Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3432

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
10.274739-25 (P)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 55 Wet wapens en munitieArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voorbereiding moord en veroordeling voor bezit automatisch vuurwapen Uzi

De minderjarige verdachte werd beschuldigd van handelingen ter voorbereiding van moord, doodslag en het ter beschikking stellen of verhandelen van wapens en munitie, en van het bezit van een automatisch vuurwapen, een Uzi, met bijbehorende munitie. De rechtbank oordeelde dat het plan om op een woning te schieten niet is uitgevoerd en dat er geen sprake was van vrijwillige terugtred, omdat de verdachte het wapen niet had achtergelaten en werd aangehouden door de politie.

De rechtbank concludeerde dat de voorbereidingshandelingen niet gericht waren op moord of doodslag, noch op het verhandelen van wapens. Er was geen bewijs van voorbedachte rade of voorwaardelijk opzet op de dood van een bewoner, mede omdat het schieten op een donkere woning in de nacht eerder een bedreigende boodschap zou zijn geweest. Daarom werd verdachte vrijgesproken van feit 1.

Voor feit 2, het bezit van het automatisch vuurwapen en munitie, werd verdachte schuldig bevonden. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de samenleving, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn jonge leeftijd, motivatie en recidiverisico. De opgelegde straf bestond uit 115 dagen jeugddetentie waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf in de vorm van een 50-uur durende leerstraf (So-Cool verlengd).

De in beslag genomen telefoon werd teruggegeven, het wapen werd onttrokken aan het verkeer. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd afgewezen wegens de vrijspraak van feit 1. De rechtbank legde diverse algemene en bijzondere voorwaarden op aan de verdachte tijdens de proeftijd, waaronder toezicht door de jeugdreclassering en het onderhouden van een positieve dagbesteding.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van voorbereiding moord en veroordeeld tot gedeeltelijke voorwaardelijke jeugddetentie en leerstraf voor bezit automatisch vuurwapen Uzi.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 10.274739-25 (P)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 juni 2026 in de strafzaak van:
[verdachte],
geboren op [2009] in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [woonplaats] ,
hierna: [verdachte] .

