Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3441

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
C/16/606809 / FO RK 26-162
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming inschrijving basisschool en opvang in belang van minderjarige kinderen

De rechtbank Midden-Nederland behandelde een geschil tussen ouders over de schoolkeuze en buitenschoolse opvang van hun twee bijna vierjarige kinderen. De ouders oefenden gezamenlijk gezag uit, maar waren het niet eens over de inschrijving op basisschool en opvang. De vader verzocht om vervangende toestemming voor inschrijving op een christelijke basisschool met een openbare insteek in zijn woonplaats, terwijl de moeder koos voor een christelijk-reformatorische school in haar woonplaats.

De rechtbank overwoog dat het belang van de kinderen leidend is en dat het belangrijk is dat zij op korte termijn kunnen starten met school. De identiteit van de school is doorslaggevend, waarbij de rechtbank oordeelde dat de school van de vader beter aansluit bij de leefwereld van de kinderen, die geen christelijke opvoeding krijgen. De rechtbank vond dat de fundamentele verschillen in geloofsovertuiging en de bezwaren van de vader tegen de reformatorische school niet in het belang van de kinderen zijn.

De rechtbank wees de verzoeken van de moeder af en verleende de vader vervangende toestemming voor inschrijving op de school en de bijbehorende voorschoolse en buitenschoolse opvang. Tevens werd de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en werd iedere ouder veroordeeld tot het dragen van eigen proceskosten. De rechtbank sprak de hoop uit dat de ouders onder begeleiding van hulpverlening hun gezamenlijke ouderschap verbeteren.

Uitkomst: De rechtbank verleent de vader vervangende toestemming voor inschrijving van de kinderen op de christelijke basisschool met openbare insteek en bijbehorende opvang, wijst de verzoeken van de moeder af en verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/606809 / FO RK 26-162
Gezag
Beschikking van 20 mei 2026
in de zaak van:
[de vader],
wonende in [plaats 1] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. S. Meeuwsen,
tegen
[de moeder],
wonende in [plaats 2] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. L.E. de Wal.

1.De procedure

1.1
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de vader (met bijlagen), binnengekomen op 12 februari 2026;
  • het bericht van de vader (met bijlagen) van 4 maart 2026;
  • het verweerschrift van de moeder (met bijlagen) met daarin zelfstandige verzoeken, ontvangen op 29 maart 2026.
1.2
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 2 april 2026. Daarbij waren aanwezig: de ouders met hun advocaten en mevrouw [A.] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).
1.3
De rechtbank heeft de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de zoon en dochter van de ouders, niet gevraagd wat zij van de verzoeken vinden. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2.Waar de procedure over gaat

2.1
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2
Zij hebben samen kinderen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan ingeschreven bij de moeder in [plaats 2] .
2.3
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hen nemen.
2.4
In de beschikking van 20 september 2024 is door de rechtbank Midden-Nederland een tweewekelijkse zorgregeling vastgesteld die inhoudt dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] :
- in de ene week:
  • van zondag 17.30 uur tot woensdag 17.30 uur bij de moeder verblijven,
  • van woensdag 17.30 uur tot vrijdag 17.30 uur bij de vader en
  • van vrijdag 17.30 uur tot zondag 17.30 uur bij de moeder;
- in de andere week:
  • van zondag 17.30 uur tot woensdag 17.30 uur bij de vader verblijven,
  • van woensdag 17.30 uur tot vrijdag 17.30 uur bij de moeder en
  • van vrijdag 17.30 uur tot zondag 17.30 uur bij de vader;
- waarbij ‘de ene week’ ingaat op de eerste zondag na de datum van de beschikking;
2.5
De ouders zijn het niet eens over de basisschool en buitenschoolse opvang voor de kinderen. De vader verzoekt om die reden de rechtbank om aan hem:
  • vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] per direct in te schrijven op christelijke basisschool [school A] (hierna te noemen: [school A] ) in [plaats 1] ;
  • vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in te schrijven voor de voorschoolse opvang (hierna VSO) en buitenschoolse opvang (hierna: BSO) bij [naam 1] in [plaats 1] .
2.6
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader. Zij vraagt de rechtbank om:
  • aan haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in te schrijven op basisschool [school B] in [plaats 2] ;
  • aan haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in te schrijven op de BSO van basisschool [school B] in [plaats 2] , dan wel een andere BSO die zij geschikt acht voor de kinderen;
  • de vader te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.De beoordeling

