ECLI:NL:RBMNE:2026:3289

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/6779
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:42 AwbArtikel 12 Bekendmakingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar omgevingsvergunning watercompensatie Oosterwold

Eiser is eigenaar van een perceel in Oosterwold en maakte bezwaar tegen een omgevingsvergunning voor het graven en verbreden van watergangen, die ook langs zijn perceel zou plaatsvinden. Het bezwaar werd door het waterschap niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder geldige reden.

Eiser stelde dat de publicatie van de vergunning onduidelijk was, waardoor hij niet tijdig bezwaar kon maken. Hij voerde aan dat de locatieomschrijving en de kaart onduidelijk waren en dat het waterschap hem niet tijdig had geïnformeerd, ondanks zijn verzoek om inzage.

De rechtbank oordeelde dat de publicatie in het Waterschapsblad voldoende adequaat en duidelijk was, waarbij de locatieomschrijving en kaart in samenhang bekeken moesten worden. De blauwe lijnen op de kaart gaven de begrenzing van het gebied aan en niet watergangen. Het waterschap was niet verplicht individuele belanghebbenden te informeren.

De rechtbank volgde eiser niet en verklaarde het beroep ongegrond. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6779
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 op het beroep in de zaak tussen

[eiser] uit [plaats] , eiser

en

het college van Dijkgraaf en Heemraden van Waterschap Zuiderzeeland, verweerder

(gemachtigde: mr. T. de Beet en mr. M.L. Lanz).

Inleiding

1. Eiser is eigenaar van het perceel aan de [adres 1] en [adres 2] in [plaats] . Met het besluit van 25 augustus 2025 heeft het waterschap aan de gemeente Almere een omgevingsvergunning verleend voor het graven en verbreden van watergangen en het leggen van dammen met duikers in Oosterworld, ter compensatie van de toename van verhardingen in het gebied. De omgevingsvergunning ziet ook op het graven van een watergang langs het perceel van eiser.
2. Het waterschap heeft de omgevingsvergunning bekendgemaakt middels publicatie in het Waterschapsblad van 28 augustus 2025. De omgevingsvergunning is hierin als volgt omschreven: “
De vergunning is verleend voor het graven en verbreden van watergangen voor de compensatie van de toename verharding in Oosterwold (fase 3) op percelen van Staatsbosbeheer en het leggen van dammen met duikers in de nieuwe watergangen tussen de [straat] , de [straat] , de [straat] , de [straat] en de A27 te [plaats] .” Verder is de volgende kaart gevoegd:
3. Belanghebbenden kunnen binnen zes weken, dus uiterlijk op 6 oktober 2025, bezwaar maken tegen de omgevingsvergunning. Eiser heeft zijn bezwaarschrift op 7 november 2025 ingediend. Omdat het bezwaar te laat is en eiser daar volgens het waterschap geen goede reden voor heeft, heeft het waterschap het bezwaar van eiser met het besluit van 24 november 2025 (hierna: het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.
4. Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Het waterschap heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is op 22 april 2026 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiser is verschenen. Het waterschap heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en door [A] , vergunningverlener water.

Het beroep

5. Eiser voert aan dat hij door de onduidelijke publicatie niet kon weten dat de omgevingsvergunning ook zag op het graven van een watergang langs zijn perceel. Allereerst is de omschrijving van de locatie volgens eiser onduidelijk. Genoemde wegen sluiten niet precies op elkaar aan. Zo loopt de [straat] ten oosten van de A27 nog acht kilometer door en houdt de [straat] halverwege het gebied op. Om hoeveel watergangen het gaat wordt ook niet vermeld.
6. Ook de kaart is volgens eiser onduidelijk. Daarop is langs het perceel van eiser géén blauwe lijn ingetekend. Eiser is ervan uitgegaan dat de blauwe lijnen stonden voor de watergangen. Op de kaart bij publicatie van de ontgrondingsvergunning (voor hetzelfde gebied) was dat immers wél het geval. Dat de ingetekende lijnen de begrenzing van het gebied vormen is volgens eiser onlogisch. Niet alleen omdat de lijnen blauw gekleurd zijn (blauw staat normaliter voor water), maar ook omdat de lijnen niet op elkaar aansluiten en daardoor geen net afgebakend gebied vormen. Dit had anders kunnen zijn als het gebied was gearceerd, maar ook dat is niet gebeurd.
7. Verder gaat het om een gebied van maar liefst 17 vierkante kilometer. Volgens eiser kan niet van alle bewoners binnen dat gebied worden verwacht dat zij de stukken opvragen om na te gaan of de omgevingsvergunning ook op hun perceel ziet. Bovendien stond in de ontgrondingsvergunning niet vermeld dat er watercompensatie nodig zou zijn. Als dat wél was gebeurd, had eiser alert kunnen zijn op besluitvorming daarover.
8. Volgens eiser had het waterschap kunnen weten dat hij bezwaren zou hebben tegen het besluit. Eiser heeft namelijk al op 5 juli 2025 (toen hij op de hoogte raakte van de aanvraag) gevraagd om inzage in de omgevingsvergunning, maar daar toen geen reactie op gekregen. Toen de omgevingsvergunning uiteindelijk werd verleend had het waterschap eiser dan ook moeten informeren. Eiser wijst er op dat hij nota bene één dag na de vergunningverlening nog bij het waterschap op gesprek geweest, maar de omgevingsvergunning ook toen niet te berde is gebracht. Eiser kan zich hierdoor niet aan de indruk onttrekken dat het waterschap hem met opzet buiten de boot probeert te houden.
9. Tot slot wijst eiser erop dat zijn belang bij een inhoudelijke behandeling van zijn bezwaar groot is, omdat de watergang zeer negatieve gevolgen zal hebben voor de waterhuishouding op zijn perceel.

