Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3260

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
14 juni 2026
Zaaknummer
C/16/610650 / KL ZA 26-111
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:78 BWArt. 4:67 BWArt. 611d RvArt. 3:13 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot opheffing en schorsing van dwangsombeslag in nalatenschapsgeschil

In deze kortgedingprocedure staat centraal of de gedaagde aanspraak kan maken op betaling van dwangsommen die zijn opgelegd aan eiser, de vereffenaar van de nalatenschap van hun overleden vader. Eiser werd in een eerder vonnis veroordeeld tot het verstrekken van uitgebreide informatie over de nalatenschap, met een dwangsom van €250 per dag bij niet-nakoming, tot een maximum van €25.000.

Eiser stelt dat hij aan het vonnis heeft voldaan of dat hij in ieder geval niet tijdig kon voldoen, en dat er sprake is van misbruik van recht. De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan, onder meer omdat hij geen taxatierapporten heeft verstrekt en waardebepalingen van ondernemingen en sieraden ontbraken. Ook is geen sprake van onmogelijkheid of misbruik van bevoegdheid.

De rechtbank concludeert dat de dwangsommen terecht zijn verbeurd en dat gedaagde een redelijk belang heeft bij tenuitvoerlegging. De vorderingen van eiser tot opheffing of schorsing van het beslag en terugbetaling van reeds ontvangen dwangsommen worden afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De vorderingen tot opheffing en schorsing van het beslag en terugbetaling van dwangsommen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/610650 / KL ZA 26-111
Vonnis in kort geding van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. F.A.E. Diderich,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties (1-22),
- de producties van [gedaagde] (1-3).
1.2
Op 20 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Beide partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Aan het einde van de zitting is bepaald dat op 3 juni 2026 vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] en [gedaagde] zijn broer en zus en [eiser] is de vereffenaar van de nalatenschap van hun op [datum overlijden] 2021 overleden vader. In een tussen hen gewezen vonnis in het incident van 20 juli 2022 van deze rechtbank is [eiser] veroordeeld tot het verstrekken van informatie om inzicht te verschaffen over de omvang van de legitieme portie van [gedaagde] . [1] Wanneer [eiser] niet aan deze veroordeling zou voldoen is een dwangsom verschuldigd van € 250,-- per dag met een maximum van € 25.000,--. Het vonnis is op 26 juli 2022 betekend en op 6 september 2022 is [eiser] aangezegd dat er inmiddels € 3.250,-- aan dwangsommen is verbeurd. In de hoofdzaak is op 28 januari 2026 eindvonnis gewezen waarna het eindvonnis kracht van gewijsde heeft gekregen. Op 13 april 2026 heeft [gedaagde] uit hoofde van het incidentele vonnis beslag doen leggen op een tweetal bankrekeningen van [eiser] om zo het maximumbedrag aan dwangsommen betaald te krijgen. [2]
2.2
In dit kort geding strijden partijen over de vraag of [gedaagde] aanspraak kan maken op betaling van de dwangsommen. [eiser] wil dat de door [gedaagde] gelegde beslagen worden opgeheven, althans worden geschorst en dat verdere tenuitvoerlegging van het vonnis in het incident wordt verboden en dat reeds ontvangen dwangsommen worden terugbetaald. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te oordelen dat [eiser] geen dwangsommen verschuldigd is. De vorderingen worden dan ook afgewezen.

