ECLI:NL:RBMNE:2026:3461

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
25/1605
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht bij omgevingsvergunning

Eiser diende op 13 juli 2023 een aanvraag om een omgevingsvergunning in bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht. Het college stelde de aanvraag op 21 september 2023 buiten behandeling omdat deze niet voldeed aan de voorschriften. Het bezwaar van eiser tegen dit besluit werd op 14 januari 2025 ongegrond verklaard.

Eiser stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank stelde eiser in kennis van de verplichting tot betaling van griffierecht binnen vier weken na verzending van de nota. Eiser deed op 24 maart 2025 een beroep op betalingsonmacht en verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Dit verzoek werd voorlopig toegewezen, maar definitief afgewezen op de zitting omdat eiser onvoldoende onderbouwing gaf van zijn financiële situatie.

Ondanks herinneringen en een termijn van vier weken na verzending van de griffierechtnota op 20 maart 2026, betaalde eiser het griffierecht niet. Er was geen verontschuldiging voor dit verzuim. De rechtbank verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1605

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht(het college), verweerder
(gemachtigde: mr. M.J. W. Gorissen)
.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van het college van
14 januari 2025.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet aan de door de
wet gestelde vereisten voldoet om het beroep in behandeling te kunnen nemen. Dat betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 13 juli 2023 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Met
het besluit van 21 september 2023 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat de aanvraag niet voldoet aan de voorschriften voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning.
3. Met het besluit van 14 januari 2025 (het bestreden besluit ) heeft het college het
bezwaar van eiser tegen het besluit van 21 september 2023 ongegrond verklaard.
4. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. et collegeHet college heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026, tegelijkertijd met een ander beroep
van eiser, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college, bijgestaan door mr. R. Verstappen.

Beoordeling door de rechtbank

6. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier van de rechtbank
griffierecht geheven. [1] De griffier deelt de indiener van het beroepschrift mede dat het griffierecht binnen vier weken na verzending van de nota dient te zijn betaald. Indien het bedrag niet tijdig is betaald, is het beroep in beginsel niet-ontvankelijk. De niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
7. Eiser is per brief van 27 februari 2025 medegedeeld dat het griffierecht binnen vier
weken na dagtekening van de brief dient te zijn betaald. Eiser heeft per e-mail van 24 maart 2025 een beroep gedaan op betalingsonmacht en verzocht om vrijstelling voor het betalen van het griffierecht. Het verzoek van eiser is bij brief van 29 augustus 2025 voorlopig toegewezen. In deze brief is eiser erop gewezen dat de rechter die het beroep behandelt definitief beslist of eiser griffierecht kan betalen. Op de zitting heeft de rechtbank op basis van de door eiser aangeleverde gegevens het verzoek om vrijstelling voor het betalen van het griffierecht afgewezen, omdat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn netto-inkomen lager is dan 95% van de maximale bijstandsuitkering van een alleenstaande en hij ook geen vermogen heeft waaruit hij het griffierecht kan betalen. Eiser is op de zitting meegedeeld dat een nota griffierecht zal worden verzonden waarin hem een termijn van vier weken wordt gegeven om het griffierecht alsnog te betalen.
8. De rechtbank heeft eiser op 20 maart 2026 (nogmaals) een griffierechtnota gestuurd.
Omdat eiser niet binnen de gestelde termijn van vier weken het griffierecht heeft betaald is hem op 20 april 2026 aangetekend een herinnering verstuurd. Eiser heeft het griffierecht toen weer niet betaald. Er is geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet
inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:41, eerste lid, van de Awb.