De beslissing
3.1
De rechtbank zal aan de vader vervangende toestemming verlenen om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in te schrijven:
  • op de [school A] in [plaats 1] ;
  • voor de VSO en BSO bij [naam 1] in [plaats 1] .
Dit betekent dat de rechtbank de verzoeken van de moeder zal afwijzen. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze beslissingen is gekomen.
Juridisch kader
3.2
In de wet staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. [1] Hieronder valt ook een geschil over de keuze van de basisschool, de VSO en de BSO. De rechtbank neemt hierbij een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
Inhoudelijke beoordeling
3.3
De rechtbank vindt het jammer dat het de ouders niet is gelukt om overeenstemming te bereiken over de schoolkeuze van hun kinderen. De schoolkeuze is juist een beslissing die de ouders gezamenlijk zouden moeten nemen. De ouders kennen hun kinderen het beste en kunnen daardoor het beste inschatten welke school het beste bij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] past.
3.4
Nu is het de rechtbank die de keuze maakt naar welke basisschool [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gaan. De rechtbank zal de schoolkeuze maken omdat het in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is dat er nu een beslissing wordt genomen. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn namelijk bijna vier jaar oud. Het is daarom belangrijk dat zij op korte termijn worden ingeschreven op een basisschool en dat zij kunnen starten op het moment dat zij op [geboortedatum] 2026 vier jaar worden. De ouders komen er samen niet uit welke basisschool het beste voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is. Op de zitting heeft de rechtbank nog gesproken over andere mogelijke basisscholen, maar de rechtbank verwacht niet dat de ouders daar op korte termijn nog overeenstemming over bereiken én dat ook zeker is dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] daar terechtkunnen. Dit betekent dat de rechtbank moet kiezen tussen [school A] in [plaats 1] en de basisschool [school B] in [plaats 2] .
3.5
De vader wil [minderjarige 2] en [minderjarige 1] inschrijven op [school A] in [plaats 1] , omdat deze school goed past bij de ouders en de kinderen. Het is een christelijke basisschool, maar met een openbare insteek. De school is een goede weerspiegeling van de maatschappij, doordat er kinderen met verschillende culturele achtergronden en geloofsovertuigingen op de school zitten. Het is een bekende omgeving voor de ouders en de kinderen, omdat de school in de buurt van de woning van de vader is. De ouders hebben hier eerder samengewoond met de kinderen. Ook vriendjes en vriendinnetjes van de kinderen uit de wijk gaan naar deze school. Bovendien hanteert [school A] een continurooster, waarbij de kinderen tussen de middag gezamenlijk overblijven. De basisschool [school B] in [plaats 2] daarentegen is een (zwaar) gereformeerde school. Op deze school leren kinderen op jonge leeftijd psalmen en gezangen en vanaf groep zes de catechismus. Dit past naar de mening van de vader niet bij de levensovertuiging van de kinderen, omdat zij niet christelijk worden opgevoed. Als de kinderen naar de basisschool [school B] in [plaats 2] gaan dan vreest de vader dat de kinderen worden buitengesloten door andere kinderen en/of hun ouders, omdat de kinderen niet passen binnen deze geloofsgemeenschap. Er is een fundamenteel verschil tussen de identiteit van de school en de thuissituatie. De verschillen zien niet alleen op het naar de kerk gaan en het op zondag ondernemen van andere activiteiten dan het kerkbezoek, maar ook de kijk op de maatschappij zoals de positie van de vrouw. De vader vindt dat van hem niet kan worden verlangd dat hij aan de kinderen een geloofsovertuiging oplegt waar hij niet achter staat. Daarnaast is hij niet in staat te zijn de kinderen te ondersteunen zoals de school verwacht. Bovendien hanteert de basisschool [school B] andere lestijden en hebben de kinderen daar een middagpauze van één uur. De kinderen moeten dan overblijven, maar het is niet gegarandeerd dat dit ook kan. Dit past niet bij werkende ouders en maakt de school ook om praktische redenen dus niet geschikt voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
3.6
De moeder heeft naar voren gebracht dat zij sinds kort zelfstandige woonruimte heeft in [plaats 2] . Zij zal daar op korte termijn gaan wonen. De moeder vindt het van groot belang dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich ook in [plaats 2] gaan hechten en dat zij vriendjes krijgen die in de buurt wonen. Dit kan gerealiseerd worden als zij in [plaats 2] naar school gaan. Verder hebben beide scholen een christelijke insteek volgens de moeder. Ook bij de school van de vader wordt de dag gestart met een gebed en zijn de kinderen verplicht om naar de kerk te gaan, bijvoorbeeld met Kerst. Voor beide scholen geldt dat de leerkrachten het christelijke geloof moeten uitdragen en dat de ouders respectvol hiermee om moeten gaan. Alle kinderen zijn welkom op basisschool [school B] en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] dus ook, ondanks het feit dat zij niet christelijk worden opgevoed. Verder hecht de moeder veel waarde aan persoonlijke aandacht voor de kinderen op school. Dit kan de basisschool [school B] de kinderen bieden. De [school A] is groter en meer gericht op prestaties dan op de persoonlijke (sociale en emotionele) ontwikkeling van de kinderen. De school presteert zelfs op onderwijskwaliteit onvoldoende, zoals blijkt uit het kwaliteitsonderzoek van de Inspectie van het Onderwijs van november 2025. Tot slot is de moeder bereid om de overblijfkosten voor haar rekening te nemen, waardoor de schooltijden geen reden zijn om te kiezen voor de [school A] .