Beoordeling van het beroep

10. De rechtbank stelt voorop dat besluiten die niet gericht zijn tot één of meer belanghebbenden, zoals de onderhavige omgevingsvergunning, worden bekendgemaakt door publicatie. [1] Het waterschap publiceert zijn wettelijk voorgeschreven kennisgevingen in het Waterschapsblad, in de vorm van een zakelijke weergave van de inhoud (een korte omschrijving) met vermelding van de wijze waarop en de periode waarin de stukken waar de kennisgeving betrekking op heeft voor eenieder ter inzage liggen. [2]
11. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geldt als hoofdregel dat als een vergunning is gepubliceerd, de overschrijding van de termijn bij het indienen van een bezwaar daartegen niet verschoonbaar kan worden geacht. Het uitgangspunt is namelijk dat belanghebbenden via de publicatie tijdig kennis hadden kunnen nemen van het besluit. Bij de vraag of de inhoud van het besluit voldoende is weergegeven, moeten alle onderdelen in de publicatie in onderlinge samenhang worden bezien. De zakelijke weergave van het besluit moet voldoende adequaat en duidelijk zijn. Dat het mogelijk is om een locatie nog specifieker weer te geven, betekent op zichzelf niet dat de gegeven locatieomschrijving niet voldoende duidelijk is. [3]
12. Naar het oordeel van de rechtbank is de publicatie van de omgevingsvergunning in dit geval voldoende adequaat en duidelijk geweest. De genoemde vijf straten vormen een afgegrensd gebied. Op de kaart zijn deze straten ingetekend met blauwe lijnen die her en der inderdaad te ver doorgetrokken of te vroeg afgebroken zijn, maar in samenhang bezien met de gegeven locatieomschrijving is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat het hier gaat om het gebied dat tussen deze straten ligt. Daar komt bij dat het perceel van eiser zich midden in het gebied bevindt. Het had dan ook op eisers weg gelegen om bij onduidelijkheid navraag te doen bij het waterschap. Dat het specifieker had gekund door het betreffende gebied te arceren of de lijnen netter in te tekenen, maakt de locatieomschrijving zoals gezegd, nog niet onduidelijk.
13. De rechtbank vind het, anders dan eiser, ook niet zonder meer logisch dat de blauwe lijnen op de kaart in dit geval zouden staan voor watergangen, enkel vanwege de kleur. De lijnen volgen immers de genoemde vijf (verharde) wegen. Dat de blauwe lijnen bij publicatie van de ontgrondingsvergunning wél voor watergangen stonden, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De ontgrondingsvergunning is immers verleend (en gepubliceerd) door gedeputeerde staten van de provincie, niet door het waterschap. Het is dus niet zo dat het waterschap ineens een andere werkwijze heeft laten zien. Verder geldt dat het waterschap moet beslissen op een aanvraag zoals die is ingediend, en de aanvraag ziet nu eenmaal op dít gebied van zeventien vierkante kilometer. Die grootte maakt de publicatie naar het oordeel van de rechtbank evenmin onduidelijk.
14. De rechtbank concludeert verder dat, naast het feit dat dit ook niet is vereist, een vermelding van de nodige watercompensatie in de ontgrondingsvergunning geen enkel verschil had gemaakt. Eiser wist immers op 5 juli 2025, dus alsnog ruim op tijd, dat de gemeente Almere een omgevingsvergunning voor watercompensatie had aangevraagd en dat er dus een besluit daarover aanstaande was.
15. Tot slot is de rechtbank niet gebleken dat er sprake is van opzet aan de kant van het waterschap. Hoewel de rechtbank zich eisers frustratie kan voorstellen, is de omgevingsvergunning op een voldoende adequate en duidelijke manier gepubliceerd en is het waterschap dan niet gehouden om belanghebbenden individueel te informeren. Tot slot kan het belang dat eiser heeft bij een beoordeling van zijn bezwaar, niet worden meegewogen bij de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

Conclusie

16. Omdat de beroepsgronden van eiser niet slagen, is het beroep van eiser ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit waarin het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk is verklaard, in stand blijft.
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 16 juni 2026 in het openbaar gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier.
(de griffier is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen)
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 3:42, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Artikel 12, eerste lid van de Bekendmakingswet,
3.Zie de uitspraken van de Afdeling van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1022, 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1373 en 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4876.