Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 1])
ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 2])
[pleegouder 2],
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 april 2026;
- het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de moeder van 13 mei 2026.
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 april 2026;
- het bericht van de GI met bijlagen, ontvangen op 16 april 2026;
- het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de moeder van 13 mei 2026.
2.De feiten
.
3.Het verzoek
4.De standpunten
5.De beoordeling
De benoeming van de deskundige leidt mede tot een beslissing in deze zaak
De belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verzetten zich niet tegen de benoeming van een deskundige
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben grote behoefte aan stabiliteit, duidelijkheid en voorspelbaarheid. [minderjarige 1] heeft bovendien ondersteuning nodig bij emotieregulatie, vermoedelijke trauma’s en bij een verstoorde gehechtheidsontwikkeling. Dit kunt u hen op dit moment niet bieden. De indruk bestaat dat u uw handen nog vol hebt aan uzelf, zonder werk of de kinderen. Mogelijk ligt uw eigen problematiek hieraan ten grondslag en is het geen onwil, maar onmacht.”
al met al zien we bij moeder een patroon van goede intentie en haar gedachtes over opvoeding en verzorging. We merken echter dat het moeder niet lukt om haar eigen emoties en behoeftes dusdanig te reguleren dat ze de behoeftes en emoties van haar kinderen voorop kan zetten en hier ook naar kan handelen. Dit wordt helder in de gesprekken en in de omgangsmomenten, ook al zien de gezinsonderzoekers hierin kleine positieve stapjes tijdens het nabespreken van de opnames. Gezien de ‘vermoeidheid’ die moeder aan het einde van het gezinsonderzoek toont, vragen de onderzoekers zich af of moeder deze kleine stapjes kan vasthouden en of zij voldoende inzicht heeft in dat de belaste voorgeschiedenis van [minderjarige 1] vandaag de dag nog invloed heeft op zijn ontwikkeling. En of moeder zich beseft dat [minderjarige 1] veel stabiliteit, duidelijkheid, regulatie en voorspelbaarheid nodig heeft van zijn opvoeders. Daarnaast heeft hij behandeling nodig voor zijn mogelijke trauma’s en verstoorde gehechtheidsontwikkeling. Dit is niet wat moeder hem kan bieden. De indruk bestaat dat moeder haar handen nog vol heeft aan zichzelf, zonder werk of de kinderen. Mogelijk ligt hier eigen problematiek (verstandelijke beperking, -trauma) aan ten grondslag en is het geen onwil maar onmacht. De onderzoekers adviseren [minderjarige 1] te laten opgroeien in het pleeggezin, met zoveel als passend en mogelijk is, contact met zijn moeder.
[minderjarige 2] heeft stabiliteit, duidelijkheid en voorspelbaarheid nodig van haar opvoeders. De indruk bestaat dat moeder haar handen nog vol heeft aan zichzelf, zonder werk of de kinderen. Zij heeft veel moeite met het reguleren van haar eigen emoties en kan dit niet weghouden van de kinderen. Daarnaast is het onduidelijk of moeder op de lange duur in staat is om de veiligheid van de kinderen te garanderen. Zij heeft een geschiedenis van veelvuldig huiselijk geweld en agressieve relaties. Met de vader van [minderjarige 2] heeft zij op dit moment weinig tot geen contact. Maar haar actuele posts [op social media, toevoeging kinderrechter
] met de oproep om zwanger gemaakt te worden door een onbekende man, laten zien dat de moeder niet lijkt te beseffen dat zij hiermee opnieuw risico’s creëert voor zichzelf en haar kinderen. Kijkend naar [minderjarige 2] zijn de gezinsonderzoekers van mening dat thuisplaatsing van [minderjarige 2] niet aan de orde is. De gezinsonderzoekers adviseren [minderjarige 2] samen met haar broer te laten opgroeien in het pleeggezin, met zoveel als passend en mogelijk is, contact met haar moeder.”
nogvol heeft aan zichzelf’, waarmee eveneens lijkt te worden gesuggereerd dat dit kan veranderen. Gelet op de zeer ingrijpende gevolgen die het perspectiefbesluit voor de moeder en de kinderen heeft, vindt de kinderrechter het begrijpelijk dat de moeder wil dat (onder meer) dit aspect nader wordt uitgezocht. De kinderrechter weegt hierbij mee dat uit rechtspraak van het EHRM volgt dat het opgeven van het doel van een thuisplaatsing zonder zorgvuldig onderzoek naar de pedagogische vaardigheden van de moeder een schending van artikel 8 van Pro het EVRM (dat het gezinsleven beschermt) oplevert. [5] Dat de moeder zelf eerder op een diagnostisch onderzoek had kunnen aandringen, zoals de GI heeft gesteld, maakt niet dat de moeder haar recht op een contra-expertise in de zin van art. 810a lid 2 Rv zou zijn verloren.
binnen een maand na de datum van de beschikking, dus uiterlijk op 20 juni 2026schriftelijk een reactie te geven op het voornemen van de rechtbank en op de hieronder weer te geven voorgestelde vragen. Voorts dienen zij aan te geven of zij – zonder voorbehoud – bereid zijn om:
- in te stemmen met de door het NIFP voor te dragen deskundige(n) (behoudens gerede twijfel aan diens deskundigheid, voorafgaand aan het onderzoek schriftelijk en met redenen omkleed aan de rechtbank kenbaar te maken);
- aan het onderzoek door de deskundige(n) mee te werken;
- ermee in te stemmen dat de onderzoeksresultaten door de deskundige(n) aan de rechtbank worden overgelegd en gebruikt worden voor de verdere beslissing in deze zaak.
- Indien niet wordt overgegaan tot (terug)plaatsing bij de moeder, hoe kan het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dan het best worden vormgegeven, en welke rol kunnen de pleegouders daarin spelen?
- In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren, die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar die wel van belang zijn met betrekking tot de opvoeding en ontwikkeling van [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] ?
6.De beslissing
gelegen voor 21 november 2026, tegen welke zitting de GI, de moeder, de vader en de pleegouders dienen te worden opgeroepen;
20 juni 2026de gelegenheid hebben voor een schriftelijke reactie zoals omschreven onder 5.15 van deze beschikking;
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.