ECLI:NL:RBMNE:2026:3554

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
12048806 \ UC EXPL 26-254
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:5 BWArt. 7:6 BWArt. 7:17 lid 1 BWArt. 7:17 lid 2 BWArt. 7:17 lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding koopovereenkomst auto wegens non-conformiteit en terugbetaling koopsom

Op 20 juni 2025 kocht eiser een Kia Rio uit 2013 met een hoge kilometerstand van de gedaagde verkoper. Kort na aankoop bleek de motor gebreken te vertonen, waaronder rook uit de uitlaat en een defecte motor die niet meer te gebruiken was. Ondanks pogingen van gedaagde om het gebrek te verhelpen, bleef het probleem bestaan.

Eiser liet de auto onderzoeken door een garage, die bevestigde dat de motor versleten was en olie lekte in de cilinders, een gebrek dat al bij de koop aanwezig moet zijn geweest. Gedaagde kon dit niet overtuigend weerleggen. Eiser ontbond daarom de koopovereenkomst buitengerechtelijk op 5 september 2025.

De kantonrechter oordeelde dat de auto niet aan de overeenkomst voldeed en dat gedaagde de koopsom minus de verkoopopbrengst van de sloopauto aan eiser moet terugbetalen. Daarnaast moet gedaagde een schadevergoeding betalen voor kosten van verzekering, belasting, vervangend vervoer en sleepdiensten. Ook worden buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten aan eiser toegewezen.

De wettelijke rente wordt over de verschillende bedragen toegewezen vanaf relevante data, en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De koopovereenkomst wordt ontbonden en gedaagde moet de koopsom minus verkoopopbrengst, schadevergoeding, incassokosten en proceskosten aan eiser betalen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12048806 \ UC EXPL 26-254 RvdH/1037
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. N. Overeem,
tegen
1.
de vennootschap onder firma [gedaagde sub 1] handelend onder de naam [handelsnaam] V.O.F.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
2.
[gedaagde sub 2],
3.
[gedaagde sub 3],
beiden wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
vertegenwoordigd door [gedaagde sub 2] , gedaagde sub 2.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 11,
- het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 14 januari 2026 aan te merken als de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte van [eiser] met producties 12 tot en met 14.
1.2
Op 29 april 2026 vond de mondelinge behandeling plaats, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eiser] is samen met zijn vader en gemachtigde verschenen. De heer [gedaagde sub 2] is ook verschenen, mede namens de vof en [gedaagde sub 3] . De gemachtigde van [eiser] heeft spreekaantekeningen voorgedragen.
1.3
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] heeft op 20 juni 2025 een auto bij [gedaagden] gekocht. Het betrof een Kia Rio uit 2013 met een kilometerstand van 187.600. [eiser] heeft maar kort met de auto kunnen rijden, omdat er een gebrek was aan de motor. [gedaagden] is in de gelegenheid gesteld om het gebrek definitief op te lossen, maar dat heeft zij niet gedaan. [eiser] kon de auto niet meer gebruiken en hij heeft hem verkocht als sloopauto. Deze procedure gaat over de vraag of [gedaagden] de koopsom aan [eiser] moet terugbetalen.

