Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3416

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
C/16/604161 / JL RK 25-877
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens instabiele thuissituatie moeder

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die momenteel in een pleeggezin bij zijn tante woont. De moeder is belast met het ouderlijk gezag, maar kampt met verslavingsproblemen en is recentelijk meerdere keren teruggevallen in lachgasgebruik.

De gecertificeerde instelling (GI) handhaaft het verzoek tot verlenging omdat de moeder nog niet stabiel genoeg is om de zorg voor de minderjarige op zich te nemen. De moeder betwist dit en stelt dat zij betrouwbaar is in haar behandeling en dat de GI haar eisen steeds wijzigt. Zij pleit voor een kortere verlenging of terugplaatsing, mede om de hechting met haar kind te waarborgen.

De kinderrechter oordeelt dat de verlenging noodzakelijk is om de stabiliteit en veiligheid van de minderjarige te waarborgen. De moeder toont wel zelfinzicht en inzet in haar behandeling, maar de terugvallen en het ontbreken van een traumabehandeling maken terugplaatsing op dit moment onverantwoord. De machtiging wordt daarom met drie maanden verlengd, met het verzoek aan de GI om een concreet stappenplan te presenteren voor terugplaatsing. De beschikking is direct uitvoerbaar en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 20 augustus 2026 vanwege de instabiliteit van de thuissituatie van de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Almere
Zaaknummer: C/16/604161 / JL RK 25-877
Datum uitspraak: 19 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,
gevestigd te Almere,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Schiettekatte.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 20 februari 2027. Ook heeft de kinderrechter bij diezelfde beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 20 mei 2026 en het overige deel van het verzoek aangehouden. De kinderrechter moet nog beslissen over dit deel van het verzoek tot het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , te weten van 20 mei 2026 tot 20 februari 2027.
1.2.
Daarna heeft de kinderrechter op 6 mei 2026 de brief met bijlagen over de stand van zaken van de GI ontvangen.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door mr. M.S. Krol (waarnemend advocaat voor
mr. N. Schiettekatte);
  • [A.] en [B.] namens de GI;
  • [C.] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.4.
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing van de GI vervallen te verklaren (zaaknummer: C/16/608007 /
JL RK 26-150).

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont in een voorziening voor pleegzorg. Hij woont namelijk bij zijn tante van moederszijde (hierna: de tante).

3.De standpunten

De GI
3.1.
De GI heeft op de zitting het verzoek gehandhaafd. [minderjarige] heeft bij de tante de rust en stabiliteit die hij op dit moment nodig heeft. Aangezien er in het verleden meerdere hulpverleningstrajecten niet tot succes hebben geleid en vorig jaar een uithuisplaatsing in een crisispleeggezin is mislukt, is het van belang dat [minderjarige] op een gestructureerde plek woont. Voordat hij weer bij zijn moeder kan wonen, zal zij stabiel moeten zijn en alle omgangen na moeten komen. Hiervoor zal de moeder de behandeling voor haar verslaving moeten nakomen en zal er ook behandeling voor de onderliggende trauma’s moeten zijn. Op dit moment is van stabiliteit geen sprake. Weliswaar wordt de moeder behandeld door [behandelaar] , maar zij heeft tweemaal een terugval in lachgasgebruik gehad. Ook is er een incident geweest tijdens een omgangsweekend, waarbij moeder [minderjarige] te laat terugbracht naar zijn tante.
De moeder
3.2.
Namens en door de moeder is primair verzocht het verzoek af te wijzen en subsidiair het verzoek voor een kortere duur toe te wijzen en het restant af te wijzen. Volgens de moeder heeft de GI geen vertrouwen in haar. Bovendien wijzigen de eisen die de GI aan haar stelt steeds: eerst was het overmatig lachgasgebruik van de moeder de reden voor de uithuisplaatsing en traumabehandeling geen vereiste voor terugplaatsing, maar nu vindt de GI die traumabehandeling wel vereist. Bij de [behandelaar] , waar de moeder onder behandeling staat voor haar verslaving, wordt gezegd dat de moeder betrouwbaar in de behandeling is. Zij is namelijk open en eerlijk over wanneer zij een terugval – of: uitglijder, zoals [behandelaar] en de moeder het noemen - heeft gehad. Deze terugvallen worden juist veroorzaakt door de spanning rondom de uithuisplaatsing. Om deze spanning weg te nemen en de hechting van [minderjarige] met de moeder te waarborgen, is het belangrijk dat hij zo snel mogelijk weer bij zijn moeder kan wonen. Juist vanwege de betrouwbaarheid van de moeder die bij de [behandelaar] gezien wordt en de veiligheidskaders die binnen de lopende ondertoezichtstelling kunnen worden opgebouwd, moet dat mogelijk zijn.

