € 44.877,62 tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf 3 juni 2026 tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 7.173,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
5315

Voetnoten

1.Productie 6 bij de conclusie van antwoord.
2.Zie randnummer 19 in de dagvaarding.