3.7
De Raad heeft op de zitting aangegeven geen advies te geven over welke basisschool het beste voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal zijn. Het is aan de ouders samen om die keuze te maken. De Raad betreurt het dat ouders daar samen niet uitkomen. De Raad gunt het de kinderen dat de ouders opnieuw met elkaar in gesprek gaan, omdat er in de toekomst nog meer beslissingen genomen moeten worden over de kinderen. De Raad geeft de ouders mee dat het wenselijk is dat zij een traject ouderschapsbemiddeling gaan volgen, in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
3.8
De rechtbank neemt de beslissing die in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. Wat het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is, wordt bepaald door de gevolgen die een bepaalde schoolkeuze heeft voor hun welzijn en (identiteits)ontwikkeling. De rechtbank vindt het belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden ingeschreven op een basisschool die het beste aansluit bij hun leven en de rechtbank is van oordeel dat dit de [school A] in [plaats 1] is. Daarbij weegt de rechtbank het volgende mee.
3.9
De kinderen verblijven evenveel tijd bij de vader als bij de moeder. Dit brengt mee dat de woonplaats van de ouders en de vestiging van de school in deze niet van doorslaggevend belang zijn. Het is voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] belangrijk dat zij zich in [plaats 2] én [plaats 1] thuis voelen en dat zij in beide woonplaatsen vriendjes en vriendinnetjes hebben. Dit kan door de kinderen op een basisschool in één van deze twee woonplaatsen in te schrijven, maar ook door hen te laten deelnemen aan sportactiviteiten of andere hobby’s in één van de twee woonplaatsen. Omdat er andere mogelijkheden zijn om in [plaats 2] te integreren dan via de basisschool, vormt het integreren voor de rechtbank dus geen reden om de kinderen in te laten schrijven voor de basisschool [school B] .
3.1
Het karakter van de basisschool is daarentegen wel van doorslaggevende betekenis. Uit de inhoud van de stukken en hetgeen op de zitting is besproken is het de rechtbank gebleken dat de basisschool [school B] onderdeel is van Stichting [naam 2] , die staat voor christelijk-reformatorisch onderwijs op hun scholen. De christelijk-reformatorische identiteit komt onder meer tot uiting in de lessen Bijbelse geschiedenis waaraan elke dag aandacht wordt besteed. Vanaf groep 3 tot en met 7 wordt elke week een psalm geleerd en overhoord en vanaf groep 8 wordt de [geloofsovertuiging] bestudeerd. De basisschool [school B] geeft aan dat alle kinderen welkom zijn, maar verwacht van ouders wel dat de christelijke grondslag wordt onderschreven of ten minste wordt gerespecteerd. Respecteren betekent dat de ouders de wijze waarop de school omgaat met de invulling van de identiteit zullen accepteren. Dat betekent bijvoorbeeld dat de ouders het kind ook helpen bij huiswerk wat in het verlengde ligt van de christelijke identiteit en dat ouders het leren van psalmverzen stimuleren. De [school A] afficheert zichzelf als een christelijke basisschool. Op deze school wordt ook dagelijks aandacht aan het geloof besteed in de vorm van bidden. Ook worden Bijbelverhalen verteld, liedjes gezonden en worden Kerst, Pasen, en Bid- en Dankdag gevierd. Verwacht wordt dat ouders de christelijke geloofsovertuiging respecteren en hun kinderen meegeven dat ze meedoen met alle activiteiten.
3.11
De rechtbank is van oordeel dat alles overwegende de [school A] het beste aansluit bij de leefwereld van de kinderen. Vaststaat dat de ouders zelf niet gelovig zijn en dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] geen christelijke opvoeding krijgen. De vader heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de christelijk-reformatorische identiteit van basisschool [school B] ver af staat van de leefwereld van de kinderen bij zowel de vader als de moeder. Hoewel op basisschool [school B] in beginsel alle kinderen welkom zijn, begrijpt de rechtbank de zorgen van de vader of [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wel voldoende aansluiting kunnen vinden. Echter, niet alleen staat de identiteit ver af van de leefwereld van de kinderen, ook heeft de vader naar voren gebracht dat hij zich niet kan vinden in bepaalde denkbeelden die volgens hem horen bij het reformatorisch christelijk geloof, zoals de visie op de rol van de vrouw of op homoseksualiteit. Hij wil dat zijn kinderen hierover een andere boodschap mee krijgen. Ook kan en wil hij de kinderen niet ondersteunen of stimuleren bij het maken van het huiswerk dat in het verlengde ligt van de christelijke identiteit, omdat hij hier niet achter staat. Dat kan naar het oordeel van de