Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3434

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
16.015967-25 (P)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige voor medeplegen gewapende overval en wapenbezit met taakstraf en schadevergoeding

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 18 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een minderjarige verdachte die samen met anderen een gewapende overval pleegde op een juwelier in Almere op 14 januari 2025. De verdachte bedreigde twee medewerkers met een pistool en nam (dummy)sieraden weg. Daarnaast had hij het pistool bij zich.

De verdachte bekende de feiten en de rechtbank achtte deze bewezen. Gelet op een psychologisch rapport werd de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar geacht. De rechtbank hield rekening met zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder psychische stoornissen en het risico op recidive.

De rechtbank legde een taakstraf op van 140 uur werkstraf, waarvan 102 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een leerstraf van 40 uur in de vorm van de gedragsinterventie So-Cool. Tevens werd de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen: €2.021,35 materiële schade en €7.500,- immateriële schade, met wettelijke rente en hoofdelijk aansprakelijkheid.

De rechtbank benadrukte de ernst van het geweld en de impact op de slachtoffers, maar koos voor een straf die gericht is op begeleiding en recidivepreventie in plaats van jeugddetentie. De inbeslaggenomen jas werd teruggegeven aan de verdachte.

De uitspraak bevatte ook voorwaarden voor de proeftijd, waaronder medewerking aan begeleiding, behandeling en toezicht door de jeugdreclassering.

Uitkomst: Minderjarige veroordeeld tot taakstraf werk- en leerstraf en gedeeltelijke schadevergoeding voor medeplegen gewapende overval en wapenbezit.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.015967-25 (P)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 juni 2026 in de strafzaak van:
[verdachte],
geboren op [2010] in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] , [woonplaats] ,
hierna: [verdachte] .

1.Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 19 mei 2026. Het onderzoek is gesloten op 9 juni 2026.
Op de zitting van 19 mei 2026 waren aanwezig:
  • [verdachte] ;
  • de officier van justitie: mr. S.K. Lanning;
  • de advocaat van [verdachte] : mr. M.J.A. Beukers (hierna: de advocaat);
  • de moeder van [verdachte] : [A] ;
  • de jeugdreclasseerder van William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: WSJJ);
  • de raadsonderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
  • de benadeelde partij [slachtoffer 1] , bijgestaan door een medewerker van Slachtofferhulp Nederland.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 14 januari 2025 in Almere samen met (een) ander(en) of alleen een gewapende overval heeft gepleegd op [juwelier] , waarbij (dummy)sieraden zijn gestolen en gebruik is gemaakt van (bedreiging met) geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door met een bedekt gezicht naar voornoemde personen te lopen, te zeggen ‘handen omhoog’ en ‘overval’, een voorwerp (dat op een vuurwapen leek) te tonen en op voornoemde personen te richten en [slachtoffer 1] bij haar pols te pakken;
feit 2
op 14 januari 2025 in Almere samen met (een) ander(en) of alleen een voorwerp dat op een wapen leek en voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een pistool, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat [verdachte] de feiten 1 en 2 heeft gepleegd.
