ECLI:NL:RBMNE:2026:3313

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
11847524 \ UC EXPL 25-6824
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 7:129 BWArt. 3:44 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling geldlening en verschuldigde commissie na investering in Bitcoin

Op 14 november 2023 sloten partijen een geldleningsovereenkomst waarbij eiseres €12.000 aan gedaagde verstrekte, met een overeengekomen commissie van €6.000. Gedaagde zou het totaalbedrag van €18.000 vóór 15 januari 2024 terugbetalen, wat niet gebeurde.

Gedaagde betwistte de overeenkomst op grond van misbruik van omstandigheden en onredelijkheid van de commissie, maar de kantonrechter oordeelde dat gedaagde weloverwogen handelde en dat de commissie niet onredelijk was. De psychische kwetsbaarheid van gedaagde werd erkend, maar had geen invloed op zijn handelingsbekwaamheid bij het sluiten van de overeenkomst.

De rechtbank wees het verzoek tot vernietiging van de overeenkomst en matiging van de commissie af. Ook het verzoek om een betalingsregeling kon niet worden ingewilligd omdat de kantonrechter daar niet toe bevoegd is. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van €18.000 plus wettelijke rente vanaf 15 januari 2024 en tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde is veroordeeld tot betaling van €18.000 plus wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 11847524 \ UC EXPL 25-6824
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: A. Bronder,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 augustus 2025,
- de conclusie van antwoord voor de rol van 5 november 2025,
- het e-mailbericht van [gedaagde] van 8 april 2026 waarin hij meldt dat hij niet naar de zitting zal komen.
1.2
Op 1 april 2026 is de zaak ter zitting besproken. Daarbij was [eiseres] aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. [gedaagde] is niet ter zitting verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3
Ten slotte is meegedeeld dat vandaag het vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiseres] verstrekte op 15 november 2023 een lening van € 12.000,00 aan [gedaagde] , die hiervoor een commissie van € 6.000,00 verschuldigd was. [gedaagde] zou dit bedrag in Bitcoin investeren en een bedrag van € 18.000,00 vóór 15 januari 2024 betalen, wat niet gebeurde. [gedaagde] betwist de overeenkomst op grond van vermeend misbruik van omstandigheden en stelt dat de commissie onredelijk is. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] weloverwogen handelde en dat de commissie in dit geval niet onredelijk is. Daarom is [gedaagde] verplicht het volledige bedrag plus wettelijke rente te voldoen.

3.De beoordeling

3.1
Op 14 november 2023 hebben partijen een overeenkomst van geldlening gesloten. [1] [eiseres] maakte vervolgens op 15 november 2023 € 12.000,00 over aan [gedaagde] . [gedaagde] en [eiseres] hadden afgesproken dat [eiseres] daarvoor een commissie van € 6.000,00 verschuldigd was. [gedaagde] zou het bedrag investeren in Bitcoin en vóór 15 januari 2024 een bedrag van € 18.000,00 aan [eiseres] betalen. Dit is niet gebeurd.
3.2
[gedaagde] erkent dat de overeenkomst tot stand is gekomen zoals [eiseres] stelt. Hij stelt echter dat de overeenkomst vernietigbaar is wegens (primair) misbruik van omstandigheden, danwel (subsidiair) omdat het commissiebeding onredelijk is en (meer subsidiair) dat de rente onredelijk is. Hij verzoekt de rechtbank daarom de overeenkomst, dan wel de commissiebepaling te vernietigen of de rente te matigen. Tot slot vraagt hij om een betalingsregeling als hij toch wat (terug) moet betalen.
3.3
[gedaagde] beroept zich op misbruik van omstandigheden, [2] vanwege een paniekstoornis en financiële nood op het moment van sluiten. Hoewel zijn psychische kwetsbaarheid niet wordt betwist, is niet komen vast te staan dat dit zijn handelingsbekwaamheid op dat moment beïnvloedde. Misbruik van omstandigheden vereist kort gezegd dat de wederpartij ( [eiseres] ) wist of had moeten weten dat de ander ( [gedaagde] ) onder bijzondere omstandigheden handelde, dat die bijzondere omstandigheden ertoe leidden dat de overeenkomst tot stand is gekomen, en die wederpartij ( [eiseres] ) had moeten afzien van het sluiten daarvan. [eiseres] betwist dit. [gedaagde] benaderde [eiseres] zelf met het voorstel om, naast terugbetaling van de geldlening, een commissie van € 6.000,00 te betalen. Hij stelde ook zelf de overeenkomst op. Daarnaast is namens [gedaagde] verklaard dat [gedaagde] ervaren was in trading en hiermee veel geld kon verdienen. De kantonrechter volgt [eiseres] : er is geen reden om aan te nemen dat [gedaagde] niet weloverwogen handelde. Er is daarom geen reden om de overeenkomst te vernietigen.
3.4
[gedaagde] vraagt subsidiair om de commissiebepaling te vernietigen, omdat de commissie buitensporig hoog zou zijn. Om vernietiging te bereiken had [gedaagde] meer feiten moeten stellen. Het is de kantonrechter nu niet duidelijk op grond waarvan de bepaling vernietigd zou moeten worden. Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt zou stellen dat sprake is van een onredelijke algemene voorwaarde is dit in elk geval niet gesteld en ook niet gebleken.
3.5
[gedaagde] stelt ook dat de commissie feitelijk rente is en onredelijk is volgens de redelijkheid en billijkheid. [eiseres] heeft dit tijdens de zitting betwist. Zij heeft verklaard dat in de Bitcoinbranche dergelijke commissies gebruikelijk zijn, ook voor korte periodes. Dit heeft [gedaagde] niet tegengesproken. Matiging wordt bovendien alleen uitgesproken als de rente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Onredelijkheid daarvoor is niet gebleken, maar is dus ook niet genoeg. Dat de rente onaanvaardbaar is, is niet gesteld en niet komen vast te staan. De kantonrechter oordeelt daarom dat [gedaagde] verplicht is de commissie te betalen.
3.6
[eiseres] vordert daarnaast wettelijke rente vanaf 15 januari 2024 over het bedrag van € 18.000,00. [gedaagde] heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De rechtbank wijst deze vordering toe.
3.7
De kantonrechter kan alleen beslissen op de vorderingen en kan daarom niet ingaan op het verzoek van [gedaagde] om een betalingsregeling vaststellen.
Proceskosten
3.8
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,64
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.886,64

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 18.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 januari 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.886,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:129 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 3:44 BW Pro.