De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van vier minderjarige kinderen, vanwege huiselijk geweld en een onveilige thuissituatie. De vader mishandelde twee van de kinderen met een houten snijplank, waarbij de moeder niet ingreep. De kinderen zijn verspreid geplaatst in gezinshuizen en pleegzorg.
Tijdens de zitting erkenden de ouders de ernst van de situatie en stemden in met de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De moeder en vader willen therapie volgen en werken aan hun opvoedvaardigheden. De kinderrechter oordeelde dat de ondertoezichtstelling voor een jaar noodzakelijk is en machtigde de uithuisplaatsing van de oudste twee kinderen voor een jaar en de jongste twee voor zes maanden.
De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een opdracht aan de gecertificeerde instelling om een terugplaatsingsplan op te stellen bij eventuele verlenging. De rechter benadrukte het belang van een veilige, geweldloze omgeving en het herstellen van contact met de biologische vader voor de oudste kinderen.