3.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2.
3.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 en 2 zijn bewezen. [verdachte] bekent dat hij de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hieronder bewezen is verklaard. Door of namens [verdachte] is ook niet om vrijspraak van deze feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
- het in de wettelijke vorm opgemaakte
Proces-verbaal aangiftevan 16 januari 2025, genummerd PL0900-2025014170-44, opgemaakt door een verbalisant van politie Midden-Nederland, met daarin een verklaring van aangeefster [slachtoffer 1]
(einddossier: pagina’s 114-116);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte
Proces-verbaal van verhoor getuigevan 14 januari 2025, genummerd 250114-706-528, opgemaakt door een verbalisant van politie Midden-Nederland, met daarin een verklaring van [slachtoffer 2]
(einddossier: pagina’s 120-121);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte
Proces-verbaal van bevindingenvan 15 januari 2025, genummerd MD2R025008-22, opgemaakt door een verbalisant van politie Midden-Nederland, met daarin bevindingen van deze verbalisant
(einddossier: pagina’s 84-88);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte
Proces-verbaal van bevindingenvan 24 april 2025, genummerd PL0900-2025014170-98, opgemaakt door een verbalisant van politie Midden-Nederland, met daarin bevindingen van deze verbalisant
(einddossier: pagina’s 286-287);
- de bekennende verklaring van [verdachte] , afgelegd op de zitting van 19 mei 2026.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
feit 1
op 14 januari 2025 te Almere-Buiten tezamen en in vereniging met anderen (dummy)sieraden die aan de [juwelier] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door- met een bedekt gezicht op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] af te lopen,- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meermalen de woorden toe te voegen “handen omhoog” en “overval”,- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ,- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te richten op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , en- die [slachtoffer 1] bij haar pols vast te pakken;
feit 2
op 14 januari 2025 te Almere-Buiten tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon
vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een pistool van het merk Sig Sauer, model P225, heeft voorhanden gehad en gedragen.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2
medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
4.2
Strafbaarheid feiten
De feiten zijn strafbaar.
4.3
Strafbaarheid verdachte
Bij de beoordeling van de strafbaarheid van [verdachte] houdt de rechtbank rekening met een Pro Justitia rapport betreffende een psychologisch onderzoek naar de persoon van [verdachte] van 19 maart 2025, opgemaakt door een GZ-psycholoog (kinder- en jeugdpsycholoog).
Uit het rapport volgt dat bij [verdachte] sprake is van een andere gespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis en een andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van de feiten en beïnvloedden op dat moment de gedragskeuzes en gedragingen van [verdachte] . In het rapport wordt geadviseerd om het tenlastegelegde, indien bewezen, verminderd aan [verdachte] toe te rekenen.
De rechtbank neemt de conclusie uit het rapport op de in het rapport aangevoerde gronden over en is, gelet daarop, van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan [verdachte] kunnen worden toegerekend.
[verdachte] is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

