Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3435

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
11860836 MC EXPL 25-4823 BmR/842
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:9 BWArt. 2:11 BWArt. 2:19 BWArt. 6:162 BWArt. 225 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bestuurdersaansprakelijkheid na turbo-liquidatie vennootschap

De werknemer trad in april 2022 in dienst bij een vennootschap die in december 2024 middels turbo-liquidatie werd ontbonden wegens gebrek aan baten. In een eerdere procedure werd de vennootschap veroordeeld tot betaling van achterstallig loon en bijkomende kosten. De werknemer stelde de bestuurder persoonlijk aansprakelijk wegens onbehoorlijk bestuur en betalingsonwil.

De kantonrechter oordeelde dat de bestuurder niet wist of behoorde te weten dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst. Er was geen sprake van betalingsonwil, maar van feitelijke betalingsonmacht. De turbo-liquidatie was gerechtvaardigd omdat er geen baten meer waren.

De stellingen van de werknemer dat de bestuurder onzorgvuldig handelde of middelen onttrok om schuldeisers te benadelen, werden onvoldoende onderbouwd. De vordering tot bestuurdersaansprakelijkheid werd daarom afgewezen. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot bestuurdersaansprakelijkheid wordt afgewezen wegens ontbreken van een persoonlijk ernstig verwijt aan de bestuurder.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
zaaknummer: 11860836 MC EXPL 25-4823 BmR/842
Vonnis van 3 juni 2026
inzake
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [eiser] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. J.R. Versluis en mr. P.G.B. Eradus,
tegen:
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is op 14 april 2022 in dienst getreden bij [onderneming] B.V., tevens h.o.d.n. [handelsnaam] [.] . [eiser] is in oktober 2024 een procedure gestart tegen [onderneming] waarin hij onder meer betaling van achterstallig loon vorderde.
2.2.
Op 11 december 2024 is [onderneming] middels een turbo-liquidatie opgeheven wegens gebrek aan baten.
2.3.
Op 31 december 2024 is vonnis gewezen. Bij (herstel)vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 5 februari 2025 (Productie 3) is [onderneming] veroordeeld tot:
a. Betaling van € 996,27 aan achterstallig loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging van
50%, derhalve € 1.494,41, vermeerderd met de wettelijke rente steeds vanaf de datum van
opeisbaarheid;
b. Betaling van € 100 voor een aanbrengbonus;
c. Het opmaken van een correcte eindafrekening binnen 7 dagen na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 100 per dag te betalen aan [eiser] , met een maximum van € 1.000;
d. Het opmaken van correcte loonspecificaties over de periodes waarover een nabetaling
dient plaats te vinden gedurende het dienstverband, binnen 7 dagen na betekening van het
vonnis, op straffe van een dwangsom van € 250 per dag te betalen aan [eiser] , met een
maximum van € 2.500;
e. Betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 149,44; en
f. Betaling van de proceskosten van € 292,25.
2.4.
Op 20 maart 2025 is het (herstel)vonnis van 5 februari 2025 aan de ontbonden vennootschap [onderneming] alsmede aan de (voormalig) bestuurder [gedaagde] betekend met aanzegging van de dwangsommen bij in gebreke blijven aan het vonnis te voldoen. Het vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.
2.5.
Bij brief van 20 juni 2025 heeft [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld:
“(..) Bestuurdersaansprakelijkheid
Cliënt stelt zich op het standpunt dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur als gevolg waarvan u een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. U bent als bestuurder, gedurende de gerechtelijke procedure, en daarmee terwijl u bekend was met schulden van [onderneming] B.V., althans de ingestelde (loon)vorderingen van cliënt, overgegaan tot (turbo)liquidatie. Cliënt is als schuldeiser benadeeld en als gevolg daarvan is zijn door de kantonrechter toegewezen vordering onbetaald en onverhaalbaar gebleven. Door uw handelswijze als bestuurder van [onderneming] B.V. is bewerkstelligd dan wel toegelaten dat [onderneming] B.V. haar wettelijke dan wel contractuele verplichtingen niet is nagekomen.
Cliënt stelt zich derhalve op het standpunt dat u als bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. U bent uw verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW Pro niet nagekomen, zodat u jegens cliënt als schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld.
Reden waarom cliënt u op grond van artikel 2:9 jo Pro. 2:11 BW aansprakelijk stelt als gevolg van onbehoorlijk bestuur waarvan u een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Cliënt maakt dan ook aanspraak op vergoeding van de door hem geleden schade.
Schade
Dat cliënt schade heeft geleden staat buiten kijf. De schade van cliënt bestaat uit de toegewezen vorderingen door de kantonrechter te Midden-Nederland middels het (herstel)vonnis van 5 februari 2025.(..)”.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling tot: I. betaling aan [eiser] van een schadevergoeding ter hoogte van € 1.490,77 ter zake de inkomensschade, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag van volledige voldoening; II. betaling aan [eiser] van een schadevergoeding ter hoogte van € 100,- ter zake de verschuldigde aanbrengbonus, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf 4 juli 2025, tot aan de dag van volledige voldoening; III. betaling aan [eiser] van een schadevergoeding ter zake de verbeurde dwangsommen ter hoogte van € 3.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf 4 juli 2025, tot aan de dag van volledige voldoening; IV. betaling aan [eiser] van een schadevergoeding ter hoogte van € 149,44 ter zake de buitengerechtelijke incassokosten uit de eerdere procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf 4 juli 2025, tot aan de dag van volledige voldoening; V. betaling aan [eiser] van een schadevergoeding ter hoogte van € 292,25 ter zake de proceskosten uit de eerdere procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf 4 juli 2025, tot aan de dag van volledige voldoening; VI. betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 651,66; VII. betaling aan [eiser] van de proceskosten van dit geding.
3.2.
Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiser] dat hij in dienst was van [onderneming] B.V. handelende onder de naam [handelsnaam] . Bij (herstel)vonnis van 5 februari 2025 is [onderneming] , kort samengevat, veroordeeld tot betaling van achterstallig loon en overige posten alsmede tot verstrekking van een eindafrekening op straffe van een dwangsom. [onderneming] is middels een turbo-liquidatie op 11 december 2024 opgeheven wegens een gebrek aan baten. (Voormalig) bestuurder van [onderneming] was [gedaagde] . [gedaagde] is door [eiser] vanwege die hoedanigheid persoonlijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van hetgeen [onderneming] aan hem is verschuldigd op basis van het vonnis van 5 februari 2025. [gedaagde] weigert ondanks sommaties daartoe over te gaan tot betaling. [eiser] maakt aanspraak op de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten.
3.3.
[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Status vonnis van 31 december 2024 en van (herstel)vonnis van 5 februari 2025

