Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3427

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
16.015945-25 (P)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen gewapende overval en wapenbezit met toepassing jeugdstrafrecht

Op 14 januari 2025 pleegde verdachte samen met anderen een gewapende overval op een juwelier in Almere, waarbij (dummy)sieraden werden gestolen en geweld werd gebruikt tegen twee slachtoffers. Verdachte had een pistool bij zich, wat onder de Wet wapens en munitie valt. De rechtbank verklaarde deze feiten bewezen en oordeelde dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is vanwege een posttraumatische-stressstoornis, zwakbegaafdheid en bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling.

Hoewel deskundigen adviseerden het volwassenenstrafrecht toe te passen, besloot de rechtbank op grond van de persoonlijke omstandigheden en de twijfel over de leeftijd van verdachte het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank legde een jeugddetentie van 180 dagen op, waarvan 159 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 120 uur. De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht.

De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €12.021,35, waarvan de rechtbank €2.021,35 aan materiële schade en €7.500,- aan immateriële schade toekende. Verdachte en mededaders zijn hoofdelijk aansprakelijk. De rechtbank legde bijzondere voorwaarden op aan de voorwaardelijke straf, waaronder behandeling en toezicht door de reclassering. De werkstraf wordt vervangen door 60 dagen jeugddetentie indien niet uitgevoerd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot deels voorwaardelijke jeugddetentie van 180 dagen en een taakstraf van 120 uur met schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.015945-25 (P)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 juni 2026 in de strafzaak van:
[verdachte],
geboren op [2007] te [geboorteplaats] (Syrië),
wonende aan de [adres] , [woonplaats] ,
hierna: [verdachte] .

1.Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 26 mei 2026. Het onderzoek is gesloten op 9 juni 2026.
Op de zitting van 26 mei 2026 waren aanwezig:
  • [verdachte] ;
  • de officier van justitie: mr. S.K. Lanning;
  • de advocaat van [verdachte] : mr. R.B. Venema (hierna: de advocaat);
  • een jeugdreclasseerder van Samen Veilig Midden-Nederland;
  • de benadeelde partij [slachtoffer 1] , bijgestaan door een medewerker van Slachtofferhulp Nederland.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 14 januari 2025 in Almere samen met (een) ander(en) of alleen een gewapende overval heeft gepleegd op [juwelier] , waarbij (dummy)sieraden zijn gestolen en gebruik is gemaakt van (bedreiging met) geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door met een bedekt gezicht naar voornoemde personen te lopen, te zeggen ‘handen omhoog’ en ‘overval’, een voorwerp (dat op een vuurwapen leek) te tonen en op voornoemde personen te richten en [slachtoffer 1] bij haar pols te pakken;
feit 2
op 14 januari 2025 in Almere samen met (een) ander(en) of alleen een voorwerp dat op een wapen leek en voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een pistool, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat [verdachte] de feiten 1 en 2 heeft gepleegd.
3.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2.
3.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 en 2 zijn bewezen. [verdachte] bekent dat hij de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hieronder bewezen is verklaard. Door of namens [verdachte] is ook niet om vrijspraak van deze feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