3.De beoordeling

[eiser] heeft een spoedeisend belang
3.1
In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De voorzieningenrechter in kort geding probeert in te schatten of een bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Een kortgeding uitspraak is daarom niet meer dan een voorlopige beslissing waarbij een spoedeisend belang is. Daarom moeten belangrijke feiten duidelijk zijn, want tijd voor bewijslevering is er niet. Daarnaast moet een spoedeisend belang bij de gestelde vordering aanwezig zijn.
3.2
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang van [eiser] in de aard van de zaak besloten ligt. [eiser] stelt dat hij door de gelegde beslagen niet vrijelijk over zijn financiële middelen kan beschikken en niet in staat is zijn lopende betalingsverplichtingen te voldoen.
Het tussen partijen gewezen vonnis in het incident
3.3
Bij vonnis in het incident van 20 juli 2022 is [eiser] op grond van artikel 4:78 BW Pro veroordeeld om binnen 30 dagen na betekening van het vonnis aan [gedaagde] te verstrekken:
een (voorlopige) boedelbeschrijving, voorzien van onderliggende stukken;
de (concept) aangifte erfbelasting in de nalatenschap van erflater;
de aanslag erfbelasting voor het geval die al is opgelegd;
een overzicht van al de schenkingen in de periode van de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden van erflater;
en overzicht van al de eventuele overige schenkingen, zoals bedoeld in artikel 4:67 BW Pro, al de schenkingen aan [eiser] en [naam] in het verleden daaronder begrepen en daarbij betrokken de waarde van de schenking die ziet op de transactie tussen erflater en [naam] uit 1990;
een overzicht van de eventueel door erflater afgesloten (levens)verzekeringen, voorzien van de polis bladen; een opgave van al de door erflater aangehouden bankrekeningen, de bankrekening van zijn ondernemingen daaronder begrepen; een opgave van al de met betrekking tot die rekeningen verstrekte bankpassen, voorzien van tenaamstelling; opgave van de door erflater bij verschillende banken aangehouden kluisjes, voorzien van een opgave van de inhoud daarvan; de bankafschriften van al de door erflater aangehouden bankrekeningen met betrekking tot de periode januari 2014 - januari 2021, voorzien van de zogenaamde ‘jaaroverzichten’; de afschriften van na het overlijden waaruit blijkt van schulden van de nalatenschap, maar ook eventueel nagekomen baten van de nalatenschap (zoals eventuele uitkering verzekeringen, nabestaandenpensioen en teruggaven); de aangiften IB 2014-2021;
taxatierapporten van eventueel tot de nalatenschap behorend onroerend goed, en een waardebepaling met betrekking tot het in de nalatenschap vallende recht van erfpacht;
de waardebepaling en de jaarstukken van de tot de nalatenschap behorende ondernemingen, waartoe in elk geval behoort de onderneming [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] , alsmede een opgaaf van tot de nalatenschap behorende boten, voorzien van een waardebepaling;
opgave van aangetroffen contanten, zowel bij erflater privé, als bij diens onderneming [bedrijf 1] BV.;
opname van inboedel en sieraden, voorzien van een waardebepaling;
opgave van al de lopende procedures, de stand van zaken daarin en het verstrekken van uitspraken voor zover die al zijn gedaan, waaronder - maar niet beperkt tot - de twee genoemde procedures tegen de belastingdienst, de vaststellingovereenkomst die naar zeggen van de curator in kort geding is gesloten en de stukken díe zien op de thans nog lopende bodemprocedure over het onroerend goed, het erfpachtrecht, de eventuele vergoeding ter zake verbeteringen en de huurinkomsten
3.4
Primair stelt [eiser] aan het vonnis te hebben voldaan. Subsidiair stelt [eiser] in de onmogelijkheid te hebben verkeerd om tijdig aan het vonnis te voldoen, zodat de dwangsommen op grond van het bepaalde in artikel 611d Rv moeten worden opgeheven. Tenslotte stelt [eiser] dat sprake is van misbruik van recht.
Er kan niet van uitgegaan worden dat [eiser] heeft voldaan aan het vonnis
3.5