5.Straf

5.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:
- een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 140 uren, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 102 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met oplegging van algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming;
- een taakstraf in de vorm van een leerstaf, te weten de gedragsinterventie SoCool (regulier) van 40 uur.
5.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft bepleit om, in het geval van een veroordeling, aan [verdachte] een straf op te leggen overeenkomstig de eis van de officier van justitie. Voor het geval de rechtbank dit niet volgt, heeft zij bepleit een eventueel op te leggen onvoorwaardelijke jeugddetentie niet langer te laten duren dan de tijd die [verdachte] al in voorarrest heeft doorgebracht. De advocaat heeft voorts gesteld dat [verdachte] hulp en begeleiding nodig heeft en dat oplegging van de leerstraf SoCool passend is.
5.3
Oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
[verdachte] heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een juwelier in Almere. Deze overval vond plaats op klaarlichte dag, terwijl de winkel geopend was. [verdachte] heeft twee medewerkers van de winkel bedreigd met een pistool, hetgeen voor hen een uiterst angstige en schokkende ervaring is geweest. De mededader van [verdachte] heeft fors geweld gebruikt door vitrines stuk te slaan met een hamer, waarna een groot aantal (dummy)sieraden is weggenomen. [verdachte] en zijn mededader zijn er met de buit vandoor gegaan en hebben deze kort daarna overgedragen aan anderen, die de buit veilig moesten stellen. Naast het plegen van deze overval heeft [verdachte] zich ook schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van het pistool.
De rechtbank vindt het bij de overval toegepaste geweld schokkend. Het getuigt van een volstrekte onverschilligheid ten opzichte van de belangen en gevoelens van de slachtoffers en het eigendom van anderen. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke gebeurtenissen een grote impact hebben op slachtoffers en zelfs kunnen leiden tot traumatische ervaringen met langdurige psychische gevolgen. Dat is ook precies wat een van de slachtoffers op zitting treffend heeft verteld. Zij ondervindt nog dagelijks de gevolgen van de overval. Zij kan nog altijd niet werken, is bang om naar buiten te gaan, heeft een posttraumatische stress-stoornis, lijdt aan herbelevingen en mist haar leven van voor de overval. Een dergelijke overval veroorzaakt ook in het algemeen sterke gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Uit getuigenverklaringen in het dossier blijkt ook dat winkelende omstanders doodsbang zijn weggevlucht. Het ongecontroleerde bezit van een pistool brengt bovendien een onaanvaardbaar risico met zich mee voor de veiligheid van personen en ook dit versterkt in de samenleving bestaande gevoelens van angst en onveiligheid. De rechtbank vindt ook schokkend dat [verdachte] , ten tijde van de overval nog maar 14 jaar oud, op initiatief van onbekenden via Snapchat en in samenwerking met een groepje voor hem volslagen onbekende mededaders, alleen uit eigen gewin, om snel en makkelijk aan geld te komen, deze gewapende overval heeft gepleegd. Dat [verdachte] nauwelijks heeft nagedacht over de gevolgen van dit ernstige strafbare feit rekent de rechtbank [verdachte] aan.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
De rechtbank houdt ten aanzien van de persoon van [verdachte] rekening met:
  • een uittreksel Justitiële Documentatie (‘
  • het hiervoor onder 4.3 genoemde Pro Justitia rapport betreffende een psychologisch onderzoek naar de persoon van [verdachte] van 19 maart 2025;
  • een adviesrapport van de Raad van 15 mei 2026;
  • hetgeen door de jeugdreclasseerder van WSJJ op zitting naar voren is gebracht;
  • de proceshouding van [verdachte] .
