ECLI:NL:RBMNE:2026:3539

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
AWB 26/1157
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding wegens te late beslissing bezwaar Algemene Nabestaandenwet

Verzoekster diende beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een Algemene Nabestaandenwet-uitkering. Nadat verweerder alsnog op 17 februari 2026 een besluit nam, trok verzoekster haar beroep in en verzocht om vergoeding van haar proceskosten.

De rechtbank oordeelt dat verweerder is tegemoetgekomen aan het beroep door alsnog een besluit te nemen. Het feit dat verweerder afhankelijk was van andere bestuursorganen en daardoor niet eerder kon beslissen, doet hieraan niet af. Verzoekster behoudt het recht om beroep in te stellen tegen het niet tijdig beslissen.

De rechtbank kent een proceskostenvergoeding toe van €467,-, gebaseerd op een wegingsfactor van 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak en het inschakelen van een professionele hulpverlener. Tevens moet verweerder het griffierecht vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf op 26 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Sociale Verzekeringsbank tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster wegens te late beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26 / 1157

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] wonende te [woonplaats] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Verzoekster heeft een beroep ingediend, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een Algemene Nabestaandenwet uitkering (hierna: het bezwaar).
Op 17 februari 2026 heeft verweerder alsnog een besluit genomen op het bezwaar.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster haar beroep ingetrokken. Zij heeft daarbij het verzoek gedaan om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Op 20 februari 2026 heeft verweerder gereageerd op het verzoek en aangegeven de proceskosten niet te willen vergoeden.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een
zitting. [1]
2. Als een indiener het beroep intrekt, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan diens beroepschrift, dan kan de bestuursrechter het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten van de indiener. [2]
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. Verweerder heeft immers alsnog een besluit op het bezwaar van verzoekster genomen.
4. Verweerder voert aan dat het voor het bestuursorgaan niet mogelijk was om eerder tot een zorgvuldig besluit te kunnen komen. Dat verweerder afhankelijk is van andere bestuursorganen en daardoor niet tijdig een beslissing op bezwaar kon nemen, doet hieraan niet af. Verzoekster behoudt te allen tijde het recht om beroep in te stellen tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
5. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat verzoekster een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een verzoek in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een verzoek tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. De rechtbank volgt verweerder niet in diens standpunt dat de zaak van “zeer licht” gewicht is, als gevolg waarvan een wegingsfactor van 0,25 zou moeten worden toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht vergoeden. [3]

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van M.H.G.P. Tober, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Voetnoten

1.Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb, in samenhang met het Besluit Proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.