ECLI:NL:RBMNE:2026:3347

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/5865
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep tegen besluit UWV

Verzoeker stelde op 9 oktober 2025 beroep in tegen een besluit van 29 augustus 2025 van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Op 6 november 2025 nam het UWV een nieuw besluit waarin het eerdere besluit werd herzien. Vervolgens trok verzoeker het beroep in en vroeg vergoeding van zijn proceskosten.

De rechtbank beoordeelde het verzoek zonder zitting, omdat voldoende informatie beschikbaar was. Op grond van de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht kan de rechtbank proceskosten toewijzen als het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoet is gekomen.

Verweerder had geen bezwaar tegen vergoeding van de proceskosten. De rechtbank kende op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht een bedrag van € 934 toe voor de bijstand door een gemachtigde. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van € 53 rechtstreeks door verweerder aan verzoeker moet worden vergoed. De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van € 934 aan verzoeker.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 934 aan proceskosten aan verzoeker na intrekking van het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5865

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. N. Velthorst),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 9 oktober 2025 beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaren van
29 augustus 2025.
Op 6 november 2025 heeft verweerder een nieuw besluit genomen waarin hij de beslissing van 29 augustus 2025 heeft herzien.
Verzoeker heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.
Verweerder heeft op 9 december 2025 gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoeker te betalen.
4. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-). bij wegingsfactor 1 wordt dus € 934,- toegekend.
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoeker zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van J.B. Overtoom, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.