1.Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 19 mei 2026. Het onderzoek is gesloten op 9 juni 2026.
Op de zitting van 19 mei 2026 waren aanwezig:
  • [verdachte] ;
  • de officier van justitie: mr. S.K. Lanning;
  • de advocaat van [verdachte] : mr. R. Haze (hierna: de advocaat);
  • de moeder van [verdachte] : [A] ;
  • de jeugdreclasseerder van Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: SAVE);
  • de raadsonderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
  • de ambulant begeleider van Nova Forte;
  • de advocaat van de benadeelde partij [slachtoffer] : mr. N. Amine.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
feit 1
in de periode van 14 tot en met 16 oktober 2025 in Rotterdam, Amsterdam en/of Almere samen met (een) ander(en) ter voorbereiding van de misdrijven moord, doodslag en/of het ter beschikking stellen en/of verhandelen van wapens en munitie, met opzet telefoons en/of een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad;
feit 2
op 16 oktober 2025 in Rotterdam, Amsterdam en/of Almere samen met (een) ander(en) of alleen een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, een UZI met kaliber 9x19 mm, en bijbehorende kogelpatronen met hetzelfde kaliber, voorhanden heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat [verdachte] de feiten 1 en 2 heeft gepleegd.
3.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft ten aanzien van feit 1 bepleit om [verdachte] te ontslaan van alle rechtsvervolging omdat sprake is geweest van vrijwillige terugtred. Dit verweer wordt hieronder besproken in paragraaf 3.3.1. De advocaat heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van een bewezenverklaring van feit 2.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Vrijwillige terugtred?
De advocaat heeft het verweer gevoerd dat bij feit 1 sprake is geweest van vrijwillige terugtred, omdat het een beslissing van [verdachte] zelf is geweest om (toch) niet te schieten op de woning.
Hoewel de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van vrijwillige terugtred strikt genomen thuishoort bij de bespreking in rubriek 4.2 hieronder, zal de rechtbank er nu al op ingaan omdat dit de leesbaarheid van dit vonnis verbetert.
Ter onderbouwing van het verweer heeft de advocaat het volgende aangevoerd.
[verdachte] heeft ingestemd met het verzoek van een voor hem onbekend persoon om, tegen betaling van een geldbedrag, op een woning in [woonplaats] te schieten. [verdachte] heeft het vuurwapen, dat later een Uzi bleek te zijn, in Amsterdam opgehaald en is vervolgens met een taxi naar [woonplaats] gereisd. Aangekomen in [woonplaats] is hij richting het portiek van de woning aan de [adres] gelopen. [verdachte] heeft zich op dat moment bedacht: hij heeft niet geschoten, maar hij is weggelopen en heeft even verderop een blikje cola gedronken. Hieruit volgt dat [verdachte] het plan om op de woning te schieten niet wilde doorzetten. Daarmee was sprake van vrijwillige terugtred. Na deze vrijwillige terugtred is [verdachte] door een politieagent gezien en aangehouden. Op het moment van zijn aanhouding had [verdachte] het wapen bij zich. Om problemen met zijn opdrachtgever(s) te voorkomen, had [verdachte] het wapen niet weggegooid.
De officier van justitie heeft gesteld dat het weglopen van het portiek onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van vrijwillige terugtred.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake is geweest van vrijwillige terugtred en overweegt daartoe het volgende.
Uit artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht volgt dat geen voorbereiding van (of poging tot) een misdrijf bestaat als het misdrijf niet is voltooid
