Beoordeling door de rechtbank
2. [VoF] voert een detail- en groothandel in wapens, waaronder hoog segment specialistische luchtbuksen, en verricht productiewerkzaamheden. Op 4 april 2023 is aan [VoF] een erkenning op grond van artikel 9 van de Wet Wapens en Munitie (Wwm) afgegeven. Dit is een vergunning bestemd voor degene die bedrijfsmatige activiteiten met wapens verricht. Hieronder vallen de erkenningsplichtige handelingen, zoals de fabricage, het verhandelen en repareren van wapens en munitie. Zonder deze erkenning is het verboden deze handelingen te verrichten.
3. [VoF] maakt naast hoog segment specialistische luchtbuksen ook geluiddempers voor wapens. Een geluiddemper is een niet in het vuurwapen geïntegreerd, doorgaans aan de loopmond van het vuurwapen bevestigd voorwerp. Een geluiddemper is geschikt om het geluid van het schot van een wapen te dempen (artikel 2, eerste lid en onder f van de Regeling wapens en munitie). Geluiddempers zijn wapens van de eerste categorie (artikel 2, eerste lid, onder 3° van de Wwm). Dit houdt in dat alle handelingen met een geluiddemper in principe verboden zijn, tenzij daarvoor een ontheffing wordt verleend. In artikel 13, eerste lid, van de Wwm is het verbod tot het voorhanden hebben, vervoeren, dragen, doen binnenkomen en doen uitgaan van geluiddempers opgenomen. Een ontheffing voor geluiddempers kan op grond van artikel 4, eerste lid en onder e van de Wwm worden verleend voor toestellen en voorwerpen die worden gebruikt voor beroeps-, hulpverlenings-, trainings- en sportdoeleinden. Ook in artikel 13, tweede lid, van de Wwm geeft de minister de bevoegdheid ontheffing van dat verbod te verlenen voor gebruik door of onderwijs ten behoeve van de krijgsmacht, de politie en de overige openbare dienst of voor doorvoer van wapens en munitie. Die ontheffing kan alleen worden verleend als de aanvrager ook over een erkenning beschikt.
4. Op 6 september 2023 heeft [VoF] een verzoek ingediend voor een ontheffing voor geluiddempers op grond van artikel 4, eerste lid en onder e van de Wwm. Deze ontheffing is op 6 februari 2024 aan [VoF] verleend. Aan die ontheffing heeft de minister conform artikel 6 van de Wwm beperkingen en voorschriften gesteld.
5. De rechtbank stelt vast dat aan [VoF] een ontheffing op grond van artikel 4, eerste lid en onder e, van de Wwm is verleend. De minister heeft hierover opgemerkt dat achteraf gezien deze bepaling niet als grondslag had kunnen dienen voor de verlening van de ontheffing. Die bepaling is namelijk bedoeld voor voorwerpen die gebruikt worden bij beroeps-, hulpverlenings-, trainings- en sportdoeleinden. Omdat [VoF] als wapenhandelaar bedrijfsmatig en niet beroepsmatig handelt, valt de situatie van [VoF] niet onder deze bepaling. Daarbij verwijst de minister naar de memorie van toelichting bij dit artikel waarin dit uitdrukkelijk is toegelicht.Volgens de minister is een ontheffing op grond van artikel 13, tweede lid, van de Wwm voor [VoF] als wapenhandelaar wel mogelijk. De minister kan aan de hand van de voorhanden informatie niet beoordelen of [VoF] voor een dergelijke ontheffing in aanmerking komt en wenst dit nader te onderzoeken.
6. De rechtbank ziet zich in deze procedure gesteld voor de vraag of de beperkingen en voorschriften verbonden aan de ontheffing, zoals die nu aan de rechtbank voorligt, terecht in de ontheffing zijn opgenomen. Het hiervoor door de minister ingenomen standpunt neemt de rechtbank wel mee in de beoordeling van deze rechtsvraag, omdat de aan de ontheffing verbonden beperkingen en voorschriften niet losgekoppeld kunnen worden van de grondslag waarop de ontheffing had kunnen worden verleend. Dit betekent dat de rechtbank de beperkingen en voorschriften (ook) in het licht van artikel 13, tweede lid, van de Wwm zal beoordelen. In geschil zijn de onder 2 en 4 van de ontheffing opgenomen beperkingen en het onder 2 opgenomen voorschrift.
