AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Opheffing executoriaal beslag en voorschot op schadevergoeding na echtscheiding en verdeling gemeenschap van goederen
Partijen zijn gescheiden en hebben de gemeenschap van goederen verdeeld, waarbij de voormalige echtelijke woning verkocht moet worden en de opbrengst verdeeld. De eiser kan het aan de gedaagde verschuldigde bedrag alleen uit de verkoopopbrengst betalen. De gedaagde legde executoriaal beslag op bankrekeningen van de eiser, waaronder ook de rekening van diens onderneming, wat de bedrijfsvoering van de eiser ernstig belemmert.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de beslaglegging voortkomt uit een misbruik van bevoegdheid, omdat partijen nog in overleg waren over de verdeling en de eiser het bedrag niet kan voldoen voordat de woning is verkocht. Het beslag is daarom onrechtmatig en wordt opgeheven. Daarnaast wordt een voorschot op schadevergoeding toegewezen voor het bedrag dat door de bank aan de deurwaarder is betaald.
De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente. De vordering tot het verbod op verdere executiemaatregelen wordt afgewezen, omdat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat de gedaagde geen verdere maatregelen zal nemen zolang de woning niet is verkocht.
Uitkomst: Het executoriaal beslag wordt opgeheven en de gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot op schadevergoeding en proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer / rolnummer: C/16/607983 / KG ZA 26-109
Vonnis in kort geding van 26 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [plaats 1] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. C. Waanders,
tegen
[gedaagde],
wonend [plaats 1] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de met verlof van de voorzieningenrechter op verkorte termijn betekende dagvaarding met 17 producties;
de akte vermeerdering eis van [eiser] ;
de conclusie van antwoord van 12 maart 2026.
1.2.
De zitting vond plaats op 12 maart 2026. Aanwezig waren:
[eiser] , bijgestaan door mr. Waanders;
mr. Beijersbergen van Henegouwen.
[gedaagde] was niet aanwezig.
1.3.
Partijen hebben na de zitting geprobeerd overeenstemming te bereiken. Dit is niet gelukt. Op 16 maart jl. hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd vonnis te wijzen.
2.Korte voorgeschiedenis
2.1.
Partijen zijn in gemeenschap van goederen getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van [2023] is de echtscheiding uitgesproken.
2.2.
Verder is – zover relevant voor deze procedure – in die beschikking de navolgende wijze van verdeling van de gemeenschap gelast:
- ten aanzien van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] in [plaats 1] (hierna: Woning) en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening:
o de Woning zal worden verkocht en geleverd aan een derde, waartoe partijen binnen drie weken na deze beschikking gezamenlijk een schriftelijke verkoopopdracht zullen geven aan een door hen aan te wijzen makelaar; ten behoeve van die aanwijzing zal [eiser] binnen een termijn van één week na heden drie NVM- makelaars voorstellen aan [gedaagde] , die.er op haar beurt: binnen één week één uit zal kiezen en als [eiser] -niet drie makelaars noemt binnen de termijn van één week dan is het aan [gedaagde] om een makelaar te kiezen; waarbij partijen de adviezen van de makelaar steeds op dienen te volgen en als er daarover geen onderlinge overeenstemming is dienen partijen het advies van de makelaar over de vraag- en laatprijs als leidend te accepteren;
o de levering van de Woning aan een derde zal niet eerder dan twee maanden, nadat de Woning in de verkoop is gezet, plaatsvinden;
o bij verkoop en levering van de woning dient uit de verkoopopbrengst de op de woning rustende hypothecaire geldlening te worden afgelost en dienen de kosten verbonden aan de verkoop te worden voldaan waarna partijen ieder voor de helft gerechtigd zijn tot de resterende (netto) opbrengst en ieder voor de helft draagplichtig zijn voor een eventuele restschuld;
- ten aanzien van de bankrekeningen:
o deelt de vordering als bedoeld in rechtsoverweging 3.29. t/m 3.33 ter zake de vennootschap onder firma ‘ [onderneming 1] ’ toe aan [eiser] en bepaalt dat [eiser] uit hoofde hiervan € 160.382,- aan [gedaagde] moet betalen.
2.3.
Daarna zijn partijen samen met de zoon van partijen en diens gezin in de Woning blijven wonen. Kort nadien is [eiser] verhuisd. Medio december 2024 is [gedaagde] na een ruzie met de zoon uit de Woning vertrokken en bleven zoon en gezin (inmiddels uitgebreid met nog een kind) daar achter. [eiser] is toen teruggekeerd in de Woning.
2.4.