‘ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk’. Ook bij een strafbare voorbereiding kan sprake zijn van vrijwillige terugtred, maar volgens de wetsgeschiedenis is daarvoor nodig dat de verdachte dan zelf ervoor zorgt ‘
dat het uitgesloten is dat met behulp van zijn voorbereidingshandelingen het aanvankelijk beoogde misdrijf nog begaan wordt.’ (Kamerstukken II, vergaderjaar 1990-91, 22268, nr. 3, p. 4.)
In deze zaak heeft [verdachte] zijn voorgenomen plan om op de woning aan de [adres] in [woonplaats] te schieten niet direct uitgevoerd, maar is hij weggelopen en heeft even verderop een blikje cola gedronken. [verdachte] was op dat moment nog in de nabijheid van de woning en in het bezit van het vuurwapen dat bestemd was om op de woning te schieten. Hij had zich niet van het vuurwapen ontdaan, hetgeen betekent dat hij de voorbereidingshandeling ‘
verwerven van een vuurwapen en munitie bestemd om een misdrijf te plegen’ niet ongedaan had gemaakt. Het was dan ook niet uitgesloten dat [verdachte] het voornemen om op de woning te schieten alsnog zou hebben uitgevoerd. Dat het uiteindelijk niet tot uitvoering van dit voornemen is gekomen, is niet te danken aan de wil van [verdachte] , maar aan de omstandigheid dat een politieagent [verdachte] heeft aangetroffen en aangehouden.
Het verweer wordt verworpen.
3.3.2
Voorbereidingshandelingen
Uit het dossier en de verklaring van [verdachte] op de zitting van 19 mei 2026 blijkt dat het de bedoeling was dat [verdachte] met een vuurwapen zou schieten op een raam of een deur van de woning aan de [adres] in [woonplaats] . In de nacht van 15 op 16 oktober 2025 is [verdachte] met een taxi naar [woonplaats] gereisd. Omstreeks 01.30 uur is hij voor het portiek van voornoemde woning uit de taxi gestapt. [verdachte] had op dat moment een rugtas bij zich, met daarin een Uzi bestemd om op de woning te schieten. Hij is richting het portiek gelopen, heeft kort voor het bellenpaneel gestaan en is vervolgens weggelopen.
Aan [verdachte] is tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen ter voorbereiding van (één van) de misdrijven moord, doodslag en/of het ter beschikking stellen en/of verhandelen van wapens en munitie. Dit betekent dat de tenlastegelegde (voorbereidings)handelingen, te weten: het voorhanden hebben van telefoons, een vuurwapen en munitie, gericht moeten zijn geweest op het plegen van (één van) deze misdrijven.
De rechtbank oordeelt dat de tenlastegelegde (voorbereidings)handelingen niet waren gericht op het plegen van moord. Het dossier bevat namelijk geen enkel bewijs dat bij [verdachte] sprake is geweest van voorbedachte rade om een persoon van het leven te beroven. Deze handelingen waren evenmin gericht op het ter beschikking stellen en/of verhandelen van (een) wapen(s) en munitie; het dossier bevat (ook) daarvoor geen enkele aanwijzing.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is geweest van handelingen ter voorbereiding van het misdrijf doodslag. De vraag is dan of, als [verdachte] in de richting van de woning zou hebben geschoten, dit gekwalificeerd had kunnen worden als doodslag of een poging daartoe. Als dit niet het geval is, kunnen ook de tenlastegelegde (hiervoor omschreven) handelingen niet worden gekwalificeerd als handelingen ter voorbereiding van dat misdrijf.
De rechtbank oordeelt dat geen bewijs aanwezig is dat bij [verdachte] sprake is geweest van de uitdrukkelijke bedoeling (vol opzet) om een persoon (een bewoner van voornoemde woning) van het leven te beroven. De omstandigheden duiden daar naar het oordeel van de rechtbank niet op; immers zou het schieten hebben plaatsgevonden omstreeks 01.30 uur ’s nachts, in de richting van een donkere woning, niet wetend of iemand in de woning aanwezig was en waar een mogelijk in de woning aanwezige persoon zich zou kunnen bevinden. Onder die omstandigheden zou het schieten op de woning naar het oordeel van de rechtbank eerder duiden op het afgeven van een bedreigende boodschap.