- het in de wettelijke vorm opgemaakte
Proces-verbaal aangiftevan 16 januari 2025, genummerd PL0900-2025014170-44, opgemaakt door een verbalisant van politie Midden-Nederland, met daarin een verklaring van aangeefster [slachtoffer 1]
(einddossier: pagina’s 114-116);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte
Proces-verbaal van verhoor getuigevan 14 januari 2025, genummerd 250114-706-528, opgemaakt door een verbalisant van politie Midden-Nederland, met daarin een verklaring van [slachtoffer 2]
(einddossier: pagina’s 120-121);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte
Proces-verbaal van bevindingenvan 15 januari 2025, genummerd MD2R025008-22, opgemaakt door een verbalisant van politie Midden-Nederland, met daarin bevindingen van deze verbalisant
(einddossier: pagina’s 84-88);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte
Proces-verbaal van bevindingenvan 24 april 2025, genummerd PL0900-2025014170-98, opgemaakt door een verbalisant van politie Midden-Nederland, met daarin bevindingen van deze verbalisant
(einddossier: pagina’s 286-287);
- de bekennende verklaring van [verdachte] , afgelegd op de zitting van 26 mei 2026.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
feit 1
op 14 januari 2025 te Almere-Buiten tezamen en in vereniging met anderen (dummy)sieraden die aan de [juwelier] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door- met een bedekt gezicht op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] af te lopen,- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meermalen de woorden toe te voegen “handen omhoog” en “overval”,- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ,- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te richten op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , en- die [slachtoffer 1] bij haar pols vast te pakken;
feit 2
op 14 januari 2025 te Almere-Buiten tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon
vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een pistool van het merk Sig Sauer, model P225, heeft voorhanden gehad en gedragen.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2
medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
4.2
Strafbaarheid feiten
De feiten zijn strafbaar.
4.3
Strafbaarheid verdachte
Bij de beoordeling van de strafbaarheid van [verdachte] houdt de rechtbank rekening met:
  • een Pro Justitia rapport betreffende een psychiatrisch onderzoek naar de persoon van [verdachte] van 9 september 2025, opgemaakt door een kinder- en jeugdpsychiater;
  • een Pro Justitia rapport betreffende een psychologisch onderzoek naar de persoon van [verdachte] van 9 september 2025, opgemaakt door een GZ-psycholoog (kinder- en jeugdpsycholoog).
Uit beide rapporten volgt dat bij [verdachte] sprake is van een posttraumatische-stressstoornis, zwakbegaafdheid en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. In het psychiatrisch rapport wordt ook gesproken over emotieregulatieproblemen. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van de feiten en beïnvloedden op dat moment de gedragskeuzes en gedragingen van [verdachte] . In beide rapporten wordt geadviseerd om het tenlastegelegde, indien bewezen, verminderd aan [verdachte] toe te rekenen.
De rechtbank neemt de conclusies uit voornoemde rapporten op de in die rapporten aangevoerde gronden over en is, gelet daarop, van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan [verdachte] kunnen worden toegerekend.
[verdachte] is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

