Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3286

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
16/067697-26
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal met het creëren van angst in horecagelegenheid

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 15 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die op 20 februari 2026 ongeveer 88 euro stal uit de kassalade van een horecagelegenheid. Hoewel de officier van justitie stelde dat sprake was van diefstal met bedreiging met geweld door het tonen van een mes, kon de rechtbank dit niet bewijzen en sprak de verdachte vrij van die onderdelen.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte wel een situatie heeft gecreëerd die bij de medewerkster angst veroorzaakte, ondanks het ontbreken van een daadwerkelijke bedreiging met geweld. De verdachte bekende de diefstal en toonde spijt. De persoonlijke omstandigheden, waaronder psychische problematiek en middelengebruik, werden meegenomen in de strafbepaling.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot 150 dagen gevangenisstraf, waarvan 47 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en legde bijzondere voorwaarden op gericht op gedragsinterventie, behandeling en reclasseringstoezicht. De tijd in voorlopige hechtenis werd in mindering gebracht, waardoor de verdachte zijn straf heeft uitgezeten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 150 dagen gevangenisstraf, waarvan 47 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/067697-26
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 15 juni 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1981] in [geboorteplaats] ,
thans verblijvende in [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 1 juni 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. J.P. Jansen;
  • de advocaat van de verdachte: mr. K.I.E. Lammers (hierna: de advocaat).

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
op 20 februari 2026 in [horecagelegenheid] 88 euro heeft gestolen, en daarbij heeft gedreigd met geweld door een mes te tonen en op dreigende toon te roepen dat de medewerkster van de [horecagelegenheid] het geld uit de kassa moest geven.
.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met bedreiging met geweld.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor zover de beschuldiging ziet op het dreigen met of tonen van een mes.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt zich op het standpunt dat de verdachte voor de medewerkster van de [horecagelegenheid] een dreigende situatie heeft gecreëerd, maar dat geen sprake is geweest van geweld of het dreigen met geweld. De advocaat verzoekt dan ook de verdachte van die onderdelen vrij te spreken.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Gedeeltelijke vrijspraak
De rechtbank oordeelt dat niet bewezen kan worden dat de verdachte geweld heeft gebruikt of dat hij daarmee heeft gedreigd. De rechtbank zal de verdachte dan ook van die onderdelen vrijspreken. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Aangeefster, medewerkster van een [horecagelegenheid] , heeft verklaard dat de verdachte een mes uit zijn broekzak pakte en naar haar toe richtte. Het mes was niet uitgeklapt. Daarbij zei de verdachte tegen haar dat zij hem het geld uit de kassa moest geven. Hierop heeft de verdachte het geld zelf uit de kassa gepakt.
De verdachte heeft de diefstal bekend, maar van meet af aan heeft hij ontkend dat hij een mes bij zich had en dat hij hiermee heeft gedreigd.
De rechtbank heeft de camerabeelden bekeken en op basis van die beelden valt niet vast te stellen dat de verdachte op enig moment een mes in zijn hand heeft gehad. Wel legt hij zijn hand, nadat hij daarmee in zijn achterzak heeft gezeten, op de toonbank bij de kassa. Gelet op deze beelden en de beschrijving van de aangeefster van het mes, houdt de rechtbank voor mogelijk dat de aangeefster oprecht dacht dat de verdachte een mes in zijn hand had, maar zich daarin heeft vergist. Het dossier bevat geen andere aanknopingspunten voor de vaststelling dat de verdachte een mes had. Evenmin valt op basis van de audio bij de beelden vast te stellen dat de verdachte heeft geroepen dat de medewerkster het geld uit de kassa moest geven of dat er een dreigende toon uitging van hetgeen hij heeft gezegd. Ook de aangeefster verklaart dat niet. Daarom oordeelt de rechtbank dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte heeft gedreigd met geweld. Dat neemt niet weg dat de situatie voor aangeefster dreigend is geweest, maar door de vrijspraak van beide onderdelen (het tonen van het mes en het – al dan niet op dreigende toon – roepen van woorden) is juridisch gesproken geen sprake meer een diefstal met geweld als bedoeld in artikel 312 Wetboek Pro van Strafrecht.
3.3.2.
De bewijsmiddelen
De verdachte bekent dat hij het feit heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door hem of namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen in dit vonnis op te nemen. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
  • de verklaring van de verdachte afgelegd ter zitting van 1 juni 2026;
  • de aangifte van [slachtoffer] ;
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 20 februari 2026 te [plaats 1] , een geldbedrag, dat aan
[horecagelegenheid] (gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] ) toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
diefstal.
4.2.
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf en/of maatregel