7. In beperking 2 van de ontheffing van [VoF] is opgenomen dat de geluiddempers uitsluitend voorhanden worden gehouden op het adres genoemd in de ontheffing ( [adres] in [plaats] ) om erkenningsplichtige handelingen te kunnen verrichten.
8. [VoF] stelt dat zij als gevolg van deze beperking niet in staat is de geluiddempers te testen, beproeven en/of demonstreren. [VoF] moet volgens de beperking deze handelingen uitvoeren op het adres waar de geluiddempers nu worden gemaakt. Dit zou in de bedrijfshal moeten gebeuren, maar dit kan volgens [VoF] niet. [VoF] heeft een externe schietbaan nodig om deze handelingen veilig te kunnen verrichten.
9. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 13, tweede lid, van de Wwm alleen ontheffing kan worden verleend voor de handelingen die zijn vermeld in artikel 13, eerste lid, van de Wwm. Het beproeven, testen en/of demonstreren is niet een dergelijke handeling. Voor deze handelingen kan daarom geen ontheffing worden verleend. De minister heeft hiertoe niet de bevoegdheid. De ontheffing die is verleend aan [VoF] heeft betrekking op de handeling ‘het voorhanden hebben’ waarvoor wel een ontheffing mag worden verleend. De rechtbank zal de aan deze handeling verbonden beperking beoordelen, waarbij eerst de wettelijke grondslag van de op te leggen beperkingen en voorschriften in het algemeen zullen worden besproken.
10. Op grond van artikel 6 van de Wwm kan een ontheffing zoals bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wwm worden verleend onder beperkingen. Ook kunnen er voorschriften aan worden verbonden. De wetgever heeft bepaald dat de bepalingen van artikel 9 van de Wwm die zien op de erkenning onverminderd gelden bij bovengenoemde ontheffing. Dit betekent dat de minister bij het vaststellen van de beperkingen en voorschriften van de ontheffing zich heeft mogen baseren op de beperkingen en voorschriften die verbonden zijn aan een erkenning.
11. De beperkingen en voorschriften die bij de erkenning gelden, worden ontleend aan het modelformulier WM16 (artikel 39 van de Wwm). Op de zitting heeft de minister bevestigd dat die beperkingen en voorschriften leidend zijn voor het verlenen van de ontheffing. In het modelformulier voor de erkenning is opgenomen dat “
het bedrijven van de handel in vuurwapens mag alleen geschieden in de onder C genoemde vestiging. Het is niet toegestaan om anders dan wanneer een aspirant-koper om een demonstratie verzoekt, wapens mee te nemen naar schietbanen of elders om aldaar verkoopactiviteiten te bedrijven. De enige uitzondering hierop vormt het meenemen van wapens naar (wapen-)beurzen. Indien de korpschef in de politieregio waar de beurs wordt gehouden voor de aanwezigheid van wapens op die beurs uitdrukkelijke toestemming heeft verleend. De korpschef kan aan deze toestemming voorschriften verbinden.”.
12. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister ook voor de ontheffing beperkingen mag opleggen ten aanzien van het voorhanden hebben van geluiddempers. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank ook een grondslag gegeven voor beperking 2. Dat het voorhanden houden ook betekent dat de beheerder van [VoF] geluiddempers met zich kan dragen naar andere plekken, zoals namens [VoF] op zitting is gesteld, volgt de rechtbank niet. Het voorhanden houden wordt immers uitdrukkelijk in verband gebracht met de vestigingslocatie, zodat de aanwezigheid van de geluiddempers tot dat adres beperkt is. Het betoog van [VoF] slaagt niet.
13. In beperking 4 van de ontheffing is opgenomen dat de ontheffing voor het doen uitgaan van geluiddempers is beperkt tot garantie- en reparatiegevallen naar buitenlandse leveranciers en dat deze niet is verleend voor commerciële (verkoop)handelingen buiten Nederland.