rechtbank van de vader dan ook niet worden verwacht. Hoewel de rechtbank het niet met de vader eens is dat hij aan de kinderen een geloofsovertuiging oplegt als de kinderen naar basisschool [school B] gaan, vindt de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] dat zij naar een school gaan waartegen hun vader, die als co-ouder voor hen zorgt, wezenlijke bezwaren heeft. Het kan voor hun identiteitsontwikkeling bovendien ingewikkeld zijn als zij op school en thuis tegenstrijdige boodschappen krijgen. Verder weegt de rechtbank ook mee dat de bezwaren van de moeder tegen de [school A] niet dusdanig zijn dat het in strijd is met de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] dat zij naar deze school gaan. Deze school is algemeen christelijk, en staat daarmee minder ver van de leefwereld van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Uit het kwaliteitsonderzoek van de Inspectie van het Onderwijs blijkt dat de school weliswaar op dit moment onvoldoende scoort op de schoolresultaten, maar de school staat onder controle en wordt gemonitord. Bovendien blijkt uit het rapport dat het op de andere drie onderwerpen – zicht op ontwikkeling en begeleiding, pedagogisch-didactisch handelen en veiligheid – voldoende scoort. Er is een veilige en prettige leeromgeving en de kinderen goed worden geholpen. De sociale aspecten die de moeder heel belangrijk vindt zijn juist goed op de [school A] . De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het argument van de moeder dat de [school A] onvoldoende aandacht heeft voor de persoonlijke ontwikkeling van de kinderen.
3.12
Omdat de rechtbank vervangende toestemming verleent voor de [school A] in [plaats 1] , zal de rechtbank ook vervangende toestemming aan de vader verlenen voor de inschrijving van de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op de VSO en BSO bij [naam 1] in [plaats 1] . Dit is een opvang die is gekoppeld aan de betreffende basisschool.
De rechtbank heeft begrepen dat het op dit moment nog niet nodig is om gebruik te maken van de VSO en/of de BSO, omdat de ouders zelf voor de opvang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] kunnen zorgen voor en na schooltijd. De vader wenst de kinderen echter te kunnen inschrijven zodat hij gebruik kan maken van opvang vanaf het moment dat hij weer werk heeft. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat pas van opvang gebruikt gemaakt zal worden, op het moment dat de vader weer gaat werken. Gelet op hoe de communicatie tussen de ouders verloopt, verwacht de rechtbank niet dat de ouders in onderling overleg op korte termijn overeenstemming bereiken over de VSO en/of BSO. De rechtbank verleent om die reden nu al de toestemming, omdat het belangrijk is voor de kinderen dat de opvang goed is geregeld op het moment dat daar gebruik van moet worden gemaakt.
3.13
De rechtbank spreekt – net als de Raad – de hoop uit dat de ouders onder begeleiding van hulpverlening met elkaar in gesprek gaan. Op de zitting hebben de ouders gezegd dat zij met het buurtteam bezig zijn met het regelen van een verwijzing naar [naam 3] voor een traject ouderschapsbemiddeling. De rechtbank vindt het belangrijk dat de ouders daar naartoe gaan om te werken aan hun gezamenlijke ouderschap. In de toekomst zullen namelijk nog meer beslissingen genomen moeten worden in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Het is daarom goed als de ouders leren hoe zij samen invulling gaan geven aan het ouderschap en beter met elkaar leren communiceren.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.14
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
De kosten van deze procedure
3.15
De moeder heeft gevraagd om de vader in de proceskosten te veroordelen. Volgens vaste jurisprudentie worden de kosten van procedures tussen ex-partners gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt. Toch kunnen zich gevallen voordoen waarbij het in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn om de proceskosten te compenseren. In zo’n geval moet er zeer duidelijk sprake zijn van onnodig procederen. Daarvan is hier geen sprake. De stellingen over en weer leiden niet tot de conclusie dat er sprake is van strijd met de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank ziet om die reden geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke proceskostenverdeling in familiezaken. Dit betekent dat de rechtbank zal beslissen dat iedere ouder de eigen proceskosten betaalt.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt hier de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1
verleent de vader vervangende toestemming om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in te schrijven op christelijke basisschool [school A] in [plaats 1] ;
4.2
verleent de vader vervangende toestemming om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in te schrijven voor de VSO en BSO bij [naam 1] in [plaats 1] ;
4.3
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
4.4
bepaalt dat de ouders hun eigen proceskosten betalen;
4.5
wijst de verzoeken van de moeder af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. F.D.M. Osinga, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. J.J. Boekhout, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.