4.1.
Het verweer van [gedaagde] dat het vonnis van de kantonrechter Midden-Nederland geen betekenis heeft en zelfs niet mogelijk is, omdat het vonnis is gewezen tegen een niet bestaande vennootschap, zodat [eiser] daar in deze procedure ook geen rechten aan kan ontlenen, is onjuist. Het vonnis is op tegenspraak gewezen, omdat [gedaagde] zich namens [onderneming] heeft gesteld zonder dat [onderneming] overigens verweer heeft gevoerd. [gedaagde] stelt dat de griffie van het kantongerecht ruim voor het wijzen van het vonnis op de hoogte is gesteld van de ontbonden vennootschap. [gedaagde] miskent daarmee de overweging van de kantonrechter in het vonnis onder overweging 2.2: “
Ten overvloede merkt de kantonrechter nog het volgende op. Het is juist dat de kantonrechter bericht heeft ontvangen dat de gedaagde partij niet van antwoord kon dienen omdat de aandeelhouders van de gedaagde partij hebben besloten om de vennootschap te liquideren. Deze brief gedateerd op 10 december 2024 en bestemd voor de rolzitting van 11 december 2024 heeft de kantonrechter pas op 13 december 2024 ontvangen. Deze brief is dus te laat ontvangen nu de kantonrechter op de rolzitting van 11 december 2024 al had bepaald om vonnis te wijzen. Schorsing kan niet meer plaatsvinden nadat de dag is bepaald waarop het vonnis zal worden uitgesproken volgens het bepaalde in artikel 225 lid 4 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering.”Daarmee staat de veroordeling van [onderneming] tot betaling van onder meer het loon in rechte vast. Voor zover [gedaagde] in zijn conclusie van antwoord heeft willen betogen dat het vonnis inhoudelijk onjuist is, gaat de kantonrechter daaraan voorbij. De inhoudelijke discussie of de vordering van [eiser] jegens [onderneming] op onjuiste gronden is genomen had in die procedure moeten worden gevoerd. [onderneming] heeft nu juist in die procedure afgezien van het voeren van verweer. Daarmee staat vast dat [onderneming] een betalingsverplichting had jegens [eiser] en dat zij die verplichting niet is nagekomen.
Bestuurdersaansprakelijkheid
4.2.
Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte zijn voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Daarbij geldt een hoge drempel: bestuurders zijn niet aansprakelijk voor iedere gemaakte fout of vergissing. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.
4.3.
In de rechtspraak is dit nader uitgewerkt. Een bestuurder kan aansprakelijk zijn wanneer: I. hij namens de vennootschap een verplichting is aangegaan, terwijl hij bij het aangaan wist of behoorde te weten dat de vennootschap niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de schade van onbetaald gebleven schuldeiser (de zogeheten Beklamel-norm); II. hij een handelswijze van de vennootschap heeft bewerkstelligd of toegelaten, waarvan hij wist of behoorde te begrijpen dat dit tot gevolg zou hebben dat de vennootschap haar verplichtingen niet na zou komen en ook geen verhaal zou bieden voor de schade. Dit niet-nakomen dient dan het gevolg te zijn van betalingsonwil, niet van betalingsonmacht. III. hem op andere wijze een persoonlijk ernstig verwijt gemaakt kan worden van de schade van de schuldeiser van de vennootschap.
4.4.
De stelplicht en bewijslast dat aan de hiervoor onder 4.3 weergegeven voorwaarden voor aansprakelijkheid is voldaan, rusten op [eiser] . In de kern genomen verwijt [eiser] [gedaagde] dat hij verplichtingen jegens [eiser] liet ontstaan of doorlopen, terwijl hij wist of behoorde te weten dat de vennootschap niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden en desondanks is overgegaan tot turbo-liquidatie van de vennootschap.
geen Beklamel-bestuurdersaansprakelijkheid
4.5.
