ECLI:NL:RBMNE:2026:3411

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/2599
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens tijdige beslissing bezwaar

Verzoekster heeft op 2 april 2026 beroep ingesteld tegen de Dienst Toeslagen omdat zij meende dat haar bezwaar van 6 november 2024 niet tijdig was beslist. Tijdens de procedure bereikten partijen overeenstemming waardoor het procesbelang kwam te vervallen. Verzoekster trok daarop het beroep in en vroeg vergoeding van haar proceskosten.

De rechtbank beoordeelde het verzoek zonder zitting, gelet op de informatie in het dossier. Omdat verweerder niet op het verzoek tot vergoeding reageerde, leidde de rechtbank af dat verweerder geen bezwaar had tegen vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank stelde de proceskosten vast op €467,-, gebaseerd op het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van €54,- rechtstreeks door verweerder aan verzoekster moet worden vergoed. De uitspraak werd op 5 juni 2026 gedaan door rechter G. Schnitzler.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van €467,- aan proceskosten aan verzoekster na intrekking van het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2599

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] (Groot-Brittannië), verzoekster

(gemachtigde: mr. C.H. Bijvank),
en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van 2 april 2026 dat verzoekster heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 6 november 2024.
Na de indiening van het beroep hebben de partijen overeenstemming bereikt waarmee het procesbelang van het beroep is komen te vervallen.
Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van haar proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op
€ 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 54,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
J.B. Overtoom, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid
te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.