ECLI:NL:RBMNE:2026:3496

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/3097
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 2.3 JeugdwetArt. 6:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing pgb voor individuele zwemlessen op grond van Jeugdwet

Eiseres vroeg een persoonsgebonden budget (pgb) aan voor individuele zwemlessen voor haar minderjarige dochter op grond van de Jeugdwet. Het college wees de aanvraag af omdat onvoldoende was vastgesteld waarom individuele begeleiding nodig was en omdat de zwemschool niet als jeugdhulpaanbieder werd erkend.

De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht en het advies van de bezwaaradviescommissie niet heeft opgevolgd. Het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep is niet inzichtelijk doorlopen, waardoor de hulpvraag onvoldoende in kaart is gebracht en het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van het pgb voor individuele zwemlessen wordt vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3097

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026 in de zaak tussen

[gemachtigde] ,in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige
[minderjarige] ( [minderjarige] ), uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. L. Veenman),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, het college
(gemachtigde: mr. A.J. Nooitgedacht).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor individuele zwemlessen voor haar minderjarige dochter [minderjarige] . Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd
.Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 4 april 2024 een aanvraag ingediend voor een Persoonsgebondenbudget (Pgb) op grond van de Jeugdwet (Jw) voor individuele zwemlessen. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 25 juli 2024 afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing.
2.1.
Op 16 mei 2025 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar.
2.2.
Met het bestreden besluit van 24 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3.
Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen wordt mede geacht gericht te zijn tegen het bestreden besluit. [1] Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
2.5.
Eiseres heeft tijdens de behandeling op zitting het beroep tegen het niet tijdig beslissen ingetrokken.
2.6.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. [minderjarige] is geboren op [geboortedatum] 2014. Uit het onderzoek van Jeugd Lelystad (JEL) blijkt dat er bij [minderjarige] sprake is van een spraak-taalachterstand, trauma en hoogbegaafdheid. Namens [minderjarige] is door eiseres op 4 april 2024 een aanvraag ingediend voor een Pgb op grond van de Jw voor ‘individuele zwemles’ bij zwemschool [locatie] .
3.1.
Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat niet vast is komen te staan waarom [minderjarige] individuele begeleiding nodig heeft bij het aanleren van zwemvaardigheden. Het college heeft eiseres op 28 juni 2024 gevraagd om informatie hierover aan te leveren. Omdat eiseres niet aan het verzoek heeft voldaan, stelt het college zich op het standpunt dat eiseres onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek. Daardoor kan niet worden vastgesteld of de individuele begeleiding als jeugdhulp kan worden gekwalificeerd. Daarnaast stelt het college dat op grond van het budgetplan niet kan worden vastgesteld wat het doel van de individuele begeleiding is en of de kwaliteit van de zorgverleners voldoende gewaarborgd is. Ook daarom wijst het college de aanvraag af.
3.2.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het college legt hier aan ten grondslag dat individuele zwemles niet onder jeugdhulp valt. Het aanleren van zwemvaardigheden valt namelijk niet onder de doelen van de Jw. Individuele zwemles draagt niet bij aan het bevorderen van deelname aan het maatschappelijk verkeer of aan het versterken van het zelfstandig functioneren van [minderjarige] . Daarnaast stelt het college zich op het standpunt dat ook als de individuele zwemles ook onder jeugdhulp zou vallen, er geen verplichting is tot toekennen van die hulp. De zwemschool [locatie] kan namelijk niet worden aangemerkt als jeugdhulpaanbieder. De zwemschool verleent geen hulp onder verantwoordelijkheid van het college en verleent ook niet bedrijfsmatig jeugdhulp. Het college kan een Pgb verstrekken voor het inkopen van hulp via een informele hulpverlener. Daarvoor moet worden voldaan aan de eis dat de kwaliteit van de hulp voldoende is om de gestelde doelen in de onderzoeksrapportage te kunnen realiseren. Het college concludeert dat de gestelde doelen niet gerealiseerd kunnen worden en dat de kwaliteit van de zwemschool onvoldoende is gewaarborgd. Het college handhaaft daarom de afwijzing van de aanvraag.
4. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat [minderjarige] individuele begeleiding nodig heeft bij zwemles. Partijen verschillen van mening over de vraag of individuele begeleiding bij zwemles onder de Jw kan vallen.
Zorgvuldigheid van het onderzoek
