Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3547

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
20 juni 2026
Zaaknummer
12208947 \ MV EXPL 26-61
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning wegens huurachterstand van acht maanden en betaling huurachterstand

De huurder [gedaagde] huurt sinds 2009 een woning van [eiser] en heeft een huurachterstand opgebouwd van acht maanden, van oktober 2025 tot en met mei 2026. [eiser] vordert ontruiming van de woning en betaling van de achterstallige huur, inclusief rente en buitengerechtelijke incassokosten.

Tijdens de mondelinge behandeling verklaart [gedaagde] dat de huurachterstand is ontstaan door een hartinfarct waardoor hij tijdelijk niet kon werken, en dat hij verwacht binnen enkele weken de achterstand in te lopen. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat dit niet aannemelijk is gemaakt en dat de huurachterstand ernstig genoeg is om ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen.

De voorzieningenrechter wijst de vordering tot ontruiming toe en veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de huurachterstand, wettelijke rente, gebruiksvergoeding tot daadwerkelijke ontruiming, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat [eiser] direct kan overgaan tot uitvoering.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en betaling van de huurachterstand met rente en kosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Voorzieningenrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12208947 \ MV EXPL 26-61
Vonnis in kort geding van 9 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eiser, hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.S. Balarajah,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H.J.J. Hendrikse.

1.De procedure

1.1
De voorzieningenrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
- de dagvaarding, met 13 producties;
- twee producties van [gedaagde] ;
- de nagekomen productie 14 van [eiser] .
1.2
Op 26 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden op de locatie van de rechtbank Midden-Nederland in Lelystad. [eiser] was aanwezig, bijgestaan door
mr. Balarajah. [gedaagde] was aanwezig, bijgestaan door mr. Hendrikse. Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er met partijen is besproken.
1.3
Op de mondelinge behandeling is bepaald dat op 9 juni 2026 uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1
[gedaagde] huurt sinds 2009 van [eiser] de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning). De huurprijs bedraagt op dit moment € 1.320,00 per maand. [gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. [eiser] vordert in dit kort geding ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand over de periode van oktober 2025 tot en met mei 2026, met rente en kosten. Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op betaling van een gebruikersvergoeding gelijk aan de huurprijs vanaf 1 april 2026 tot aan het moment dat [gedaagde] de woning daadwerkelijk heeft ontruimd.