Op 8 oktober 2025 heeft [gedaagde] de voornoemde beschikking aan [eiser] doen betekenen en een bevel tot betaling gedaan van € 160.540,78 (het in de beschikking genoemde bedrag vermeerderd met explootkosten).
2.5.
Daarna zijn partijen met elkaar in overleg gegaan over een andere wijze van verdeling van de Woning en de vof. Daartoe hebben zij over en weer voorstellen gedaan.
2.6.
Op 23 februari 2026 heeft [gedaagde] ten laste van [eiser] executoriaal derdenbeslag laten leggen onder Rabobank en ABN Amro.
2.7.
Op 4 maart 2026 heeft ABN Amro uit hoofde van het beslag € 24.084,66 aan de executerende deurwaarder betaald. Die heeft mr. Waanders op 6 maart 2026 per email laten weten dat hij de gelden voorlopig onder zich zal houden, tenzij [gedaagde] hem vraagt tot uitbetaling over te gaan.
3.Het geschil
3.1.
[eiser] vordert na eisvermeerdering dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. het op 23 februari 2026 gelegde executoriale derdenbeslag onder de Rabobank op te heffen;
II. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van schadevergoeding aan hem van het
volledige door ABN Amro aan [gedaagde] dan wel een derde betaalde bedrag,
zijnde € 24.084,66, te vermeerderen met onder meer, maar niet uitsluitend, de
kosten die door ABN Amro in rekening zijn gebracht;
III. [gedaagde] veroordeelt om – ter uitvoering van het gevorderde onder II. –
deurwaarderskantoor [onderneming 2] te
[plaats 2] dan wel een derde die het door ABN Amro afgedragen bedrag van € 24.084,66 onder zich heeft, opdracht te geven binnen 24 uur na betekening van dit vonnis ditzelfde bedrag aan [eiser] te betalen, op een nader door hem op te geven bankrekeningnummer;
IV. [gedaagde] te veroordelen verdere executiemaatregelen jegens [eiser] op basis
van de beschikking van deze rechtbank van [2023] te staken en gestaakt te houden, zolang de Woning niet is verkocht en geleverd aan derden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 per dag of dagdeel dat zij hieraan niet voldoet;
V. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te betalen binnen veertien dagen na
aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92 plus de kosten van betekening
als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt
betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als
bedoeld in artikel 6:119 BWPro, als de proceskosten niet binnen veertien dagen na
aanschrijving zijn betaald.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Primair stelt hij dat [gedaagde] geen executiebevoegdheid toekomt, omdat partijen na de beschikking van [2023] andersluidende afspraken hebben gemaakt. Aangezien hij niet zomaar ruim € 160.000 kan ophoesten, zou betaling pas plaatsvinden na verkoop en levering van de Woning. Partijen hebben evenwel besloten de Woning nog niet te verkopen, omdat zij onderdak wilden bieden aan hun zoon en diens gezin. Zonder die Woning zou het gezin dakloos worden. Inmiddels is het zo ver gekomen dat de Woning verkocht moet worden, wat [eiser] ook aan de deurwaarder heeft gezegd.
Subsidiair stelt [eiser] dat sprake is van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW). Hij stelt hiertoe dat [gedaagde] weet hij het aan haar verschuldigde bedrag niet kan betalen, zolang de Woning niet is verkocht en geleverd. Door de beslaglegging probeert [gedaagde] oneigenlijke druk op hem uit te oefenen om akkoord te gaan met haar voorstel, inhoudende dat zij de Woning toegedeeld krijgt en deze samen met de zoon en zijn gezin zal blijven bewonen en dat [eiser] de overige vermogensbestanddelen toegescheiden krijgt, aldus [eiser] . Dit voorstel acht hij niet reëel, omdat [gedaagde] dan veel meer krijgt dan waarop zij recht heeft; namelijk de gehele overwaarde van de Woning, die het bedrag van € 160.000 ruimschoots overstijgt. Bovendien kan [eiser] door het beslag zijn werkzaamheden binnen zijn eenmanszaak niet uitvoeren. Als garagist moet hij in te kopen onderdelen voorfinancieren en krijgt hij deze onkosten pas achteraf door zijn klanten vergoed. Door het beslag kan hij geen onderdelen meer kopen en bijgevolg geen klanten meer bedienen. [gedaagde] legt zijn onderneming plat, aldus nog steeds [eiser] .