Uit het strafblad van [verdachte] blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Uit het Pro Justitia rapport van 19 maart 2025 blijkt dat bij [verdachte] sprake is van stoornissen zoals omschreven in paragraaf 4.3. Zoals in die paragraaf is gemotiveerd, neemt de rechtbank de conclusie van de psycholoog betreffende de verminderde toerekenbaarheid van de feiten aan [verdachte] over en de rechtbank houdt daarmee ook rekening bij het bepalen van de straf en de strafmaat. Uit het rapport blijkt ook dat de psycholoog de kans op recidive inschat als matig. Het is voorstelbaar dat [verdachte] zal recidiveren indien hij, zonder interventies, onder druk wordt gezet door anderen, hij het gevoel heeft dat hij mee moet doen om erbij te horen, zich onveilig voelt in een groep, als hij zijn emoties niet adequaat leert te uiten en te reguleren, als zijn interne druk oploopt door het niet delen van zijn stress en emoties en als er onvoldoende toezicht, begrenzing, structuur en monitoring is. De psycholoog adviseert aan [verdachte] behandeling en begeleiding op te leggen in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel en ook de leerstraf So-Cool.
De Raad sluit zich aan bij de uitkomsten van het Pro Justitia rapport van 19 maart 2025. Er is sprake van een kwetsbare en gevoelige jongen, die onder andere moeite heeft om op een adequate manier om te gaan met spanningen, emoties en sociale situaties. Het is van groot belang dat [verdachte] de juiste behandeling en begeleiding krijgt, zodat hij leert omgaan met zijn kwetsbaarheden en zich in positieve zin verder kan ontwikkelen. De Raad adviseert een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf, met oplegging van algemene en bijzondere voorwaarden, om daarmee recidive te voorkomen en de ontwikkeling van [verdachte] positief te beïnvloeden. De Raad adviseert onder meer een behandeling bij Fivoor of een soortgelijke instelling en een taakstraf in de vorm van een leerstraf, te weten de gedragsinterventie So-Cool (regulier).
De jeugdreclasseerder van WSJJ heeft op zitting naar voren gebracht dat [verdachte] de gevolgen van zijn handelen niet goed kan overzien en dat hij de juiste motivering en sturing nodig heeft. Zij maakt zich zorgen over de psychische gesteldheid van [verdachte] . [verdachte] kan naar verwachting begin juni 2026 terecht bij Innovazorg en zal instromen op de locatie [locatie] . Ook de behandeling bij Fivoor kan in principe van start gaan. De WSJJ sluit zich aan bij het advies betreffende de gedragsinterventie So-Cool (regulier).
[verdachte] heeft openheid van zaken gegeven over zijn rol bij de overval. Hij heeft spijt betuigd van hetgeen hij heeft gedaan en hij heeft excuses aangeboden richting de slachtoffers. De rechtbank houdt hiermee rekening in het voordeel van [verdachte] .
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf en de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn gepleegd en de persoon van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden, zoals ter terechtzitting is gebleken en hiervoor is omschreven. De rechtbank heeft ook gelet op wat door rechters in min of meer vergelijkbare strafzaken is opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de bewezen feiten, in beginsel oplegging van een straf in de vorm van jeugddetentie op zijn plaats is. De rechtbank ziet echter aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en aan [verdachte] geen straf op te leggen die betekent dat hij alsnog naar de (jeugd)gevangenis zal moeten. Uit voornoemde rapporten blijkt dat zorgen bestaan over de ontwikkeling van [verdachte] en dat, in het belang van [verdachte] en om het recidiverisico te verlagen, begeleiding en behandeling (dringend) gewenst zijn. De rechtbank vindt het belangrijk dat [verdachte] kan instromen bij Innovazorg en dat, naast begeleiding en toezicht door de jeugdreclassering, de behandeling bij Fivoor zal plaatsvinden. Daarnaast vindt de rechtbank het belangrijk dat [verdachte] de gedragsinterventie So-Cool zal volgen.
Alles overwegend oordeelt de rechtbank dat het passend en geboden is om aan [verdachte] een taakstraf op te leggen in de vorm van een werkstraf van 140 uur, waarvan 102 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal op de op te leggen werkstraf in mindering worden gebracht.
Deze straf is enerzijds gericht op vergelding voor het plegen van de bewezen feiten en anderzijds dient het voorwaardelijke strafdeel als stok achter de deur om [verdachte] ervan te weerhouden opnieuw een (soortgelijk) strafbaar feit te plegen. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de (bijzondere) voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de Raad.
Naast voornoemde straf zal aan [verdachte] ook een taakstraf in de vorm van een leerstraf worden opgelegd in de vorm van de training So-Cool (regulier) voor de duur van 40 uur.