Omdat het vonnis op 26 juli 2022 aan [eiser] is betekend, moest hij uiterlijk donderdag 25 augustus 2022 de in het vonnis genoemde informatie aan [gedaagde] hebben verstrekt, dan wel, voor zover bepaalde stukken niet beschikbaar waren, redelijkerwijze al het mogelijk hebben gedaan om aan die verplichting te voldoen.
3.6
Voor de in 3.3. onder g. bedoelde verplichting tot het verstrekken van taxatierapporten geldt dat [eiser] in zijn conclusie van dupliek van 19 april 2023 meldt dat er nog geen taxatierapporten zijn overgelegd. [3] Dit geldt dus ook voor de bij de nalatenschap behorende chalets. Namens [eiser] is gesteld dat er geen taxatierapporten zijn opgesteld om kosten te besparen, maar dit is niet in overleg met of met instemming van [gedaagde] gebeurd. Bovendien heeft [eiser] ter zitting van dit kort geding (meerdere keren) meegedeeld dat hij wel in het bezit is van taxatierapporten van de chalets (“ik heb concrete waardebepalingen thuisliggen”). Dit staat haaks op het (ook) ingenomen standpunt dat er geen taxatierapporten van de chalets zijn omdat deze geen waarde hadden.
Dat in de tussen de curator van de gefailleerde halfbroer van [eiser] en [gedaagde] en vereffenaar [eiser] gesloten vaststellingsovereenkomst van 9 september 2024 is vastgelegd dat de waarde van de chalets wordt bepaald op nihil, doet aan het niet-nakomen van deze op grond van het vonnis op [eiser] rustende verplichting niets af. [gedaagde] was niet betrokken bij de totstandkoming van deze vaststellingsovereenkomst en heeft een eigen belang bij nakoming van het vonnis van 20 juli 2022.
3.7
Voor de in 3.3. onder h. bedoelde verplichting tot het verstrekken van een waardebepaling van de ondernemingen [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] geldt dat [eiser] ook niet aan deze verplichting voldaan heeft. [eiser] heeft bewust gekozen om geen waardebepaling van beide ondernemingen op te stellen en te volstaan met het opstellen en overleggen van de jaarrekeningen van de ondernemingen. Het opstellen van een waardebepaling werd door [eiser] te kostbaar geacht omdat de waarde van de onderneming nihil was. Dit laatste volgt volgens [eiser] uit de jaarrekeningen en de definitieve regeling van de vaststelling van de boedelomschrijving. De voorzieningenrechter gaat hier niet in mee. Niet alleen is een jaarrekening iets anders dan een waardebepaling van een onderneming, maar ook dit heeft [eiser] beslist zonder overleg met [gedaagde] .
3.8
Ook aan de in het vonnis onder 3.3. onder j. vastgelegde verplichting van [eiser] om binnen 30 dagen na betekening van het vonnis een opgave van inboedel en sieraden, voorzien van een waardebepaling te verstrekken is niet tijdig voldaan. Nadat [gedaagde] [eiser] er herhaaldelijk op gewezen had dat er een waardebepaling van de sieraden moest plaatsvinden, heeft [eiser] onder meer bij e-mail van 21 oktober 2022 opnieuw gesteld dat er geen spullen van waarde aanwezig zijn. [eiser] heeft [gedaagde] toen foto’s van de inhoud van een sieradendoosje gegeven en meegedeeld dat de juwelier de sieraden niet wilde of kon taxeren omdat het om bijou zou gaan. [4] Opmerkelijk en in strijd met zijn eigen standpunt is dat [eiser] bij conclusie van dupliek op 19 april 2023 als productie 28 vervolgens toch een waardebepaling door een juwelier van drie sieraden in het geding bracht.
3.9
De rest van de in het vonnis van 20 juli 2022 neergelegde verplichtingen van [eiser] kunnen verder onbesproken blijven. De hiervoor genoemde drie voorbeelden van het niet (tijdig) nakomen van het vonnis geeft aan dat [eiser] op donderdag 25 augustus 2022 niet alle in het vonnis genoemde informatie aan [gedaagde] heeft verstrekt, dan wel, voor zover bepaalde stukken niet beschikbaar waren, redelijkerwijze al het mogelijk heeft gedaan om aan die verplichting te voldoen.
Van een onmogelijkheid om tijdig aan het vonnis te voldoen blijkt niet
3.1
