ECLI:NL:RBMNE:2026:3424

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/3335
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.4 WooArt. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingebrekestelling bij Woo-verzoek

Eiseres diende op 20 februari 2026 een verzoek om informatie in op grond van de Wet open overheid (Woo). Verweerder bevestigde het verzoek en verlengde de beslistermijn met twee weken, waardoor de uiterste beslisdatum op 3 april 2026 lag.

Eiseres stelde verweerder op 17 maart 2026 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen, maar de rechtbank oordeelde dat deze ingebrekestelling prematuur was omdat de beslistermijn nog niet was verstreken. Er was geen bewijs dat de verlenging van de beslistermijn onrechtmatig was.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter I. Helmich op 16 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/3335

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.W. Verhoeven),
en

minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder

(gemachtigde: mr. O.K.N. Kumar).

Waar gaat deze zaak over?

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend op 12 mei 2026 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1] Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [2] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [3]
3. Eiseres heeft op 20 februari 2026 een verzoek om informatie op grond van de Woo (Woo-verzoek) ingediend. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op dat verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. Verweerder heeft het verzoek bevestigd en de beslistermijn verdaagd met twee weken op grond van artikel 4.4, tweede lid, van de Woo. Verweerder had dus uiterlijk 3 april 2026 moeten beslissen.
4. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder op 17 maart 2026 in gebreke heeft gesteld. De rechtbank stelt vast dat eiseres haar ingebrekestelling prematuur (te vroeg) heeft ingediend. De beslistermijn was namelijk toen nog niet overschreden. Anders dan eiseres stelt, is niet gebleken dat de verdaging van de beslistermijn ten onrechte heeft plaatsgevonden. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
3.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.