De vraag is vervolgens of sprake zou zijn geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van een bewoner van de woning aan de [adres] : of willens en wetens de aanmerkelijke kans zou zijn aanvaard dat door het schieten op deze woning, een bewoner van de woning het leven zou laten. Het schieten met een vuurwapen, bij uitstek geschikt om iemand mee te doden, kan onder omstandigheden een aanmerkelijke kans op de dood met zich meebrengen. Het is evenwel vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het bestaan van een aanmerkelijke kans empirisch moet worden benaderd. Het moet gaan om een feitelijk aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, in dit geval de dood van een bewoner van voornoemde woning. Daarbij mogen de aard van het risico en het gevaarzettende karakter van de gedraging geen indicator vormen.
In het licht van deze vaste jurisprudentie komt de rechtbank tot de conclusie dat, als onder voornoemde omstandigheden op de woning zou zijn geschoten, er geen feitelijk aanmerkelijke kans bestond op de dood van een bewoner van deze woning. Uit het dossier blijkt namelijk niet of in de nacht van 15 op 16 oktober 2025 omstreeks 01.30 uur ’s nachts iemand in de woning aanwezig is geweest en is - als iemand in de woning aanwezig was geweest - evenmin gebleken waar deze persoon zich in de woning zou hebben bevonden. Gelet hierop kan de rechtbank niet vaststellen dat, als op de woning zou zijn geschoten, een aanmerkelijke kans op de dood van een in die woning aanwezige persoon zou hebben bestaan, waardoor voorwaardelijk opzet op de dood niet kan worden aangenomen.
Het voorgaande leidt ertoe dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.
3.3.3
Bewijsmiddelen feit 2
[verdachte] bekent dat hij feit 2 heeft gepleegd, zoals hieronder bewezen is verklaard. Door of namens [verdachte] is ook niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
- het in de wettelijke vorm opgemaakte
Proces-verbaal van bevindingenvan 16 oktober 2025, genummerd PL1700-2025358082-7, opgemaakt door een verbalisant van politie Rotterdam, met daarin bevindingen van deze verbalisant
(procesdossier: pagina’s 4-5);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte
Proces-verbaal onderzoek vuurwapen en munitievan 23 oktober 2025, met bijlagen, genummerd PL1700-2025358082-47, opgemaakt door een verbalisant van politie Rotterdam, met daarin bevindingen van deze verbalisant
(procesdossier: pagina’s 18-19 en 21-22);
- de bekennende verklaring van [verdachte] , afgelegd op de zitting van 19 mei 2026.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
feit 2
op of omstreeks 16 oktober 2025 te Rotterdam en Amsterdam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie Pro II onder 2º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk IMI model Uzi kaliber 9x19mm en (bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder Pro 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van Pro de Wet wapens en munitie, van categorie III, te weten meerdere kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm, voorhanden heeft gehad.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
feit 2
ten aanzien van het wapen:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II onderdeel 2°;
ten aanzien van de munitie:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
4.2
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit is strafbaar en [verdachte] is strafbaar.