De drie besproken voorbeelden van het niet-nakomen van het vonnis van 20 juli 2022 levert geen onmogelijkheid op voor [eiser] om tijdig aan het vonnis te voldoen. [eiser] heeft zelfstandig en zonder overleg met [gedaagde] besloten geen taxatierapporten op te laten stellen (terwijl [eiser] nu stelt dat ze voor de chalets wel aanwezig zijn). Deze handelwijze van [eiser] , het zelfstandig besluiten om niet (tijdig) aan het vonnis in het incident te voldoen, geldt ook voor de waardebepaling van de ondernemingen [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] en de waardebepaling van de sierraden. Een opheffing van dwangsommen op grond van artikel 611d Rv is dan ook niet aan de orde.
Van een misbruik van bevoegdheid is ook geen sprake
3.11
In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan (art. 3:13 BW Pro). Daarbij moet ook gelet worden op de belangen van de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
3.12
Volgens [eiser] bevat het vonnis in het incident van 20 juli 2022 een kennelijke feitelijke en juridische misslag. Van een kennelijke juridische of feitelijke misslag is sprake indien deze misslag evident, direct duidelijk en redelijkerwijs niet voor discussie vatbaar is.
3.13
Voor de kennelijke feitelijke misslag in het vonnis stelt [eiser] enkel dat hij redelijkerwijs al het mogelijke gedaan heeft om aan de hoofdverplichting te voldoen en dat daarom de dwangsommen niet zijn verbeurd. Niet alleen wordt hier anders over beslist, maar ook als [eiser] in zijn standpunt zou worden gevolgd, levert dat op geen enkele wijze een kennelijke feitelijke misslag in het vonnis op.
3.14
Van een kennelijke juridische misslag in het vonnis in het incident is ook niet gebleken. [eiser] stelt dat hij in het vonnis in het incident niet alleen in zijn hoedanigheid van vereffenaar, maar ook pro se veroordeeld is tot afgifte van stukken en dat artikel 4:78 BW Pro voor dit laatste geen grondslag biedt. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] in haar standpunt dat het vonnis in het incident tegen [eiser] is gewezen in zijn hoedanigheid als vereffenaar en als natuurlijk persoon. Dit laatste omdat hij tevens erfgenaam is. Ook in die laatste hoedanigheid is hij op grond van 4:78 BW verplicht informatie te verschaffen.
3.15
[eiser] stelt terecht dat de dwangsommen zijn opgelegd als prikkel tot nakoming van zijn verplichting tot het verstrekken van gegevens teneinde de legitieme portie van [gedaagde] te kunnen berekenen. [5] Hij heeft hier echter niet aan voldaan waardoor het maximale bedrag aan dwangsommen is verbeurd. En uitgangspunt is dat eenmaal verbeurde dwangsommen verbeurd blijven. Dat in het eindvonnis van 18 januari 2026 de legitieme portie van [gedaagde] op basis van alle dan voorliggende stukken is vastgesteld en dat [gedaagde] daar geen hoger beroep tegen heeft ingesteld, betekent niet - anders dan [eiser] stelt – dat hij dus ook tijdig voldaan heeft aan (doel en strekking van) het tussenvonnis.
3.16
De enkele omstandigheid dat [gedaagde] in haar e-mail van 8 september 2022 heeft meegedeeld dat tot nader order geen executiemaatregelen worden genomen om verbeurde dwangsommen te incasseren betekent niet dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat [gedaagde] haar aanspraak op verbeurde dwangsommen opgeeft. [6] In de mail wordt ook duidelijk gesteld dat het standpunt van [gedaagde] over de verschuldigdheid van dwangsommen [eiser] bekend is.
3.17
[eiser] heeft niet gesteld dat op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk bij hem een noodtoestand zal doen ontstaan.
3.18
Het voorgaande (3.12-3.17) kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat [gedaagde] geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis in het incident over te gaan. Van een misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW Pro is dus geen sprake.
Conclusie
3.19
De vorderingen komen niet voor toewijzing in aanmerking.
3.2
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
4428

Voetnoten

1.Productie 1 van [eiser] .
2.Productie 22 van [eiser]
3.Zie de randnummers 16 en 17 van de conclusie van dupliek
4.Zie productie 12 van [eiser]
5.Zie randnummer 50 in de dagvaarding.
6.De e-mail van 8 september 2022, (4:18 uur) is onderdeel van productie 7 van [eiser]