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college onvoldoende onderzoek heeft uitgevoerd en nagelaten heeft het advies van de bezwaar advies commissie (BAC) op te volgen om een nader onderzoek te laten verrichten. Het college heeft het bestreden besluit gebaseerd op een aanvullend advies van JEL van 16 mei 2025. Het aanvullend advies is een interne mail vanuit JEL naar het college. Eiseres stelt zich ook op het standpunt dat het besluit onvoldoende is voorbereid, omdat het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) niet inzichtelijk is doorlopen. Eiseres stelt, kort samengevat, dat het college de hulpvraag te summier heeft geformuleerd (stap 1), dat het college ten onrechte geen totaalbeeld heeft gegeven van de naar aard en omvang benodigde hulp (stap 3) en dat het college ten onrechte niet heeft beoordeeld of de eigen mogelijkheden of het probleem oplossend vermogen toereikend is of dat er een noodzaak bestaat voor toekenning van een jeugdwetvoorziening (stap 4).
6. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, volgt uit artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 2.3 van de Jw dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. De CRvB heeft daarvoor een stappenplan opgesteld. Wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag om jeugdhulp moet het college allereerst vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is (stap 1). Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn (stap 2). Pas wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren (stap 3). Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te verlenen.
7. De rechtbank stelt vast dat de BAC heeft opgemerkt dat eiseres de medewerkingsplicht niet heeft geschonden en dat het bestreden besluit niet ongewijzigd in stand kan blijven. De BAC heeft het college geadviseerd nader te onderzoeken of de verzochte begeleiding bij het aanleren van zwemvaardigheden onder jeugdhulp kan vallen. Daarbij is van belang of de voor [minderjarige] te behalen doelen via individuele begeleiding bij het zwemmen kunnen worden bereikt. Het college dient te bezien welke overige doelen met het volgen van de individuele begeleiding gemoeid zijn en het college dient in kaart te brengen welke zorg reeds is toegekend en wat in totaliteit nodig is.
8. Bij het verweerschrift heeft het college de interne mail van 16 mei 2025 van JEL overgelegd. In het verweerschrift heeft het college toegelicht dat deze mail geen aanvullende rapportage is, maar een inhoudelijke mail ter ondersteuning van het opstellen van de beslissing op bezwaar. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college deze toelichting aangevuld door uit te leggen dat nader onderzoek minder nodig is gebleken omdat het standpunt van het college is dat de gevraagde individuele begeleiding bij zwemlessen niet onder jeugdhulp valt.
8.1.
De rechtbank constateert dat de mail van 16 mei 2025 geen aanvullend onderzoek is, zoals de BAC het college heeft geadviseerd, maar een nadere (juridische) onderbouwing van het standpunt van het college. Het college heeft dus, anders dan het zelf stelt in de beslissing op bezwaar op pagina 2, het advies van de BAC hiermee niet opgevolgd. De beroepsgrond slaagt.
8.2.
Het college heeft de mail van 16 mei 2025 betrokken bij het doorlopen van het stappenplan. Nu er geen nader onderzoek is verricht, is het stappenplan niet inzichtelijk doorlopen. De hulpvraag is namelijk onvoldoende in kaart gebracht door niet te onderzoeken welke overige doelen met het volgen van de individuele begeleiding gemoeid zijn en of de voor [minderjarige] te behalen doelen via individuele begeleiding bij het zwemmen kunnen worden bereikt. De beantwoording van de vraag welke hulp naar aard en omvang nodig is (stap 3) is gebaseerd op de door het college vastgestelde hulpvraag en de mail van 16 mei 2025. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook in het kader van deze stap onvoldoende onderzoek verricht. Doordat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht, is het standpunt dat de individuele begeleiding bij zwemlessen niet onder jeugdhulp valt ook onvoldoende gemotiveerd. Het college dient immers eerst de hulpvraag volledig en inzichtelijk in kaart te brengen alvorens te beoordelen of dit onder de jeugdwet valt. Het beroep slaagt.
8.3.
Omdat het beroep om deze redenen slaagt, behoeven de overige gronden geen bespreking meer.
9. De rechtbank wijst er ten overvloede op dat de gemachtigde van het college desgevraagd tijdens de zitting heeft toegelicht dat individuele begeleiding bij zwemlessen onder bepaalde omstandigheden wel onder jeugdhulp kan vallen. De begeleiding bij de zwemlessen moet dan onderdeel zijn van een behandelplan. Het plan hoeft niet door de zwemschool zelf worden opgesteld, maar door een professionele jeugdhulpverlener.
9.1.
Verder wijst de rechtbank op de verklaring van eiseres tijdens de zitting, dat haar is toegezegd dat JEL in het kader van het nadere onderzoek in bezwaar contact met haar zou opnemen, maar dat JEL dit niet heeft gedaan. De gemachtigde van het college heeft ter zitting erkend dat het contact tussen partijen niet goed is verlopen en heeft verklaard dit betreurenswaardig te vinden. De rechtbank geeft het college dan ook in overweging om contact op te nemen met eiseres om met elkaar in gesprek te gaan.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over te nemen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 juli 2025 gegrond;
- vernietigt het besluit van 24 juli 2025;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)