4.De beoordeling

4.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] op dit moment nog noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter verlengt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van drie maanden, te weten tot 20 augustus 2026. Zij houdt de behandeling van het verzoek voor het overige – opnieuw - aan. Hierna legt zij uit waarom deze beslissing wordt genomen.
4.2.
Voor [minderjarige] is het vanwege zijn belaste verleden noodzakelijk dat hij woont op een plek waar hem stabiliteit, voorspelbaarheid en begrenzing wordt geboden. Op dit moment kan de tante dit aan hem bieden. De kinderrechter is er op dit moment niet van overtuigd dat de moeder dat nu ook aan hem kan bieden. De moeder is de afgelopen periode meerdere keren teruggevallen in haar middelengebruik. De kinderrechter vindt het voor de verslavingsbehandeling positief dat de moeder hier eerlijk over is en dus ook stappen zet in deze behandeling. Dat vergt moed en toont ook zelfinzicht aan. Tegelijkertijd leiden deze terugvallen er wel toe dat de thuissituatie op dit moment te onstabiel is voor [minderjarige] en dat de situatie in zekere zin slechter is dan tijdens de vorige aanhouding. Daarnaast vinden zowel de moeder als de GI het belangrijk dat de moeder zal beginnen aan traumabehandeling zodat ook aan de onderliggende oorzaken van de verslaving wordt gewerkt. Vooralsnog is er nog geen zicht op de start van deze behandeling, waardoor door de GI geen vertrouwen heeft in een terugplaatsing. Voor een succesvolle terugplaatsing is het belangrijk dat dit vertrouwen er wel is. De kinderrechter komt op grond van bovenstaande tot de conclusie dat de moeder op dit moment niet de stabiliteit kan bieden die [minderjarige] nodig heeft en is daardoor van oordeel dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is om deze stabiliteit voor [minderjarige] te waarborgen.
4.3.
De kinderrechter erkent – onder meer vanwege de jonge leeftijd van [minderjarige] – de zorgen van de moeder over de hechtingsrelatie tussen [minderjarige] en zijn moeder. Ook ziet de kinderrechter in dat [minderjarige] komende september vijf jaar oud wordt en er daardoor een schoolkeuze gemaakt zal moeten worden. Daarvoor is relevant waar [minderjarige] woont, want de tante en de moeder wonen niet in dezelfde plaats. Ook heeft de kinderrechter duidelijk gehoord dat de moeder houvast wil: zij heeft het gevoel dat het ‘doel beweegt’ en wil weten wat de GI van haar verwacht in het kader van aan thuisplaatsing. De kinderrechter snapt dit en verlengt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing voor een korte duur van drie maanden, namelijk tot 20 augustus 2026. Op die manier houdt de kinderrechter een vinger aan de pols. Een uithuisplaatsing moet namelijk niet langer duren dan nodig, in het bijzonder bij hele jonge kinderen. De kinderrechter verzoekt dan ook de GI om twee weken voor de zitting een concreet stappenplan te maken met voorwaarden waar de moeder aan moet voldoen voor een thuisplaatsing. Ook wil de kinderrechter dan graag zoveel mogelijk actuele informatie over het verloop van de behandeling bij [behandelaar] en over de vraag of / wanneer de traumabehandeling kan starten.
4.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin tot 20 augustus 2026;
5.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 20 augustus 2026, tegen welke zitting de GI en de moeder dienen te worden opgeroepen;
5.3.
verzoekt de GI de kinderrechter
uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen zittingte informeren over de actuele stand van zaken, inclusief een concreet stappenplan waar de moeder aan moet voldoen voor een terugplaatsing;
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. J.M. Atema, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Mather als griffier, en op schrift gesteld op 1 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.