14. [VoF] stelt dat zij als gevolg van deze beperking de geluiddempers niet naar het buitenland kan uitvoeren. [VoF] is een onderneming die winst moet draaien en dit wordt nu beperkt. [VoF] kan en wil de geluiddempers met adequate contracten en centrale registratie naar het buitenland uitvoeren. [VoF] stelt dat de minister met deze beperking handelt in strijd met de Europese wet- en regelgeving, meer in het bijzonder artikel 34 tot en met 36 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), artikel 3, eerste lid onder c en artikel 10 van de Verordening 258/2012 (de Verordening).
15. Ook hier geldt dat een ontheffing ingevolge artikel 13, tweede lid, van de Wwm kan worden afgegeven, rekening houdend met de handelingen genoemd bij de erkenning (artikel 9 van de Wwm). Een erkenning geldt onder meer voor categorie II en III wapens. Aan de uitvoer van die wapens is een consentplicht verbonden. Die houdt in dat zonder consent geen in- en uitvoer van de wapens mag plaatsvinden (artikel 14, eerste lid, van de Wwm). Omdat de ontheffing aan de erkenning is verbonden, kan de minister worden gevolgd in zijn standpunt dat uitvoer in ieder geval niet mogelijk is zonder de hiervoor genoemde consent. Voor categorie I wapens, zoals geluiddempers, is het verlenen van consent niet mogelijk. Dit betekent dat uitvoer van geluiddempers in principe niet mogelijk is en de minister dus terecht een beperking ten aanzien van de uitvoer van de geluiddempers van [VoF] heeft opgelegd. Het betoog van [VoF] slaagt niet.
16. In artikel 34 tot en met 36 van het VWEU is kortgezegd bepaald dat een lidstaat geen kwantitatieve in- en uitvoerbeperkingen of maatregelen van gelijke werking mag opleggen, tenzij deze gerechtvaardigd zijn voor bescherming van onder meer de openbare orde en openbare veiligheid. [VoF] komt niet op tegen de invoer van geluiddempers uit een andere lidstaat. Het gaat [VoF] immers uitsluitend om het uitvoeren naar het buitenland. Artikel 34 van het VWEU is daardoor niet van toepassing. Omdat [VoF] de geluiddempers vanuit Nederland wil uitvoeren naar andere lidstaten geldt het verbod op kwantitatieve uitvoerbeperkingen als bedoeld in artikel 35 van het VWEU wel. De beperking is echter door de minister opgelegd, omdat er in het Nederlandse stelsel een consentplicht voor het binnenkomen en uitgaan van wapens en munitie geldt (artikel 14 van de Wwm). De consentplicht dient ter controle en toezicht van het internationale overbrengen van wapens en hun onderdelen. De minister heeft hiermee namelijk een kader ontwikkeld waarmee hij zicht heeft op controle op wapenbezit en -verkrijging. Daarmee kan het ondermijnen van de openbare orde en veiligheid worden teruggedrongen. Naar het oordeel van de rechtbank is de beperking in dat kader terecht opgelegd en gerechtvaardigd als bedoeld in artikel 36 van de VWEU. Het betoog van [VoF] slaagt niet.
17. [VoF] stelt ook dat de minister in strijd met artikel 3, eerste lid en onder c en artikel 10 van de Verordening handelt. [VoF] heeft dit eerst op de zitting van 19 november 2025 naar voren gebracht. [VoF] heeft dit kortgezegd zo uitgelegd dat de Verordening niet van toepassing is en een lidstaat niet disproportioneel mag beperken. Verder heeft zij haar standpunt niet concreet ten aanzien van de aan haar opgelegde beperkingen onderbouwd. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen is de beperking gerechtvaardigd en daarmee niet disproportioneel. Dat de Verordening niet van toepassing is, kan gelet op wat [VoF] op zitting naar voren heeft gebracht, niet worden gevolgd. Gelet op deze beperkte onderbouwing, slaagt het betoog van [VoF] dan ook niet.
18. In voorschrift 2 van de ontheffing staat dat bij de opslag van geluiddempers de eisen in acht worden genomen die gelden voor wapens van categorie II, zoals gesteld in artikel 11 van de Regeling wapens en munitie (Rwm).
