Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank van 18 november 2025, waarin het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht.
De rechtbank heeft beoordeeld of de eerdere beslissing om het beroep zonder zitting af te doen terecht was, omdat er geen twijfel bestond over de uitkomst. Opposant betwistte de ontvangst van de aangetekende griffierechtnota, maar de rechtbank stelde vast dat deze op 10 oktober 2025 op het adres van de gemachtigde van opposant is bezorgd en voor ontvangst is getekend.
Opposant heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die de ontvangst of het niet betalen van het griffierecht verschoonbaar maken. Daarom mocht de rechtbank het beroep vereenvoudigd afdoen en oordelen dat het kennelijk niet-ontvankelijk was. Het verzet is ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.