5.Straf

5.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:
- een jeugddetentie van 115 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met oplegging van algemene voorwaarden en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming;
- een taakstraf in de vorm van een leerstaf, te weten de gedragsinterventie So-Cool (uitgebreid) van 50 uren.
5.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft bepleit om, in het geval van een veroordeling, aan [verdachte] een gedeeltelijk voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, in die zin dat [verdachte] niet terug hoeft in detentie. Zij heeft voorts gesteld dat het opleggen van een taakstraf in de vorm van een leerstaf So-Cool in het belang is van [verdachte] .
5.3
Oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen met bijbehorende munitie. Hij is met dit vuurwapen, een Uzi met daarin scherpe patronen, naar een woning in [woonplaats] gegaan, met de intentie om op deze woning te schieten. Dat midden in de nacht een man voor de woning stond met een Uzi, met het voornemen om op de woning te schieten, heeft sterke gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de bewoner van deze woning en zijn gezin. De woning is zelfs op last van de burgemeester gesloten geweest en het gezin moest op een veilige plaats elders worden ondergebracht. Bovendien brengt ook in het algemeen het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen en munitie een onaanvaardbaar risico met zich mee voor de veiligheid van personen en versterkt dit in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid. [verdachte] zegt geen idee te hebben gehad wie zijn opdrachtgevers waren en waarom op de woning moest worden geschoten. Hij deed het alleen om aan geld te komen. Hij is dus puur uit zijn eigen behoefte aan snel geld, met een geladen volautomatisch vuurwapen op pad gegaan om een zeer ernstig strafbaar feit te gaan plegen. De rechtbank vindt het schokkend dat een zo jonge jongen zich hiermee zo makkelijk heeft ingelaten en rekent dit [verdachte] aan.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
De rechtbank houdt rekening met de volgende stukken betreffende [verdachte] :
  • een uittreksel Justitiële Documentatie (‘
  • een (niet gedateerde) rapportage van SAVE Jeugdreclassering (hierna: SAVE);
  • een adviesrapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 22 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van [verdachte] , waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Volgens SAVE zijn beschermende factoren aanwezig zijn: de goede band van [verdachte] met zijn familie en het goede verloop van zijn opleiding. Het is zorgelijk dat [verdachte] beïnvloedbaar is en dat er onvoldoende zicht bestaat op zijn (online) netwerk. Als [verdachte] geen afstand neemt van zijn huidige online contacten en/of vrienden die een verkeerde invloed hebben en hier geen weerstand tegen kan bieden, kan hij recidiveren. Als er niets verandert in de situatie van [verdachte] , en er geen goed zicht komt op hem en hij de geboden hulp niet aangrijpt, zal hij bedreigd worden in zijn ontwikkeling en bestaat de mogelijkheid dat hij afglijdt in het criminele circuit.
De Raad vindt het van belang dat [verdachte] de huidige positieve lijn vasthoudt en zich focust op school en sport. [verdachte] is gemotiveerd voor school, staat open voor hulp, wil afstand houden van vrienden die geen positieve en slimme dingen doen en heeft een duidelijk toekomstplan.
Het is belangrijk dat meer zicht komt op de schoolgang van [verdachte] , dat hij zijn weerstand tegen vrienden met antisociaal gedrag vasthoudt en zijn ouders of Nova Forte Zorg op tijd inschakelt en om hulp vraagt. Het recidiverisico komt uit op gemiddeld tot (zeer) laag.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de hiervoor genoemde aard en ernst van het bewezen verklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan. De rechtbank houdt ook rekening met de persoon van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden zoals hiervoor omschreven.
De rechtbank vindt dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andere of minder zware straf dan een jeugddetentie. Een lichtere strafrechtelijke afdoening zou de aard en de ernst van het bewezen feit miskennen. De rechtbank vindt het niet nodig dat [verdachte] opnieuw vast komt te zitten. Wel zal [verdachte] een leerstraf moeten uitvoeren.
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt (jeugd) voor het voorhanden hebben van een vuurwapen is een jeugddetentie van 6 weken. De rechtbank ziet redenen om deze straf flink te verhogen, omdat het om een
automatischvuurwapen ging met daarin scherpe patronen en [verdachte] bovendien het plan had om met dit wapen op een woning te schieten.
Uit voornoemde rapporten blijkt dat het op zich goed gaat met [verdachte] , maar dat er ook zorgen bestaan en dat hulpverlening gewenst is. De rechtbank vindt het belangrijk dat de huidige (voorzichtig) positieve lijn wordt vastgehouden en ziet daarin aanleiding een straf op te leggen die betekent dat [verdachte] niet alsnog naar de (jeugd)gevangenis zal moeten.
Alles overwegend oordeelt de rechtbank dat het passend en geboden is om aan [verdachte] een jeugddetentie op te leggen voor de duur van 115 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal op de op te leggen jeugddetentie in mindering worden gebracht.
Het voorwaardelijke strafdeel dient mede als stok achter de deur om [verdachte] ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen. Aan dit voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de (bijzondere) voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de Raad en SAVE.
Naast de jeugddetentie zal aan [verdachte] ook een taakstraf in de vorm van een leerstraf worden opgelegd, inhoudende dat [verdachte] de uitgebreide training So-Cool voor de duur van 50 uren moet volgen (So-Cool Verlengd).

