Verzoekster heeft op 4 maart 2026 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen een besluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 17 februari 2026. De voorzieningenrechter heeft partijen niet uitgenodigd voor een zitting omdat dit niet noodzakelijk was volgens artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Volgens artikel 8:82, eerste lid, Awb moet bij een verzoek om voorlopige voorziening griffierecht worden betaald. In deze zaak bedroeg het griffierecht € 397,-. Verzoekster heeft dit griffierecht niet betaald, ondanks een aangetekende brief van de rechtbank van 12 maart 2026 waarin zij werd gewezen op de betalingstermijn en de gevolgen van niet-betaling.
De rechtbank heeft het griffierecht niet ontvangen en verzoekster heeft geen geldige reden opgegeven voor het niet betalen. Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening niet inhoudelijk behandeld en als kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.