19. [VoF] stelt dat de geluiddempers net als categorie III wapens in de bedrijfsruimte kunnen worden opgeslagen. Dit betreft een adequate centrale opslag in een professioneel en gecertificeerd bedrijf en dat is ruim voldoende. Extra zwaardere eisen zijn disproportioneel.
Beoordeling
20. De wetgever heeft de huidige wet in 1995 gewijzigd. Een geluiddemper behoorde destijds tot een categorie II wapen. Door de wetswijziging is de geluiddemper overgeheveld naar een categorie I wapen. Tot die tijd golden de opslageisen voor een categorie II wapen. Voor categorie I wapens heeft de wetgever geen aparte opslageisen opgesteld, nu die in principe verboden zijn. Dat de minister daarom bij het opstellen van het voorschrift de geluiddemper gelijk heeft getrokken met een categorie II wapen is, gelet op het feit dat de wetgever het bezit en gebruik van categorie I wapens aan een strikter beleid heeft gehouden, navolgbaar en acht de rechtbank daarmee niet disproportioneel. Bovendien heeft [VoF] ter zitting verklaard dat zij al aan de opslageisen voor categorie II wapens voldoet, zodat zij de geluiddempers ook op die manier kan opslaan.
Gelijkheidsbeginsel
Inleiding
21. [VoF] beroept zich op het gelijkheidsbeginsel, omdat andere erkenninghouders wel een ontheffing hebben gekregen zonder de betreffende beperkingen. [VoF] stelt dat zij ernstig wordt benadeeld, omdat zij aanzienlijk minder afzetmogelijkheden heeft in vergelijking met andere (Europese) producenten. Die producenten mogen wel vrijelijk de geluiddempers uitvoeren. Daarnaast stelt [VoF] dat airsoftwapens, wapens die in dezelfde categorie als geluiddempers vallen, legaal verkrijgbaar zijn. Verder worden ontheffingen voor geluiddempers ook al verleend aan personen die in relatie staan tot Staatsbosbeheer en schadebestrijding. Ook zijn geluiddempers die vrij op een luchtbuks mogen worden gemonteerd niet verboden. Het beperkende karakter wordt daarmee al losgelaten. [VoF] is daarom niet duidelijk welk doel met de beperkingen voor geluiddempers wordt nagestreefd.
22. De rechtbank stelt voorop dat uit de door [VoF] overgelegde stukken onvoldoende kan worden afgeleid dat andere erkenninghouders in vergelijkbare situaties een ontheffing hebben gekregen zonder de betreffende beperkingen en voorschriften. Uit het aanvullende stuk dat [VoF] heeft overgelegd volgt dit ook niet. Dit betreft een erkenning waarin wordt verwezen naar een bijbehorende ontheffing. De daadwerkelijke ontheffing met eventuele beperkingen en voorschriften is niet beschikbaar gesteld, zodat de rechtbank daaruit ook geen gevolgen kan trekken. Ten aanzien van andere ontheffingen waarbij de beperkingen en voorschriften mogelijk niet zijn opgelegd heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een omissie en dat hij dit zal herstellen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt dan ook niet.
23. Dat airsoftwapens en geluiddempers op luchtbuksen aan minder restricties onderhevig zijn en dat ontheffingen voor geluiddempers die behoren tot betrokkenen van Staatsbosbeheer en schadebestrijding worden afgegeven, maakt het bovenstaande niet anders. Voor airsoftwapens heeft de minister bij wet een uitzondering gecreëerd. Die uitzondering geldt niet voor geluiddempers. Verder heeft de minister uitgebreid toegelicht dat ontheffingen van geluiddempers voor personen die in relatie staan tot Staatsbosbeheer en schadebestrijding alleen worden verleend als sprake is van beroepsdoeleinden bij personeelsleden in dienst van een natuurorganisatie, die zich bezighouden met (wild)beheer en schadebestrijding, in een onder het beheer van deze organisatie vallend natuurgebied. In die ontheffingen zijn bovendien ook beperkingen opgenomen. Dat [VoF] wel gevallen kent waarin geluiddempers wel anders worden gebruikt, zoals bij luchtbuksen, heeft [VoF] niet onderbouwd. De minister mocht gelet op het doel van het restrictieve beleid – te weten de onwenselijkheid van deze wapens in de samenleving – de beperkingen en voorschriften opleggen.