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De advocaat wijst erop dat de verdachte niet eerder is veroordeeld, dat hij direct heeft bekend en dat hij oprecht spijt heeft van zijn handelen. Ook wil hij zich houden aan alle voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte is een [horecagelegenheid] binnengegaan waar op dat moment alleen een destijds 16-jarige medewerkster aanwezig was. De verdachte droeg een donkere sjaal voor zijn mond en neus en had zijn handen voortdurend in zijn zakken. De verdachte zei niets tegen de medewerkster en heeft enige tijd in de winkel rondgelopen en gestaan. Nadat hij aan de medewerkster vroeg of hij geld kon wisselen heeft zij de kassalade geopend. De verdachte heeft hierna, terwijl hij over de toonbank/balie leunde, ongeveer 88 euro uit de kassa weggenomen.
Uit de aangifte blijkt dat het handelen van de verdachte voor de medewerkster beangstigend is geweest en dat zij daar erg van is geschrokken. Hoewel de verdachte geen wapen heeft getoond en ook niet is gebleken dat hij met woorden heeft gedreigd, zal de diefstal voor de aangeefster erg beangstigend zijn geweest. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijk handelen ook leidt tot gevoelens van angst en onrust bij slachtoffers, bij andere ondernemers in de buurt en in de samenleving.
De rechtbank rekent het de verdachte dan ook aan dat hij enkel oog heeft gehad voor zijn eigen geldelijk gewin. Het geld had hij naar eigen zeggen nodig om schuldeisers te betalen en een bedreiging van hemzelf en, naar hij vreesde, zijn moeder af te kunnen wenden. De verdachte is daarbij wel volledig voorbijgegaan aan de gevolgen voor de medewerkster van de [horecagelegenheid] .
Het spreekt in het voordeel van de verdachte dat hij lijkt in te zien wat de impact is van zijn daad op het slachtoffer en dat hij daarvoor ook zijn verantwoordelijkheid neemt.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Over de verdachte heeft [A] , reclasseringswerker bij [instelling] , een rapport opgemaakt. In dit rapport van 23 april 2026 staat dat verdiepingsdiagnostiek heeft plaatsgevonden en er aanknopingspunten gebleken zijn voor verder onderzoek en aansluitend behandeling. De verdachte heeft aan de reclassering aangegeven hiervoor open te staan. De verdachte erkent dat hij problemen heeft op het gebied van psychisch functioneren, financiën, dagbesteding en middelengebruik. Zo vertelt de verdachte aan de reclassering middelen te gebruiken, geen inkomsten te hebben en werkloos te zijn, in een isolement te leven en negatief beïnvloed te zijn door “verkeerde mensen”. De reclassering merkt deze leefgebieden aan als delictgerelateerd. In het verleden zou een diagnose gesteld zijn, maar deze is verouderd. Het is volgens de reclassering mogelijk dat het psychosociaal functioneren een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd aan onderhavig feit. De reclassering zou graag zien dat er verder onderzoek wordt gedaan door [.] [instelling] om daar een antwoord op te krijgen om zo een passend plan van aanpak aan te kunnen bieden. De verdachte is al aangemeld en staat op de wachtlijst voor verdere diagnostiek en behandeling bij [.] [instelling] . Begeleiding door de reclassering wordt aanbevolen.
Voorafgaand aan het onderhavig delict hebben de problemen op de verschillende leefgebieden niet tot justitiecontacten geleid of voor ernstige ontregeling gezorgd. Om die reden schat de reclassering de risico’s, waaronder op recidive en onttrekken aan voorwaarden, laag in. Bij een veroordeling adviseert de reclassering – kort gezegd - de volgende bijzondere voorwaarden:
  • meldplicht bij de reclassering;
  • gedragsinterventie middelengebruik;
  • ambulante behandeling;
  • dagbesteding;
  • beheersing middelengebruik.
De verdachte erkent ook ter zitting dat hij problemen heeft op diverse leefgebieden. Om zijn leven een positieve wending te geven is hij bereid zich aan alle geadviseerde voorwaarden te houden.
Uit het strafblad van de verdachte van 23 april 2026 blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
De verdachte heeft tot het moment van deze uitspaak 103 dagen in voorlopige hechtenis gezeten.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere vergelijkbare zaken. De rechtbank merkt hierbij op dat dit een atypische zaak betreft die niet of nauwelijks valt te plaatsen in één van de oriëntatiepunten.
De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een winkeloverval, waarbij sprake is geweest van dreiging met geweld. Het oriëntatiepunt voor een dergelijk feit is een gevangenisstraf van 2 jaar. De rechtbank is echter tot een bewezenverklaring gekomen van diefstal, waarvoor aanzienlijk lagere straffen worden opgelegd. Bij de hoogte van de straf wordt echter in strafverzwarende zin rekening gehouden met het feit dat dit geen ‘gewone diefstal’ is. Hoewel de rechtbank in strafrechtelijke zin geen bedreiging met geweld heeft kunnen vaststellen, heeft de verdachte met deze diefstal uit de kassa wel een situatie gecreëerd die heeft geleid tot gevoelens van angst bij de medewerkster van de [horecagelegenheid] .
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 47 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Het onvoorwaardelijk strafdeel is gelijk aan de duur van de ondergane voorlopige hechtenis op het moment van deze uitspraak. Dit betekent dat de verdachte zijn straf heeft uitgezeten. Het bevel tot voorlopige hechtenis zal dan ook worden opgeheven.
Om nieuwe strafbare feiten in de toekomst te voorkomen en de verdachte de kans te geven zijn leven een positieve wending te geven, zullen aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbonden worden. De verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van deze voorwaarden.

