ECLI:NL:RBMNE:2026:3462

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/2832
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om proceskostenvergoeding na niet tijdig besluit UWV in WIA-aanvraag

Verzoekster diende op 14 juli 2025 een aanvraag in bij het UWV in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Nadat het UWV niet tijdig een besluit nam, stelde verzoekster het UWV op 19 maart 2026 in gebreke en ging zij op 14 april 2026 in beroep tegen het uitblijven van een besluit. Op 22 april 2026 nam het UWV alsnog een besluit, waarna verzoekster op 19 mei 2026 haar beroep introk en een vergoeding van proceskosten vroeg.

De rechtbank oordeelde dat het UWV de proceskosten van verzoekster moest vergoeden, omdat het UWV alsnog heeft gedaan wat verzoekster wilde en geen bezwaar maakte tegen de vergoeding. De proceskosten werden vastgesteld op €467,-, gebaseerd op één punt voor het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor van 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak. Daarnaast moet het UWV het griffierecht van €54,- aan verzoekster betalen.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro. De rechtbank veroordeelde het UWV tot betaling van de proceskosten en griffierecht aan verzoekster. Verzoekster kan binnen zes weken verzetschrift indienen als zij het niet eens is met deze uitspraak.

Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot betaling van €467,- aan proceskosten en €54,- aan griffierecht aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2832

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. S. Heijnen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Het UWV heeft op 26 mei 2026 gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. Op 14 juli 2025 heeft verzoekster een aanvraag ingediend in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Verzoekster heeft het UWV op 19 maart 2026 in gebreke gesteld. Verzoekster is op 14 april 2026 in beroep gegaan tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Op 22 april 2026 heeft het UWV alsnog een besluit genomen. Het UWV heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft op 19 mei 2026 het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
3. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
4. Het UWV heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoekster te betalen.
5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die het UWV moet betalen vast op € 467,-. (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde de wegingsfactor 0,5 toegepast.
6. Het UWV moet ook het griffierecht van € 54,- aan verzoekster betalen (artikel 8:41 Awb Pro).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Het UWV moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.