6.Beslag

6.1
In beslag genomen voorwerp
Volgens een ‘
Kennisgeving van inbeslagneming’(einddossier, pagina 412) rust beslag op:
- een jas, merk Moncler, kleur zwart, voorwerpnummer PL0900-2025014170-3467361.
6.2
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de jas terug te geven aan [verdachte] .
6.3
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht de jas terug te geven aan [verdachte] .
6.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal bepalen dat de in beslag genomen jas wordt teruggegeven aan [verdachte] , omdat dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

7.Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]

7.1
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 12.021,35, bestaande uit € 2.021,35 ter vergoeding van materiële schade en € 10.000,- ter vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De benadeelde partij heeft gesteld dat de gewapende overval is gepleegd door meerdere personen en verzoekt daarom [verdachte] en de medeverdachte(n) hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het toe te wijzen bedrag. Ook is verzocht te het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen. De officier van justitie heeft gevorderd dit bedrag hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft de vordering ten aanzien van de materiële schade niet weersproken. Zij heeft bepleit een eventueel toe te wijzen vergoeding voor immateriële schade te matigen tot een bedrag tussen € 2.600,- en € 5.500,-. Om te voorkomen dat [verdachte] met de medeverdachte(n) financiële afspraken moet maken, is bepleit om [verdachte] niet
hoofdelijkte veroordelen tot betaling van het volledige aan de benadeelde partij toe te wijzen bedrag, maar te bepalen dat [verdachte] één vijfde deel van dat bedrag zal moeten voldoen.
7.4
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd en door/namens [verdachte] niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag van € 2.021,35. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 aanhef Pro en sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in de eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door [verdachte] onder 1 gepleegde feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op soortgelijke zaken is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 7.500,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Wettelijke rente
De vergoeding van de materiële schade van € 2.021,35 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de vordering tot de dag dat deze schadevergoeding volledig is betaald. De vergoeding van de immateriële schade van € 7.500,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2025, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat deze schadevergoeding volledig is betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die (grotendeels) ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding (grotendeels) wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 9.521,35 aan de Staat moet betalen.
Hoofdelijk aansprakelijk
Als op twee of meer personen een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade rust, dan zijn zij op grond van artikel 6:102, lid 1 BW ‘hoofdelijk verbonden’ (samen aansprakelijk). De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van dit wettelijk uitgangspunt.
Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend (feit 1) samen met anderen (de mededaders) heeft gepleegd, zijn [verdachte] en deze mededaders daarvoor hoofdelijk aansprakelijk. Voor zover (een van) de mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en beslissingen op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • 36f, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht;
  • 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat [verdachte] de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
Strafbaarheid feiten
- verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
Strafbaarheid verdachte
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;
Straf
  • veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een
  • bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uur per dag;
  • beveelt dat van de werkstraf een gedeelte van
  • beveelt dat, voor het geval [verdachte] het voorwaardelijk deel van de werkstraf bij tenuitvoerlegging niet of niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 51 (eenenvijftig) dagen;
- stelt een
proeftijd van 2 (twee) jaarvast;
- als algemene voorwaarden gelden dat [verdachte] :
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd:
*
begeleiding en toezicht:
meewerkt aan alle hulpverlening en begeleiding die de jeugdreclassering nodig vindt;
*
behandeling:
meewerkt aan een behandeling bij Fivoor of een soortgelijke organisatie, indien en zo lang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
*
crisisplaatsing:
meewerkt aan een crisisplaatsing en een eventuele vervolgplek en zich houdt aan de regels van de groep/instelling waar hij verblijft;
*
dagbesteding:
meewerkt aan een positieve dagbesteding in de vorm van school of werk en zijn rooster volgt, indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt;
*
vrijetijdsbesteding:
meewerkt aan (het vinden en behouden van) een gestructureerde vrijetijdsbesteding;
*
avondklok:
zich houdt aan een avondklok, voor de uren en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
- waarbij de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van de
leerstraf, te weten de gedragsinterventie So-Cool (regulier) van 40 (veertig) uur;
- beveelt dat voor het geval [verdachte] de leerstraf niet of niet naar behoren verricht, deze leerstraf wordt vervangen door
20 (twintig) dagen jeugddetentie;
Voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;
Beslag
- gelast de
teruggave aan [verdachte]van het (in de ‘
Kennisgeving van inbeslagneming’, einddossier pagina 412) vermelde voorwerp, te weten:
 een jas, merk Moncler, kleur zwart, voorwerpnummer PL0900-2025014170-3467361;
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1](feit 1)
  • wijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 9.521,35, bestaande uit € 2.021,35 ter vergoeding van materiële schade en € 7.500,- ter vergoeding van immateriële schade;
  • veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 2.021,35 met ingang van 13 mei 2026 tot de dag van volledige betaling;
- over een bedrag van € 7.500,- met ingang van 14 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • verklaart [slachtoffer 1] wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt [verdachte] in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat een bedrag van € 9.521,35 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 2.021,25 met ingang van 13 mei 2026 tot de dag van volledige betaling;
- over een bedrag van € 7.500,- met ingang van 14 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. J.F. Haeck en mr. drs. S.M. van Meer, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr.
F.R. Horst, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.
De oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: Tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij:
1
op of omstreeks 14 januari 2025 te Almere-Buiten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (dummy)sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [juwelier] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door- met een bedekt gezicht en een hand in/onder een tas op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] af te lopen,- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] meermalen de woorden toe te voegen “handen omhoog” en/of “overval”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te richten op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , en/of- die [slachtoffer 1] bij haar pols vast te pakken;
2
op of omstreeks 14 januari 2025 te Almere-Buiten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een pistool van het merk Sig Sauer, model P225, heeft voorhanden gehad en/of gedragen.