Van bestuurdersaansprakelijkheid op de grond van de Beklamelnorm is geen sprake. De kantonrechter is van oordeel dat uit de feiten en de in het geding gebrachte stukken niet blijkt dat [gedaagde] als bestuurder van [onderneming] ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst met [eiser] wist dat deze vennootschap niet in staat was om haar verplichtingen jegens [eiser] na te komen. Noch behoorde hij dat te weten. Redengevend daarvoor is dat [eiser] op 14 april 2022 in dienst is getreden bij [onderneming] en [onderneming] het loon van [eiser] doorgaans heeft betaald. [eiser] heeft op 31 maart 2024 zijn arbeidsovereenkomst opgezegd. De vordering van [eiser] op [onderneming] ziet op de afwikkeling van het einde van de arbeidsovereenkomst, namelijk het loon over de maand maart 2024 (plus een werkdag in april) alsmede een geschil over de vraag of het juiste CAO loon, volgens [eiser] de CAO Beroepsgoederenvervoer, is uitbetaald. Aldus kan niet worden aangenomen dat [gedaagde] wist dat [onderneming] ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst haar verplichtingen bij het einde van de arbeidsovereenkomst niet zou nakomen.
Geen betalingsonwil en niet ten onrechte overgegaan tot turbo-liquidatie
4.6.
[eiser] , zo begrijpt de kantonrechter, stelt dat [gedaagde] , indien de vennootschap wel in staat zou zijn geweest om aan haar financiële verplichtingen jegens [eiser] te voldoen, als bestuurder van de vennootschap, voor zijn schade persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden omdat sprake is van betalingsonwil. Ook deze stelling faalt.
4.7.
Naar het oordeel van de kantonrechter staat, als onvoldoende weersproken, voldoende vast dat de vennootschap niet over voldoende middelen beschikte om de vordering van [eiser] te voldoen. De kantonrechter moet dan nog de vraag beantwoorden of deze feitelijke betalingsonmacht bij de vennootschap haar oorzaak vindt in betalingsonwil bij de bestuurder van de vennootschap, bijvoorbeeld door aan de vennootschap (vrijwel) alle middelen te onttrekken en/of crediteuren selectief te betalen met voorzienbare benadeling van haar crediteuren als gevolg. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] nagelaten concreet en onderbouwd te stellen waarom daarvan in dit geval sprake is. Dat middelen aan de vennootschap zijn onttrokken met het oogmerk om [eiser] als crediteur te benadelen, crediteuren selectief zouden zijn betaald of dat [gedaagde] anderszins onzorgvuldig zouden hebben gehandeld, is bij gebrek aan een nadere onderbouwing niet gebleken.
4.8.
Het verwijt dat [gedaagde] ten onrechte is overgegaan tot turbo-liquidatie treft evenmin doel. Het besluit om over te gaan tot turbo-liquidatie kan in het onderhavig geval niet als een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW Pro worden gekwalificeerd. Een turbo-liquidatie in de zin van artikel 2:19, vierde lid, BW is een snelle manier om een rechtspersoon te ontbinden. Een turbo-liquidatie mag alleen worden uitgevoerd als er geen baten meer in de onderneming zitten. Dat wil zeggen dat de rechtspersoon geen activiteiten meer uitvoert en geen bezittingen meer heeft. Het enkele feit dat turbo-liquidatie tot gevolg heeft dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen kan voldoen, is onvoldoende voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid. Gelet op de gemotiveerde stelling van [gedaagde] dat er geen baten aanwezig waren ligt op [eiser] de stelplicht en bewijslast dat daarvan wel sprake is. [eiser] volstaat slechts met de stelling dat het niet betalen van loon kwalificeert als een persoonlijk ernstig verwijt dat aan de bestuurder van de werkgever [onderneming] kan worden gemaakt, wetende dat er een loonprocedure loopt. Dat is niet het juiste criterium. Aldus moet worden aangenomen dat aan de voorwaarden voor turbo-liquidatie in de zin van artikel 2:19 BW Pro is voldaan, zodat op [gedaagde] niet de plicht rustte om het faillissement van de vennootschap aan te vragen.
Conclusie
4.9.
De vordering van [eiser] zal worden afgewezen. Dit betekent dat de overige standpunten van partijen geen verdere bespreking meer behoeven. [eiser] wordt in de proceskosten van deze procedure veroordeelt tot op heden begroot op: -- gemachtigde salaris € 506,00 - nakosten
€ 144,00- totaal € 650,00

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 650,00, waarvan € 506,00 aan salaris gemachtigde te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 dagen na datum van het vonnis;
5.3.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.