Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , de heffingsambtenaar
Inleiding
16 november 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.
Beoordeling door de rechtbank
1 januari 2022. Eiser bepleit in beroep een lagere waarde van € 481.000,-. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde € 506.000,-.
- [adres 2] , verkocht op 5 augustus 2021 voor € 571.008,-;
- [adres 3] , verkocht op 6 februari 2021 voor € 493.104,-;
- [adres 4] , verkocht op 17 juni 2021 voor € 520.000,-.
€ 569.000,- en de WOZ-waarde van de woning van eiser op € 506.000,-. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de staat van het onderhoud van de woning van eiser en de WOZ-waarde als gevolg daarvan te hoog is vastgesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
€ 116,75 aan proceskosten moet vergoeden en de Staat € 116,75. Het griffierecht krijgt eiseres niet terug, omdat de redelijke termijn na 31 mei 2024 is overschreden. [3]
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van € 375,- schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van € 1.125,- schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan eiser;
- veroordeelt de Staat tot een betaling van € 116,75 aan proceskosten aan eiser;
mr.D. Burggraaf, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.