6.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- 14a, 14b, 14c en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

7.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
  • verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van
150 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van
47 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een
proeftijd van 2 jaren vast;
- als voorwaarden gelden dat de verdachte:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
* zich zal melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij [instelling] op het adres [adres 2] te [plaats 2] ;
* zal deelnemen aan de gedragsinterventie (Leefstijl 24/7) van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op verslaving/middelengebruik, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer. De training is ter overbrugging tot behandeling aanvangt;
* zal laten behandelen door [.] [instelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, sociale vaardigheden en schuldenproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
* zich zal inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
* zal gedurende de proeftijd meewerken aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruikt te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder ene stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- waarbij [..] [instelling] [plaats 2] de opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorlopige hechtenis
- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Verboom, voorzitter, mrs. R.P. den Otter en G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.
.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 20 februari 2026 te [plaats 1] , althans in Nederland een
geldbedrag van 88,- euro, in elk geval enig geldbedrag, dat geheel of ten dele aan
[horecagelegenheid] (gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] ), in elk geval aan een ander
dan aan verdachte toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of
gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd
met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken,
en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te
maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- dreigend een mes te tonen en/of voor te houden en/of een dreigende beweging
met dat mes te maken in de richting van [slachtoffer] en/of
- ( op dreigende toon) te roepen dat [slachtoffer] het geld uit de kassa moest
geven, althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking;

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland, met proces-verbaalnummer PL0900-2026059694, doorgenummerd pagina 1 tot en met 58. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
2.Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer] , pag. 7 en 8.