5.Straf

5.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 721 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 700 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met oplegging van algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering;
- een taakstraf van 240 uur, en als deze niet of niet naar behoren uitgevoerd wordt te vervangen door 120 dagen hechtenis.
5.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft bepleit om, in het geval van een veroordeling, [verdachte] overeenkomstig het jeugdstrafrecht te berechten en hem niet terug te sturen naar de (jeugd)gevangenis. Daartoe is gesteld dat [verdachte] nog maar zeer kort voor het incident de leeftijd van 18 jaar had bereikt en dat omstandigheden in zijn persoon aanleiding geven tot toepassing van het jeugdstrafrecht.
Verzocht is om aan [verdachte] een onvoorwaardelijke (jeugd)detentie op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest, in combinatie met een (flinke) voorwaardelijke straf. Als de rechtbank een taakstraf passend vindt, is [verdachte] bereid deze taakstraf te verrichten.
5.3
Oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
[verdachte] heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een juwelier in Almere. Deze overval vond plaats op klaarlichte dag, terwijl de winkel geopend was. Terwijl de medeverdachte van [verdachte] twee medewerkers van de winkel met een pistool bedreigde, heeft [verdachte] met fors geweld met een hamer vitrines stuk geslagen en uit deze vitrines een groot aantal (dummy)sieraden weggenomen. [verdachte] en zijn mededader zijn er vervolgens met de buit vandoor gegaan en hebben deze kort daarna overgedragen aan anderen, die de buit veilig moesten stellen. Naast het plegen van deze overval heeft [verdachte] zich ook (mede) schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van het pistool.
Deze overval, met het daarbij toegepaste geweld en de bedreiging met geweld, is voor de beide medewerkers van de winkel een uiterst angstige en traumatische ervaring geweest. De rechtbank vindt het bij de overval toegepaste geweld schokkend. Het getuigt van een volstrekte onverschilligheid ten opzichte van de belangen en gevoelens van de slachtoffers en het eigendom van anderen. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke gebeurtenissen een grote impact hebben op slachtoffers en kunnen leiden tot traumatische ervaringen met langdurige psychische gevolgen. Dat is ook precies wat namens een van de slachtoffers op zitting naar voren is gebracht. Dit slachtoffer ondervindt nog dagelijks de gevolgen van de overval. Zij kan nog altijd niet werken, is bang om naar buiten te gaan, heeft een posttraumatische stress-stoornis, lijdt aan herbelevingen en mist haar leven van voor de overval. Daarnaast veroorzaakt een dergelijke overval ook in het algemeen sterke gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Uit getuigenverklaringen in het dossier blijkt ook dat winkelende omstanders doodsbang zijn weggevlucht. Het ongecontroleerde bezit van een pistool brengt bovendien een onaanvaardbaar risico met zich mee voor de veiligheid van personen en ook dit versterkt in de samenleving bestaande gevoelens van angst en onveiligheid. De rechtbank vindt ook schokkend dat [verdachte] , ten tijde van de overval nog maar net 18 jaar oud, in samenwerking met een groepje voor hem volslagen onbekende mededaders, alleen uit eigen gewin, om snel en makkelijk aan geld te komen, deze gewapende overval heeft gepleegd. Dat [verdachte] op dat moment nauwelijks heeft nagedacht over de gevolgen van dit ernstige strafbare feit rekent de rechtbank [verdachte] aan.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
De rechtbank houdt ten aanzien van de persoon van [verdachte] rekening met:
  • een uittreksel Justitiële Documentatie (‘
  • de hiervoor onder 4.3 genoemde Pro Justitia rapporten betreffende een psychiatrisch en psychologisch onderzoek naar de persoon van [verdachte] , beide van 9 september 2025;
  • een reclasseringsrapport (advies) van Reclassering Nederland van 21 mei 2026;
  • een evaluatierapport van SAVE Jeugdbescherming ten behoeve van de strafzitting (strafadvies) van 22 mei 2026;
  • hetgeen door de jeugdreclasseerder van SAVE op zitting naar voren is gebracht;
  • de proceshouding van [verdachte] .
Uit het strafblad van [verdachte] blijkt dat hij weliswaar eerder is veroordeeld en strafbeschikkingen heeft ontvangen, maar niet voor soortgelijke feiten als waarvoor hij in dit vonnis wordt veroordeeld.
