Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3263

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
14 juni 2026
Zaaknummer
12008365 \ LC EXPL 25-2630
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:233 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbinding huurovereenkomst ondanks ingelopen huurachterstand

De huurder huurt sinds 2013 een woning van Stichting Oost Flevoland Woondienst (OFW) en had een huurachterstand van meer dan drie maanden. OFW vorderde ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming en betaling van de huurachterstand met rente en kosten. Tijdens de procedure heeft de huurder de achterstand volledig ingelopen en de lopende huur betaald.

De kantonrechter oordeelt dat de tekortkoming onvoldoende ernstig is om ontbinding en ontruiming te rechtvaardigen en wijst deze vorderingen af. Ook de vordering voor toekomstige huurtermijnen wordt afgewezen omdat deze al voldaan zijn. De bedingen over buitengerechtelijke incassokosten en boetes in de huurovereenkomst worden ambtshalve vernietigd wegens onredelijkheid.

Hoewel de huurder grotendeels in het gelijk wordt gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten omdat OFW terecht heeft gedagvaard vanwege de oorspronkelijke huurachterstand. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De ontbinding en ontruiming worden afgewezen, maar de huurder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 12008365 \ LC EXPL 25-2630
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
STICHTING OOST FLEVOLAND WOONDIENST,
statutair gevestigd te Dronten,
eisende partij,
hierna te noemen: OFW,
gemachtigde: Hanemaayer De Boer & Partners,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M. Heikens.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 december 2025 met producties 1 tot en met 3;
- de akte uitlating van 17 december 2025 van OFW;
- de conclusie van antwoord met bijlagen;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek met bijlagen;
- de akte van OFW.
1.2
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.

2.De kern van de zaak

2.1
[gedaagde] huurt sinds 22 november 2013 de woning aan de [adres] in ( [postcode] ) [woonplaats] (hierna: het gehuurde) van OFW. [gedaagde] heeft een huurachterstand van meer dan drie maanden laten ontstaan. OFW wil daarom dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden, dat de woning ontruimd zal worden en dat [gedaagde] de huurachterstand tot en met februari 2026 en de lopende betalingsverplichting vanaf 1 maart 2026 zal betalen, met rente en proceskosten. Na het uitbrengen van de dagvaarding heeft [gedaagde] de huurachterstand volledig betaald. [gedaagde] is het daarom niet eens met de ontbinding van de huurovereenkomst, de ontruiming van het gehuurde en de bijkomende kosten.
2.2
[gedaagde] krijgt grotendeels gelijk, maar de kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] wel de proceskosten moet betalen.

