ECLI:NL:RBMNE:2026:3391

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/1552
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Verzoeker heeft op 23 februari 2026 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen een besluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 17 februari 2026. De voorzieningenrechter heeft partijen niet uitgenodigd voor een zitting omdat het griffierecht van €397,- niet is betaald, wat een vereiste is volgens artikel 8:82 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft verzoeker op 7 maart 2026 per aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht binnen twee weken, met de waarschuwing dat bij niet-betaling het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Deze brief is op 25 maart 2026 door verzoeker ontvangen. Ondanks deze kennisgeving is het griffierecht niet voldaan en heeft verzoeker geen geldige reden opgegeven voor het uitblijven van betaling.

Daarom heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet inhoudelijk behandeld en het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1552

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [plaats] , verzoeker,

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om een voorlopige voorziening van 23 februari 2026 tegen het besluit van verweerder van 17 februari 2026.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Verzoeker heeft namelijk het griffierecht niet betaald, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:82, eerste lid, van de Awb. In dit geval is het griffierecht € 397,-.
3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoeker niets aan kan doen.
4. De rechtbank heeft verzoeker op 7 maart 2026 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat verzoeker het griffierecht uiterlijk binnen twee weken, of als de zitting eerder is, uiterlijk voorafgaande aan de zitting moet betalen aan de rechtbank. Ook staat in deze brief dat de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk kan verklaren als verzoeker het griffierecht niet of niet op tijd betaald. Deze brief is volgens de track and trace afgehaald bij een PostNL-punt waarbij voor ontvangst is getekend op 25 maart 2026.
5. De rechtbank heeft het bedrag niet ontvangen. Verzoeker heeft daar geen reden voor gegeven.
6. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening niet inhoudelijk behandelen. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Van een proceskostenvergoeding is geen sprake.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van
J.B. Overtoom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.