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Zij voert het volgende aan. Uit hoofde van de meermalen genoemde beschikking heeft zij een vordering op [eiser] van € 160.382. Dit bedrag heeft hij tot op heden niet voldaan. Daarom heeft zij op rechtmatige wijze executiemaatregelen genomen. De beschikking is betekend samen met een bevel tot betaling. Aangezien [eiser] niet heeft betaald, heeft zij executoriaal beslag laten leggen op bankrekeningen van [eiser] / de vof. Deze beslagen hebben gedeeltelijk doel getroffen en dat is een normaal en voorzienbaar gevolg van executoriaal beslag.
[gedaagde] betwist dat partijen de door [eiser] gestelde afspraken hebben gemaakt. Verder voert zij aan dat nergens in de beschikking staat dat [eiser] € 160.382 uit de opbrengst van de Woning moet voldoen. Zijn betalingsverplichting heeft te maken met het feit dat de vof aan hem is toegedeeld en hij ten titel van overbedeling aan haar moet betalen. Dit staat los van de verdeling van de Woning.
Tot slot is voor schadevergoeding geen grond, omdat zij de executiemaatregelen mocht nemen, aldus [gedaagde] .
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4.De beoordeling
Spoedeisend belang
4.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang voortvloeit uit de aard van [eiser] vorderingen.
Opheffing beslag
4.2.
Op de voet van artikel 438 lid 3 vanPro het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan de voorzieningenrechter executoriale beslagen opheffen. Aangezien de beschikking van [2023] in kracht van gewijsde is gegaan, kan hij dat alleen doen als de beslaglegger misbruik van bevoegdheid maakt, als bedoeld in artikel 3:13 BWPro. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er gronden zijn voor opheffing en overweegt daartoe als volgt.
4.3.
In genoemde beschikking is bepaald dat [eiser] uit hoofde van overbedeling van zijn vof ‘ [onderneming 1] ’ een bedrag van € 160.382 aan [gedaagde] moet betalen. In zoverre – daarin heeft [gedaagde] gelijk – staat verkoop van de Woning los van deze betalingsverplichting. Daar staat tegenover dat de rechtbank in haar dictum onder r.o. 4.2. de wijze van verdeling van de gemeenschap van goederen heeft gelast. Daarvan maakt zowel de verkoop van de Woning als de toedeling van de vof deel uit. Deze verkoop en toedeling kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom niet los van elkaar gezien worden. Dat zou mogelijk anders geweest zijn, als de bodemrechter [eiser] had veroordeeld tot betaling van € 160.382 aan [gedaagde] . Dat heeft zij niet gedaan. Het gaat niet aan slechts één onderdeel uit de verdeling te pikken, zoals [gedaagde] doet. Dat komt neer op cherry picking.
Het voorgaande klemt temeer doordat niet in geschil is dat [eiser] voornoemd bedrag alleen kan betalen uit de verkoopopbrengst van de Woning. Hij heeft dit bedrag niet vrij besteedbaar en kan het ook niet onttrekken aan zijn onderneming. Dat [gedaagde] daarvan op de hoogte is, volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook uit het feit dat zij na de beschikking met [eiser] heeft onderhandeld over verdeling van de Woning en de vof. In haar emailbericht van 23 december 2025 aan [eiser] schrijft zij onder meer:
“(…)
Ik herhaal hierbij mijn voorstel: ik behoud de woning samen met de kinderen en u behoudt de overige vermogensbestanddelen, waaronder de garage.
Indien u hiermee niet akkoord gaat, zal uitvoering gegeven worden aan de rechterlijke uitspraak, waarbij de woning zal worden verkocht en ieder zijn toegewezen deel ontvangt conform de uitspraak.
(…)”
4.4.
Volgens [eiser] hebben partijen ervoor gekozen de Woning niet conform de beschikking te verkopen, omdat zij wilden voorkomen dat hun zoon en diens gezin dakloos zouden worden. Ter onderbouwing hiervan verwijst hij onder meer naar zijn productie 3; een verklaring van hemzelf, de zoon en diens vrouw. [gedaagde] heeft nagelaten haar verweer nader te onderbouwen. Ook heeft zij geen alternatieve verklaring gegeven voor het feit dat partijen hoe dan ook enkele jaren ook geen uitvoering hebben gegeven aan de beslissing van de bodemrechter de Woning te verkopen (zie hierboven bij 2.3.).
Gelet hierop oordeelt de voorzieningenrechter dat het aannemelijk is dat partijen de door [eiser] gestelde afspraak gemaakt hebben.
4.5.