Uit de Pro Justitia rapporten van 9 september 2025 volgt dat bij [verdachte] sprake is van stoornissen zoals omschreven in paragraaf 4.3. Zoals in die paragraaf is gemotiveerd, neemt de rechtbank de conclusies van de psychiater en de psycholoog betreffende de verminderde toerekenbaarheid van de feiten aan [verdachte] over en de rechtbank houdt daarmee ook rekening bij het bepalen van de straf en de strafmaat.
De psychiater schat de kans op recidive bij gelijkblijvende omstandigheden en zonder interventies in als matig. De voornaamste zorgpunten zijn het zeer beperkte netwerk van [verdachte] , de vermijdende coping in combinatie met emotieregulatieproblemen, het ontbreken van toekomstperspectief en het ontbreken van gedragsverandering en aangaan van behandeling. Er is te beperkt zicht op de interne belevingswereld van [verdachte] en is er geen affectieve ondersteuning. [verdachte] heeft behoudens zijn werk en sporten niets. Er moet meer aandacht zijn voor de ontwikkeling van [verdachte] , maar ook zal hij begeleid moeten worden in het zoeken van een balans in zijn leven. Verder is belangrijk dat [verdachte] forensische psychologische behandeling krijgt, gericht op het doorbreken van de scheefgroei van zijn persoonlijkheidsontwikkeling, het behandelen van zijn trauma’s en het verbeteren van zijn emotieregulatieproblemen. Geadviseerd wordt om dit, met toepassing van het strafrecht voor volwassenen, vorm te geven binnen een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.
De psycholoog vindt de kans op recidive moeilijk in te schatten. Er zijn diverse factoren waar onvoldoende zicht op is, terwijl de zorgen over de persoonlijkheidsontwikkeling en de psychische gesteldheid van [verdachte] onverminderd groot zijn. [verdachte] is een getraumatiseerde adolescent met een beperkte emotieregulatie in combinatie met een zeer geïsoleerd leven waarin hij afstand heeft genomen van zijn familie en waarbij hij zich heeft ontwikkeld als een wantrouwig en getraumatiseerd persoon bij wie het ontbreekt aan copingvaardigheden om met stress, emoties en spanningen om te gaan. Bovendien heeft hij geen steunend netwerk en beschikt hij over een beperkt inzicht en een beperkt mentaliserend vermogen.
Toepassing van het meerderjarigenstrafrecht is het meest passend. Geadviseerd worden een traumagerelateerde therapie en een aanvullende therapie waarbij [verdachte] zijn emoties leert te reguleren (adequatere coping) en zijn gedachten- en (rigide) denkpatronen kan leren omzetten in meer opbouwende gedachten met als doel om een positiever en reëler zelfbeeld en houding naar zichzelf en zijn omgeving aan te nemen. Het advies is om behandeling op te leggen in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke detentie.
Reclassering Nederland schat het risico op recidive in als gemiddeld. In het rapport van 21 mei 2026 wordt gesignaleerd dat sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis van [verdachte] de jeugdreclassering en [instelling] tevreden zijn over zijn inzet. [verdachte] laat positieve stappen zien en op sociaal-maatschappelijk gebied en lijkt zijn leven goed in te vullen. De reclassering is van mening dat dit bekrachtigd moet worden. Geadviseerd wordt, met toepassing van het volwassenenstrafrecht, een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met bijzondere voorwaarden om [verdachte] de kans te bieden de huidig ingezette koers met begeleiding en ambulante behandeling te continueren.
Uit het rapport van SAVE van 22 mei 2026 en de door de jeugdreclasseerder op zitting gegeven toelichting blijkt onder meer het volgende. [verdachte] woont in een begeleid woonproject van [instelling] in Hilversum en werkt zes dagen per week bij een broodjeszaak. Hij sport en heeft een serieuze relatie met zijn vriendin. [verdachte] heeft zich tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis netjes gehouden aan alle voorwaarden en afspraken met de jeugdreclassering en aan de regels van de woongroep. Het advies is om een deels voorwaardelijke straf op te leggen met een aantal bijzondere voorwaarden. De jeugdreclassering volgt het advies van het NIFP betreffende toezicht door de volwassenreclassering (Reclassering Nederland). Wat betreft het toepassen van het
volwassenenstrafrecht neemt SAVE geen standpunt in. Belangrijk is dat een deels voorwaardelijke straf met voorwaarden wordt opgelegd en dat [verdachte] niet opnieuw de gevangenis in hoeft; welk strafrecht daarbij wordt toegepast is minder van belang.
[verdachte] heeft op zitting spijt betuigd van hetgeen hij heeft gedaan en hij heeft verklaard te begrijpen wat hij de slachtoffers heeft aangedaan. Hij heeft hiervoor aan de slachtoffers excuses willen aanbieden, maar de mediation waaraan hij wilde deelnemen heeft geen doorgang kunnen vinden omdat de slachtoffers dit niet wilden. De rechtbank waardeert de houding van [verdachte] in positieve zin en houdt hiermee rekening in zijn voordeel.