3.De beoordeling

De huurachterstand
3.1
Bij dagvaarding had OFW een huurachterstand over de periode van juni 2025 tot en met december 2025 van € 3.442,30 gevorderd. Bij akte van 17 december 2025 heeft OFW de huurachterstand tot en met december 2025 verminderd tot het bedrag van € 1.738,94. Bij conclusie van repliek heeft OFW de huurachterstand weer vermeerderd met de vervallen en niet betaalde huurtermijnen van de maanden januari 2026 en februari 2026 tot het bedrag van € 2.590,62.
3.2
[gedaagde] heeft de gevorderde huurachterstand betwist. Volgens [gedaagde] is de huurachterstand inmiddels ingelopen. Daarbij heeft [gedaagde] verwezen naar haar betaalbewijzen, die zij bij conclusie van antwoord en bij conclusie van dupliek heeft overgelegd. De kantonrechter wijst de gevorderde huurachterstand af en wel om het volgende.
3.3
OFW heeft de door [gedaagde] overgelegde betaalbewijzen gecontroleerd. De betaalbewijzen van december 2024 tot en met mei 2025 heeft OFW ontvangen en verwerkt, echter die betalingen zien niet op de vordering in deze procedure. Dus die betalingen zullen niet in mindering strekken op de vordering in deze procedure. De overige betalingen vanaf juli 2025 tot 1 april 2026, behalve de betaling van 11 juli 2025, heeft OFW ontvangen en verwerkt. Die betaling van 11 juli 2025 was namelijk geen betaling, maar een stornering van een eerdere automatische incasso, aldus OFW.
3.4
De kantonrechter begrijpt uit de toelichting van OFW dat de huurachterstand tot en met februari 2026 van € 2.590,62 is voldaan door de betaling van 9 februari 2026 van
€ 851,68 (voor de maand februari 2026) en de betaling van 1 april 2026 van € 1.738,94 (voor het restant van de maand juli 2025 en de maanden oktober 2025 en december 2025), waardoor de achterstand volledig is betaald. Dit betekent dat de gevorderde huurachterstand tot en met februari 2026 van € 2.590,62 wordt afgewezen.
De ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde worden afgewezen
3.5
OFW vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Bij de beoordeling van de vraag of de vordering tot ontbinding, mede gelet op de gevolgen daarvan, moet worden toegewezen, moeten alle omstandigheden worden meegewogen. Alhoewel de huurachterstand bij dagvaarding meer dan drie maanden was en [gedaagde] kennelijk (een bepaalde periode) niet correct heeft betaald, is de kantonrechter van oordeel dat in dit geval ontbinding niet gerechtvaardigd is. [gedaagde] heeft de huurachterstand uiteindelijk gedurende deze procedure volledig ingelopen en betaalt de lopende huur. Dit maakt dat de tekortkoming van [gedaagde] onvoldoende ernstig is om ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. De ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde worden daarom afgewezen.
3.6
De kantonrechter wil [gedaagde] wel op het hart drukken dat zij maandelijks de huurtermijnen volledig en tijdig, dus vóór de eerste van de betreffende maand zoals in de huurovereenkomst is bepaald, moet betalen om eventuele problemen in de toekomst te voorkomen.
De lopende huur vanaf 1 maart 2026
3.7
OFW vordert ook huurtermijnen vanaf 1 maart 2026. De kantonrechter wijst deze vordering af, omdat [gedaagde] de huurtermijnen van de maanden maart 2026 en april 2026 al heeft betaald. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde] niet meer zal voldoen aan haar lopende betalingsverplichting. De vordering voor deze toekomstige huurtermijnen wordt dan ook afgewezen.
De rente en de buitengerechtelijke incassokosten
Ambtshalve toetsen
3.8
De overeenkomst is gesloten tussen een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf (OFW) en een consument ( [gedaagde] ). Een huurder wordt hiervoor gelijk gesteld aan een consument. Op zo’n overeenkomst zijn consument-beschermende bepalingen van toepassing. Sommige belangrijke consument-beschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd. Zo moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of in de huurovereenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen (‘bedingen’) staan die relevant zijn voor de beoordeling van de (verschillende onderdelen van de) vordering. Als dergelijke bedingen op zichzelf, of in combinatie met andere relevante bedingen voor consumenten onredelijk bezwarend zijn als bedoeld in artikel 6:233 sub a van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), moet de kantonrechter de betreffende bedingen ambtshalve vernietigen en de daarmee verband houdende onderdelen van de vordering afwijzen. In deze procedure gaat het met name om bedingen over rente en een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. Ook het boetebeding is relevant.
Het incassokosten beding en het boetebeding
3.9
In artikel 13 van Pro de toepasselijke huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte (hierna: huurvoorwaarden) is een beding opgenomen over de vergoeding van de (buiten)gerechtelijke incassokosten. Dit beding wijkt in het nadeel van consumenten af van artikel 6:96 lid 5 en Pro 6 BW en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) en dat mag niet. Consumenten, zoals [gedaagde] , zijn namelijk slechts de (gemaximeerde) kosten als bedoeld in het Besluit verschuldigd, voor zover is voldaan aan een aantal wettelijke eisen. Eén van die eisen is dat de consument eerst door middel van een aanmaningsbrief de mogelijkheid moet hebben gekregen om binnen een termijn van veertien dagen de vordering alsnog te voldoen zonder bijkomende kosten. [gedaagde] is op grond van artikel 15 in Pro principe verplicht om bij niet nakoming van de huurovereenkomst alle in dat verband door OFW gemaakte kosten te voldoen onbegrensd in omvang en zonder voorafgaande kosteloze aanmaningsbrief. Daarnaast is de bedongen vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van altijd ten minste 15% hoger dan de wettelijke vergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat het beding hierdoor zodanig afwijkt van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten dat de consument aanzienlijk wordt benadeeld. Daarbij is in artikel 15 ook Pro nog opgenomen dat bij overtreding van enige bepaling uit de huurvoorwaarden, dus ook bij overtreding van de bepaling dat de huur vooruit moet worden betaald, de huurder nog een boete van € 25,00 per kalenderdag verschuldigd is. Afgezien van het feit dat in het beding de boetes oneindig kunnen oplopen, levert (de mogelijkheid van) het in rekening brengen van een boete naast buitengerechtelijke incassokosten een onevenredig hoge schadevergoeding op. Het buitengerechtelijke incassokostenbeding is op zichzelf en in combinatie met het boetebeding onredelijk bezwarend en wordt daarom vernietigd.
Het rentebeding en het boetebeding
3.1
Het rentebeding in artikel 6.1 is in overeenstemming met de wettelijke regeling in artikel 6:119 BW Pro. Dit beding is daarom op zichzelf niet onredelijke bezwarend.
3.11
In combinatie met het boetebeding in artikel 15 is Pro het rentebeding wel onredelijk bezwarend. De mogelijkheid van het in rekening brengen van een boete naast rente levert een onevenredig hoge schadevergoeding op. Het rentebeding wordt daarom vernietigd.
De gevolgen van de ambtshalve toetsing voor de vorderingen
3.12
Omdat sprake is van onredelijk bezwarende bedingen, is volgens Europese rechtspraak terugvallen op de wettelijke regeling niet toegestaan. Dit betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en rente volledig moeten worden afgewezen.
De proceskosten
3.13
Weliswaar heeft [gedaagde] grotendeels gelijk gekregen, maar de kantonrechter ziet aanleiding om [gedaagde] in de proceskosten te veroordelen. Vaststaat dat ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding [gedaagde] een huurachterstand had. [gedaagde] heeft mogelijkheden gehad om de huurachterstand buiten rechte te betalen. [gedaagde] heeft daar geen gebruik van gemaakt. OFW was hierdoor genoodzaakt om [gedaagde] te dagvaarden en heeft hiervoor kosten moeten maken. Dat [gedaagde] gedurende de procedure de achterstand heeft ingelopen, maakt het oordeel niet anders. Immers, [gedaagde] was toen al gedagvaard en de kosten waren al door OFW gemaakt. De proceskosten van OFW worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2,5 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.523,45
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.14
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals gevorderd.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
wijst de vorderingen van OFW af,
4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.523,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
HHt/37278