Op grond van al het voorgaande is de voorzieningenrechter op voorhand van oordeel dat [gedaagde] pas na verkoop van de Woning aanspraak kan maken op betaling door [eiser] en dat haar vordering thans nog niet opeisbaar is. Dat leidt ertoe dat zij ter zake van deze vordering (nog) niet gerechtigd was executoriaal beslag te doen leggen. De voorzieningenrechter zal het onder Rabobank ten laste van [eiser] gelegde executoriale beslag dan ook opheffen. Hij zal in het dictum evenwel geen specifiek(e) rekeningnummer(s) noemen, omdat partijen die niet genoemd hebben.
Voorschot op schadevergoeding
4.6.
De voorzieningenrechter begrijpt [eiser] tweede en derde vordering aldus, dat hij veroordeling wenst tot betaling van een voorschot op schadevergoeding door [gedaagde] . Het beslag onder ABN Amro bestaat namelijk niet meer, doordat het beslag beklijft heeft en de bank aan de deurwaarder heeft betaald. Het beslag kan dus niet opgeheven worden, waardoor het geld vrij komt.
4.7.
Een geldvordering in kort geding is alleen toewijsbaar, als het bestaan van deze vordering voldoende zeker is. Daartoe moet het in hoge mate aannemelijk zijn dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen. Daarnaast moet sprake zijn van onverwijlde spoed bij betaling van de geldvordering. Verder moet bij de beoordeling over de toewijsbaarheid van de geldvordering rekening worden gehouden met het risico van onmogelijkheid van terugbetaling (het restitutierisico). Dit restitutierisico kan ertoe leiden dat de vordering moet worden afgewezen.
4.8.
Indien [gedaagde] de beschikking heeft laten betekenen en een bevel tot betaling heeft gedaan om [eiser] tot actie te bewegen, kan de voorzieningenrechter dat nog wel begrijpen. Partijen zijn vervolgens ook met elkaar in overleg gegaan over een alternatieve vorm van verdeling van (een deel van) de gemeenschap (zie hierboven bij 2.5.). Wat evenwel naar het oordeel van de voorzieningenrechter te ver gaat, is dat [gedaagde] onder de bij 4.3. en 4.4. genoemde omstandigheden executoriaal beslag heeft doen leggen, terwijl partijen nog met elkaar in overleg waren. Dat geldt temeer, omdat de wijze waarop zij beslag heeft laten leggen (namelijk ook op de rekeningen van de vof) als voorzienbaar gevolg heeft dat [eiser] onderneming in betalingsnood zou komen te verkeren.
De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het in hoge mate aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat een dergelijke wijze van beslaglegging vexatoir en daarmee onrechtmatig is jegens [eiser] . [gedaagde] is dan ook gehouden de daaruit voortvloeiende schade aan [eiser] te vergoeden. Ziet de voorzieningenrechter het goed, dan bestaat die schade in elk geval uit de ten onrechte in beslag genomen gelden.
4.9.
Verder heeft [eiser] aannemelijk gemaakt dat zijn onderneming de gelden, die de deurwaarder onder zich heeft, hard nodig heeft om voort te bestaan, zodat aan het vereiste van onverwijlde spoed is voldaan.
Tot slot ziet de voorzieningenrechter geen reëel restitutierisico, omdat het bedrag dat [eiser] aan [gedaagde] moet betalen uit zijn deel van de verkoopopbrengst van de Woning gehaald kan worden.
4.10.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering sub II. op de in het dictum te vermelden wijze zal worden toegewezen. Voor zover [eiser] betaling van onbepaalde bedragen vordert, zal de voorzieningenrechter dat deel van de vordering afwijzen.
De vordering sub III. zal de voorzieningenrechter eveneens afwijzen, omdat deze geen zelfstandige betekenis heeft. Waar het om gaat, is dat de in beslag genomen gelden worden terugbetaald. Daartoe kan [gedaagde] opdracht aan de deurwaarder geven (als deze de gelden nog steeds onder zich heeft) of zij kan het bedrag zelf aan [eiser] betalen (als de deurwaarder al heeft betaald).
Verbod verdere executiemaatregelen en dwangsom
4.11.
De voorzieningenrechter zal deze vordering afwijzen, omdat hij ervan uitgaat dat [gedaagde] geen verdere executoriale maatregelen zal nemen, zolang de Woning niet is verkocht.
Proceskosten
4.12.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. Deze kosten worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
151,94
- griffierecht
€
341,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.788,94
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals hierna vermeld.
5.De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
heft op het op 23 februari 2026 door [gedaagde] ten laste van [eiser] onder de Rabobank gelegde executoriale beslag,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] van betaling van een voorschot op schadevergoeding aan [eiser] van € 24.084,66,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.788,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over de proceskosten, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann, voorzieningenrechter, in samenwerking met mr. I.J.R. Stoffels als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.