Toepassing jeugdstrafrecht
In voornoemde rapporten is door de verschillende deskundigen ingegaan op de vraag of toepassing zou moeten worden gegeven aan het jeugdstrafrecht of aan het volwassenenstrafrecht. De psychiater, de psycholoog en Reclassering Nederland adviseren toepassing van het volwassenenstrafrecht en alleen SAVE heeft ten aanzien van dit punt geen standpunt ingenomen. De rechtbank overweegt over deze vraag het volgende.
[verdachte] komt volwassen over, heeft een verantwoordelijke baan en werkt hard, beheert zijn eigen financiën en er is sprake van voldoende zelfzorg en planningsvaardigheden. Dit schetst een beeld van een jongvolwassene die zijn leven op orde heeft en alles zelf regelt.
Er bestaan echter twijfels over de leeftijd van [verdachte] . Volgens zijn in Nederland geregistreerde leeftijd was [verdachte] ten tijde van het plegen van de overval nét (twee weken) 18 jaar, maar mogelijk was hij op dat moment nog 17 jaar oud. Uit de rapporten van de psychiater en de psycholoog blijkt dat bij [verdachte] sprake is van laagbegaafdheid en van een sociaal emotionele achterstand, dat twijfels bestaan over de mate waarin hij zijn handelen daadwerkelijk kan overzien en begrijpen en bovendien dat een neiging tot overvraging bestaat bij [verdachte] . Hiermee komt een beeld naar voren van een zwakbegaafde adolescent met een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling.
Met name gelet op laatstgenoemde overwegingen acht de rechtbank toepassing van het jeugdstrafrecht passend en geboden. De rechtbank oordeelt daarom anders dan voornoemde deskundigen en zal [verdachte] berechten overeenkomstig de bepalingen van het jeugdstrafrecht.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf en de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn gepleegd en de persoon van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden, zoals ter terechtzitting is gebleken en hiervoor is omschreven. De rechtbank heeft ook gelet op wat door rechters in min of meer vergelijkbare strafzaken is opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de bewezen feiten, in beginsel oplegging van een (forse) onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats is. De rechtbank ziet echter aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en aan [verdachte] geen straf op te leggen die zou betekenen dat hij opnieuw naar de (jeugd)gevangenis moet gaan. Uit de rapporten van Reclassering Nederland en SAVE blijkt dat de huidige begeleiding en toezicht door de jeugdreclassering van SAVE goed verloopt, dat [verdachte] zich netjes houdt aan alle voorwaarden en afspraken en ook dat het verblijf bij [instelling] in [woonplaats] goed gaat. De psychiater en de psycholoog hebben gerapporteerd dat, om de kans op recidive te verlagen en de ontwikkeling van [verdachte] positief te beïnvloeden, behandeling (in een ambulant kader) in de vorm van therapie(ën) dringend gewenst zijn.
De rechtbank vindt het belangrijk dat de huidige positieve ontwikkeling wordt voortgezet en dat (daarom) de begeleiding en het toezicht door de jeugdreclassering van SAVE - die goed verlopen - en het verblijf van [verdachte] bij [instelling] in [woonplaats] worden gecontinueerd. Daarnaast vindt de rechtbank het belangrijk dat (ambulante) behandeling van [verdachte] zal plaatsvinden, met name gericht op zijn delictgedrag, traumagerelateerde klachten en emotieregulatieproblematiek.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan [verdachte] een jeugddetentie opleggen van 180 dagen, waarvan 159 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal op de op te leggen jeugddetentie in mindering worden gebracht. Het voorwaardelijke strafdeel geldt als stok achter de deur om [verdachte] ervan te weerhouden opnieuw een (soortgelijk) strafbaar feit te plegen. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de (bijzondere) voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door Reclassering Nederland en SAVE.
De rechtbank is van oordeel dat voornoemde straf nog onvoldoende recht doet aan het strafdoel ‘vergelding’ voor het plegen van de bewezen feiten. Deze feiten zijn daarvoor te ernstig. Daarom zal aan [verdachte] ook een taakstraf worden opgelegd in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uur. Indien [verdachte] deze werkstraf niet of niet naar behoren verricht, zal deze worden vervangen door een jeugddetentie van 60 dagen. De rechtbank gaat er echter van uit dat [verdachte] de werkstraf goed en volledig zal uitvoeren.

