Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3343

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
UTR 23/6482
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Wet WOZWet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning met toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

De heffingsambtenaar van de gemeente stelde de WOZ-waarde van de woning van eiser op €506.000,- voor het belastingjaar 2023 vast, met waardepeildatum 1 januari 2022. Eiser betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €481.000,- voor. De rechtbank beoordeelde de taxatiematrix van de heffingsambtenaar, waarin drie vergelijkbare woningen werden aangevoerd, en concludeerde dat de vastgestelde waarde niet te hoog was.

Eiser voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met wateroverlast in de kruipruimte van zijn woning, wat de staat van onderhoud zou verslechteren. De rechtbank oordeelde dat eiser dit niet aannemelijk had gemaakt, omdat geen bewijs zoals foto’s was overgelegd. Bovendien was de vastgestelde WOZ-waarde lager dan de waarde in de taxatiematrix, wat ruimte bood voor een slechtere staat van onderhoud.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Daarnaast werd een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim 3 jaar en 4 maanden in bezwaar- en beroepsfase. De vergoeding werd verdeeld tussen de heffingsambtenaar en de Staat, en tevens werden proceskosten toegekend. Het griffierecht werd niet teruggegeven omdat de termijnoverschrijding na 31 mei 2024 plaatsvond.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en een schadevergoeding wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/6482

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. van der Weide),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , de heffingsambtenaar

(gemachtigde: D.K. Dinkla),
Verder heeft als partij deelgenomen:
de Staat der Nederlanden (de minister voor Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In de beschikking van 28 januari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres 1] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 506.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendzaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
2. Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van
16 november 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.
3. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend.
4. De zaak is behandeld op de zitting van 23 april 2026. De gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de heffingsambtenaar en [taxateur] (taxateur van de heffingsambtenaar) hebben deelgenomen aan de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
5. De woning is een in 2016 gebouwde geschakelde woning met een gebruiksoppervlakte van 144 m². De woning ligt op een perceel van 272 m².
Geschil
6. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum
1 januari 2022. Eiser bepleit in beroep een lagere waarde van € 481.000,-. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde € 506.000,-.
Beoordelingskader
7. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
8. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de waardepeildatum (1 januari 2022) niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd, meewegen.
9. Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met drie verkopen in [plaats] , te weten:
  • [adres 2] , verkocht op 5 augustus 2021 voor € 571.008,-;
  • [adres 3] , verkocht op 6 februari 2021 voor € 493.104,-;
  • [adres 4] , verkocht op 17 juni 2021 voor € 520.000,-.
Beoordeling van het geschil
Heeft de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk gemaakt?
10. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat zij allemaal in dezelfde buurt zijn gelegen, niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht en wat bouwjaar en uitstraling betreft voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. Met de taxatiematrix maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
11. Wat eiser in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Wateroverlast
12. De enige beroepsgrond die eiser in beroep handhaaft is dat ten onrechte onvoldoende rekening is gehouden met de staat van onderhoud van zijn woning. Zijn woning heeft namelijk wateroverlast in de kruipruimte.
12.1.
De heffingsambtenaar heeft hierover in het verweerschrift toegelicht dat eiser niet heeft aangetoond dat er daadwerkelijk sprake is van wateroverlast in de kruipruimte. Aangezien eiser op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van wateroverlast, is de taxateur uitgegaan van de gegevens die bekend zijn bij de gemeente. In het taxatierapport is daarom geen rekening gehouden met de eventuele wateroverlast in de kruipruimte.
12.2.
De rechtbank kan het standpunt van de heffingsambtenaar volgen. Het had op de weg van eiser gelegen om aannemelijk te maken dat zijn woning wateroverlast heeft. Eiser heeft het echter nagelaten foto’s of andere stukken in te dienen waaruit blijkt dat hiervan sprake is en de staat van onderhoud van zijn woning ondergemiddeld is. Bovendien is er voldoende ruimte in de waardebepaling om met een eventuele slechtere staat van de woning rekening te houden. De waarde in de taxatiematrix is namelijk vastgesteld op
€ 569.000,- en de WOZ-waarde van de woning van eiser op € 506.000,-. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de staat van het onderhoud van de woning van eiser en de WOZ-waarde als gevolg daarvan te hoog is vastgesteld. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Het beroep is ongegrond.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding
14. De gemachtigde van eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
15. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift (5 februari 2023) en de dag van deze uitspraak zit ruim 3 jaar en 4 maanden. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden met 1 jaar en 4 maanden en dat schadevergoeding moet worden toegekend.
16. Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het derde lid geldt voor de schadevergoeding vanwege een overschrijding van de redelijke termijn een wettelijk tarief van € 50,- per half jaar. Op grond van het overgangsrecht is die bepaling in deze zaak niet van toepassing, omdat de redelijke termijn voor 1 januari 2024 is aangevangen. Daarom geldt hier nog het oude wettelijke tarief van € 500,- per half jaar.
17. De termijnoverschrijding is deels te wijten aan de heffingsambtenaar en deels aan de rechtbank, zodat de rechtbank de heffingsambtenaar en de Staat ieder in een met die verwijtbaarheid overeenkomend deel van de schade zal veroordelen. De bezwaarfase heeft afgerond 4 maanden te lang geduurd. De beroepsfase heeft afgerond 12 maanden te lang geduurd. Dit leidt ertoe dat de heffingsambtenaar (4/16 van € 1.500,-) € 375,- aan schadevergoeding aan eiser moet betalen en de Staat € 1.125,-. De Nederlandse Staat is daarom in zoverre aangemerkt als partij in dit geding.
Proceskosten en griffierecht
18. Omdat de rechtbank de verzochte schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn toekent, is er ook aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken. De rechtbank volgt daarin het uitgangspunt van de Hoge Raad [1] om 1 punt toe te kennen met wegingsfactor 0,25. Omdat het beroep ongegrond is, worden er geen andere punten toegekend. 1 punt heeft in beroep een waarde van € 934,-. In totaal wordt dus € 934,- x 0,25 = € 233,50 toegekend. De proceskosten ten aanzien van dit verzoek komen voor de helft voor rekening van de Staat. [2] Dit leidt tot de slotsom dat de heffingsambtenaar
€ 116,75 aan proceskosten moet vergoeden en de Staat € 116,75. Het griffierecht krijgt eiseres niet terug, omdat de redelijke termijn na 31 mei 2024 is overschreden. [3]
19. De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat hij op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiser. Dat volgt uit artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, waarvoor geen overgangsrecht geldt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van € 375,- schadevergoeding aan eiser;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van € 1.125,- schadevergoeding aan eiser;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan eiser;
  • veroordeelt de Staat tot een betaling van € 116,75 aan proceskosten aan eiser;
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van
mr.D. Burggraaf, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
2.Zie het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
3.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.