3.De beoordeling

3.1
De voorzieningenrechter stelt [eiser] in het gelijk. Dit betekent dat [gedaagde] de woning moet ontruimen, dat hij de huurachterstand moet betalen en dat hij tot aan het moment dat hij de woning heeft ontruimd elke maand een gebruiksvergoeding voor de woning aan [eiser] moet betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Spoed
3.2
Een voorziening in kort geding kan slechts worden genomen als de partij die de voorziening (de ordemaatregel) vordert, daarbij een spoedeisend belang heeft. [eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van zijn vorderingen tot ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand in kort geding, omdat er nu een huurachterstand is van acht maanden en het er niet naar uit ziet dat de huur op korte termijn weer zal worden betaald. Van [eiser] kan daarom niet worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
Huurachterstand
3.3
[eiser] noemt in de dagvaarding een huurachterstand van € 10.560,00. Deze huurachterstand is berekend over de maanden oktober 2025 tot en met mei 2026. Volgens [gedaagde] klopt die huurachterstand. De voorzieningenrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen om dit bedrag aan [eiser] te betalen. Ook de gevorderde wettelijke rente tot en met 7 mei 2026 berekend op € 143,50 moet [gedaagde] aan [eiser] voldoen.
Ontruiming
3.4
Een in kort geding bevolen ontruiming is een maatregel die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daaraan verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een vordering tot ontruiming moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een procedure in kort geding geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding. De vordering tot ontruiming is alleen toewijsbaar als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter die vordering ook zal toewijzen.
3.5
[gedaagde] is het niet eens met de gevorderde ontruiming en heeft dat op de zitting toegelicht. [gedaagde] is zelfstandig ondernemer. De huurachterstand is ontstaan, doordat [gedaagde] in oktober 2025 een hartinfarct kreeg, waardoor hij (tijdelijk) niet kon werken en hij geen inkomen had. [gedaagde] verwacht binnen twee tot drie weken met nieuwe projecten te kunnen starten en de achterstand dan in twee termijnen te kunnen inlossen. Ook de lopende huur voor juni 2026 zegt [gedaagde] te kunnen betalen. [gedaagde] heeft nooit de intentie gehad om de huur niet te betalen. Hij wil daarom met [eiser] afspraken maken over het inlopen van de huurachterstand. Als een ontruiming aan de orde is, verzoekt [gedaagde] die ontruiming voorwaardelijk op te leggen voor het geval dat hij de huurachterstand en lopende huur niet volgens afspraak betaalt.
3.6
[eiser] stelt dat hij begrip heeft voor de medische situatie van [gedaagde] , maar dat hij er geen vertrouwen meer in heeft dat [gedaagde] de huurachterstand zal inlopen en de lopende huur zal betalen. [gedaagde] heeft vaker de huur niet op tijd betaald en een huurachterstand laten ontstaan. [gedaagde] heeft meerdere toezeggingen gedaan dat de huurachterstand ook nu zal worden betaald, maar [gedaagde] is zijn toezeggingen niet nagekomen. Hij heeft sinds oktober 2025 geen enkele huurbetaling meer gedaan.
3.7
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] zijn verweer dat hij op (korte) termijn de huur weer kan betalen en hij de huurachterstand kan inlossen, niet onderbouwd. Dat blijkt daardoor nergens uit. [gedaagde] heeft ook niet laten zien dat zijn financiële situatie (snel) verbetert en dat hij van goede wil is. De huurachterstand is de afgelopen maanden alleen maar verder opgelopen. De voorzieningenrechter is gelet op de hoogte van de huurachterstand en de omstandigheden zoals hiervoor genoemd van oordeel dat de bodemrechter hoogstwaarschijnlijk zal oordelen dat de tekortkoming van de zijde van [gedaagde] voldoende ernstig is om een ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. De vordering tot ontruiming zal daarom worden toegewezen. De medische omstandigheden die [gedaagde] aanvoert hebben, hoe ingrijpend die ook voor [gedaagde] zijn geweest, niet tot gevolg dat van een ontruiming moet worden afgezien. Ook voor een voorwaardelijke ontruiming ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, omdat [gedaagde] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn toezeggingen om de huur(achterstand) te betalen nu wel zal kunnen nakomen.
3.8
[gedaagde] moet de woning ontruimen. Dit betekent dat hij de woning moet verlaten en leeg en netjes moet achterlaten. [gedaagde] krijgt hiervoor veertien dagen de tijd. Deze termijn gaat in vanaf het moment dat dit vonnis aan hem door de deurwaarder is bezorgd.
Gebruiksvergoeding
3.9
[gedaagde] moet tot aan het moment dat hij de woning daadwerkelijk heeft ontruimd dezelfde maandelijkse vergoeding betalen die hij, voordat de betalingen van de huur stopte, aan [eiser] betaalde.
Wettelijke rente
3.1
[eiser] maakt aanspraak op wettelijke rente. [gedaagde] moet de wettelijke rente betalen over de periode waarin hij met betaling van de huur(achterstand) in verzuim is geweest. Omdat [gedaagde] de huur vooruit moet betalen en hij dat niet heeft gedaan, is hij in verzuim geraakt. Daarom zal de gevorderde wettelijke rente tot en met 7 mei 2026 van € 143,50 worden toegewezen. Ook de rente die [eiser] heeft gevorderd vanaf 8 mei 2026 tot aan de dag waarop de achterstand helemaal is betaald, zal worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.11
[eiser] maakt aanspraak op een vergoeding van € 639,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is gelijk aan het op grond van de aanmaning toewijsbare bedrag. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen daarom worden toegewezen. [eiser] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met € 134,19 aan btw. Ook de btw is toewijsbaar.
Proceskosten
3.12
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
967,02
3.13
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.14
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat [eiser] het vonnis direct kan (laten) uitvoeren, als [gedaagde] niet aan het vonnis voldoet. [gedaagde] kan dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als hij hoger beroep heeft ingesteld en nog niet op dat hoger beroep is beslist. Het uitgangspunt is dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de belangen van [gedaagde] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan de belangen van [eiser] om direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis. De belangen die hierbij worden meegewogen, zijn genoemd onder 3.7. De voorzieningenrechter vindt dat in dit geval de belangen van [eiser] zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde] . Daarom zal het vonnis volgens het uitgangspunt uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:
4.1
veroordeelt [gedaagde] om de woning binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, voor zover die aan hem toebehoren en niet aan [eiser] , en om de woning met afgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van [eiser] te stellen;
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
- € 10.560,00 aan huurachterstand tot en met mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 mei 2026 tot de dag van volledige betaling, waarbij rekening moet worden gehouden met tussentijdse betalingen;
- € 143,50 aan wettelijke rente tot en met 7 mei 2026;
- een bedrag gelijk aan de maandelijkse huurprijs van € 1.320,00 vanaf 1 juni 2026 tot en met het einde van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming plaatsvindt;
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 967,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.5
wijst wat meer of anders is gevorderd af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
41264