6.Beslag

6.1
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft gesteld dat nog beslag rust op een ketting, schoenen en een telefoon van [verdachte] . De advocaat heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft een beslissing ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen.
6.2
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de inbeslaggenomen kleding van [verdachte] aan hem terug te geven. Over de door de advocaat genoemde telefoon heeft de officier van justitie zich niet uitgelaten.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Uit het dossier blijkt dat onder [verdachte] meerdere voorwerpen in beslag zijn genomen, waaronder:
een ketting, voorwerpnummer PL0900-2025014170-3468556 (einddossier pagina’s 339 en 360);
schoenen, voorwerpnummer PL0900-2025014170-3467365 (pagina’s 339 en 347).
De rechtbank zal bepalen dat de inbeslaggenomen ketting en schoenen worden teruggegeven aan [verdachte] , omdat deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.
Uit het dossier blijkt niet dat beslag is gelegd op een telefoon van [verdachte] . De rechtbank zal zich daarom onthouden van een beslissing ten aanzien van dit door de advocaat genoemde voorwerp.

7.Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]

7.1
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 12.021,35, bestaande uit € 2.021,35 ter vergoeding van materiële schade en € 10.000,- ter vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De benadeelde partij heeft gesteld dat de gewapende overval is gepleegd door meerdere personen en verzoekt daarom [verdachte] en de medeverdachte(n) hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het toe te wijzen bedrag. Ook is verzocht te het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen. De officier van justitie heeft gevorderd dit bedrag hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft de vordering ten aanzien van de materiële schade niet weersproken. Hij heeft bepleit een eventueel toe te wijzen vergoeding voor immateriële schade te matigen tot hoogstens € 2.500,- en de benadeelde partij wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
7.4
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd en door/namens [verdachte] niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag van € 2.021,35. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 aanhef Pro en sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in de eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door [verdachte] onder 1 gepleegde feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op soortgelijke zaken is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 7.500,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Wettelijke rente
De vergoeding van de materiële schade van € 2.021,35 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de vordering tot de dag dat deze schadevergoeding volledig is betaald. De vergoeding van de immateriële schade van € 7.500,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2025, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat deze schadevergoeding volledig is betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die (grotendeels) ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding (grotendeels) wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 9.521,35 aan de Staat moet betalen.
Hoofdelijk aansprakelijk
Als op twee of meer personen een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade rust, dan zijn zij op grond van artikel 6:102, lid 1 BW ‘hoofdelijk verbonden’ (samen aansprakelijk). De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van dit wettelijk uitgangspunt.
Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend (feit 1) samen met anderen (de mededaders) heeft gepleegd, zijn [verdachte] en deze mededaders daarvoor hoofdelijk aansprakelijk. Voor zover (een van) de mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en beslissingen op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht;
  • 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat [verdachte] de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
Strafbaarheid feiten
- verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
Strafbaarheid verdachte
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;
Straf
- veroordeelt [verdachte] tot een
jeugddetentie van 180 (honderdtachtig) dagen;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van
159 (honderdnegenenvijftig) dagenniet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een
proeftijd van 2 (twee) jaarvast;
- als algemene voorwaarden gelden dat [verdachte] :
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd:
*
meldplicht bij de (jeugd)reclassering:
zich zal melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak geldt dat [verdachte] zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan zal melden bij de reclassering op het adres Zwarte Woud 2 in Utrecht;
*
ambulante behandeling:
zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start na aanmelding door de toezichthouder. De zorgverlener bepaalt de wijze van
behandeling en de behandeling zal gericht zijn op delictgedrag, traumagerelateerde klachten en emotieregulatieproblematiek;
*
verblijf bij begeleid wonen of maatschappelijke opvang:
zal verblijven bij [instelling] op de [adres] te [woonplaats] of bij een soortgelijke instelling voor begeleid/beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf zal duren gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. [verdachte] zal zich houden aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
*
dagbesteding:
zal zich inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk en het volgen van een opleiding, met een vaste structuur;
- waarbij de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland te Utrecht opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een
  • beveelt dat, voor het geval [verdachte] de werkstraf niet of niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;
Voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;
Beslag
- gelast de
teruggave aan [verdachte]van de volgende voorwerpen:
  • een ketting, voorwerpnummer PL0900-2025014170-3468556;
  • schoenen, voorwerpnummer PL0900-2025014170-3467365;
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1](feit 1)
  • wijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 9.521,35, bestaande uit € 2.021,35 ter vergoeding van materiële schade en € 7.500,- ter vergoeding van immateriële schade;
  • veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 2.021,35 met ingang van 13 mei 2026 tot de dag van volledige betaling;
- over een bedrag van € 7.500,- met ingang van 14 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • verklaart [slachtoffer 1] wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt [verdachte] in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat een bedrag van € 9.521,35 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 2.021,25 met ingang van 13 mei 2026 tot de dag van volledige betaling;
- over een bedrag van € 7.500,- met ingang van 14 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, tevens kinderrechter, mr.
R.B. Eigeman en mr. drs. S.M. van Meer, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr.
F.R. Horst, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.
De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage: Tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij:
1
op of omstreeks 14 januari 2025 te Almere-Buiten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (dummy)sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [juwelier] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door- met een bedekt gezicht en een hand in/onder een tas op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] af te lopen,- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] meermalen de woorden toe te voegen “handen omhoog” en/of “overval”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te richten op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , en/of- die [slachtoffer 1] bij haar pols vast te pakken;
2
op of omstreeks 14 januari 2025 te Almere-Buiten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een pistool van het merk Sig Sauer, model P225, heeft voorhanden gehad en/of gedragen.