6.Beslag

6.1
In beslag genomen voorwerpen
Volgens een ‘
Lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen’ van 29 april 2026 is onder [verdachte] beslag gelegd op:
- een wapen, voorwerpnummer 7039011.
Volgens het proces-verbaal van bevindingen van 22 oktober 2025, documentcode 2510191100.AMB (procesdossier pagina’s 31-32), is onder [verdachte] ook beslag gelegd op:
- een telefoon, Apple iPhone 16e, voorwerpnummer 7038999.
6.2
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd:
  • het wapen te onttrekken aan het verkeer;
  • de telefoon terug te geven aan [verdachte] .
6.3
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft zich niet uitgelaten over het beslag.
6.4
Oordeel van de rechtbank
Teruggave aan [verdachte]
De rechtbank zal bepalen dat de in beslag genomen telefoon wordt teruggegeven aan [verdachte] , omdat dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank zal gelasten dat het in beslag genomen wapen wordt onttrokken aan het verkeer. Het bewezen verklaarde feit is met betrekking tot, althans met behulp van dit voorwerp begaan. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

7.Vordering benadeelde partij

7.1
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 16.527,22, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Het gevorderde bedrag bestaat uit € 527,22 ter vergoeding van materiële schade en € 16.000,- ter vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
7.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 12.527,22, bestaande uit € 527,22 ter vergoeding van materiële schade en € 12.000,- ter vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De officier van justitie heeft gevorderd dit bedrag hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Zij heeft gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering wat betreft het meer gevorderde.
7.3
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft, gelet op de bepleite vrijspraak van feit 1, primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal [verdachte] vrijspreken van feit 1. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering, zal de rechtbank de kosten compenseren, in die zin dat de benadeelde partij en [verdachte] ieder hun eigen kosten dragen.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en beslissingen op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • 36b, 36c, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 77aa van het Wetboek van Strafrecht;
  • 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart feit 1 niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
Bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat [verdachte] feit 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
Strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
Strafbaarheid verdachte
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het onder 2 bewezenverklaarde;
Straf
- veroordeelt [verdachte] tot een
jeugddetentie van 115 (honderdvijftien) dagen;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van
100 (honderd) dagenniet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een
proeftijd van 2 (twee) jarenvast;
- als algemene voorwaarden gelden dat [verdachte] :
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat gedurende de proeftijd:
*
begeleiding door de jeugdreclassering:
[verdachte] meewerkt aan de hulp en begeleiding vanuit Nova Forte Zorg en/of soortgelijke instelling, indien en zo lang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
*
ambulante behandeling:
[verdachte] meewerkt aan een ambulante behandeling, indien en zo lang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
*
contactverbod:
[verdachte] op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [2009] in [geboorteplaats] , wonende in [woonplaats] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
*
dagbesteding:
[verdachte] meewerkt aan een positieve dagbesteding in de vorm van school of werk en zijn rooster volgt, indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt;
*
vrijetijdsbesteding:
[verdachte] meewerkt aan (het vinden en behouden van) een positieve vrijetijdsbesteding, zoals een sport of hobby;
*
geven van inzicht:
[verdachte] de jeugdreclassering inzicht geeft in zijn netwerk;
- waarbij de gecertificeerde instelling Samen Veilig te Flevoland opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een
leerstraf, te weten de gedragsinterventie So-Cool (verlengd) van 50 (vijftig) uren;
- beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, deze taakstraf wordt vervangen door
25 (vijfentwintig) dagen jeugddetentie;
Voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;
Beslag
- gelast de
teruggave aan [verdachte]van het in het proces-verbaal van bevindingen van 22 oktober 2025, documentcode 2510191100.AMB (procesdossier pagina’s 31-32) vermelde voorwerp, te weten:
* een telefoon, Apple iPhone 16e, voorwerpnummer 7038999;
- verklaart
onttrokken aan het verkeerhet op de ‘
Lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen’ van 29 april 2026 vermelde voorwerp, te weten:
* een wapen, voorwerpnummer 7039011;
Vordering benadeelde partij [slachtoffer](feit 1)
  • verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering;
  • compenseert de proceskosten van de benadeelde partij [slachtoffer] en [verdachte] , in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Meer, voorzitter, tevens kinderrechter, mr.
R.B. Eigeman en mr. J.F. Haeck, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: Tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij:
1
in of omstreeks de periode van 14 oktober 2025 tot en met 16 oktober 2025 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord en/of doodslag (als omschreven in artikel 289 en Pro 287 Wetboek van Strafrecht) en/of het zonder erkenning ter beschikking stellen aan een ander en/of het verhandelen van één of meer wapens van categorie II en munitie van categorie III, als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie,opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten- meerdere, althans een, mobiele telefoon(s) om met anderen te communiceren over dit strafbare feit en/of van/aan anderen instructies en/of informatie te krijgen en/of te verstrekken met betrekking tot dit strafbare feit en/of- een vuurwapen en/of (bijbehorende) munitie en/ofbestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
2
op of omstreeks 16 oktober 2025 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro II onder 2º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk IMI model Uzi kaliber 9x19mm en/of (bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder Pro 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van Pro de Wet wapens munitie, van de Categorie III te weten meerdere kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm voorhanden heeft gehad.