3.De beoordeling

3.1
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] de koopsom (na aftrek van de verkoopopbrengst) aan [eiser] moet terugbetalen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Het beoordelingskader: consumentenkoop en non-conformiteit
3.2
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiser] de auto heeft gekocht als consument en dat [gedaagden] handelde als verkoper in de uitoefening van een bedrijf. De overeenkomst moet daarom worden aangemerkt als een consumentenkoop. [1]
3.3
Bij een consumentenkoop heeft de koper de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden als de afgeleverde zaak (in dit geval de auto) niet aan de overeenkomst beantwoordt. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst als die niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten, rekening houdend met de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. [2]
3.4
Als de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, is er sprake van een tekortkoming en kan de koper de overeenkomst ontbinden. De bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden ontstaat pas als herstel en vervanging onmogelijk zijn of van de verkoper niet gevergd kunnen worden, of als de verkoper is tekortgeschoten in zijn verplichting om binnen een redelijke termijn correct na te komen. [3]
De auto moet ook aan de overeenkomst beantwoorden als die is gekocht zonder garantie
3.5
[gedaagden] voert aan dat [eiser] de auto zonder garantie heeft gekocht. Ook in dat geval kan [eiser] een beroep doen op de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen.
In het geval van een consumentenkoop kan van die wettelijke bepalingen namelijk niet ten nadele van de consument van worden afgeweken. [4] Dat de auto zonder garantie is verkocht kan invloed hebben op de verwachtingen die [eiser] mocht hebben, maar doet er niet aan af dat de auto moet beantwoorden aan de overeenkomst.
[eiser] kon al snel niet meer met de auto rijden
3.6
[eiser] stelt dat (de motor van) de auto gebreken vertoonde. Toen [eiser] na de aankoop bij [gedaagden] wegreed, constateerde hij samen met zijn ouders dat er lichtgrijze rook uit de uitlaat kwam. Hij is toen teruggereden naar [gedaagden] . [gedaagde sub 2] heeft de auto gecontroleerd en goed bevonden, maar de auto bleef daarna roken. Na een paar dagen overmatig roken, heeft [eiser] de auto op 24 juni 2025 bij [gedaagden] afgeleverd voor nog een controle. [gedaagde sub 2] heeft daarna laten weten dat er een compressietest is gedaan en dat het oliefilter is vervangen en dat de auto in orde was. [eiser] heeft de auto toen weer in gebruik genomen.
3.7
Op 17 juli 2025 ging er tijdens het rijden een oranje lampje knipperen en begon de motor te trillen. [eiser] heeft toen garage [bedrijf] bezocht. Een medewerker van deze garage heeft schriftelijk verklaard dat er olie in de cilinder lekte en dat daardoor de motor versleten was en moest worden gereviseerd of vervangen. De medewerker heeft ook verklaard dat bij het vervangen van de oliefilter en tijdens de compressietest (in opdracht van [gedaagden] , zoals hiervoor genoemd) al zichtbaar moet zijn geweest dat de cilinders vol olie zaten. Ook aan de aangekoekte olie in de cilinders was volgens de medewerker te zien dat de klachten al langere tijd aanwezig waren. De medewerker heeft geconstateerd dat de motor duidelijk versleten is.
3.8
[eiser] kon na zijn bezoek aan garage [bedrijf] niet meer met de auto rijden en de auto heeft tot medio december 2025 stilgestaan. [eiser] heeft de auto uiteindelijk verkocht als sloopauto voor een bedrag van € 700,00. Het kenteken van de auto is op 22 december 2025 overgeschreven.
Het gebrek was op het moment van de koop al aanwezig
3.9
De kantonrechter gaat ervan uit dat de hiervoor omschreven gebreken al aanwezig waren op het moment van de koop. Hierbij is het volgende relevant.
3.1
Het gebrek heeft zich kort na de aankoop geopenbaard. De auto rookte al toen [eiser] bij [gedaagden] wegreed en binnen een maand na de koop is vastgesteld dat de motor versleten en defect was. Dat blijkt uit de hiervoor genoemde verklaring van garage [bedrijf] . In de wet staat dat bij een consumentenkoop wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordt, als de afwijking zich binnen één jaar na aflevering openbaart. [5] Het bewijsvermoeden kan worden weerlegd als [gedaagden] bewijst dat het stuklopen van de motor niet is veroorzaakt door een gebrek dat ten tijde van de koop al bestond. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] niet in dit bewijs is geslaagd.
3.11
[gedaagden] heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de auto voorafgaand aan de verkoop tijdens de APK keuring in een steekproef is gevallen en dat het tijdens die steekproef al zichtbaar had moeten zijn als de auto inwendig olie lekte. [gedaagden] heeft geen (begin van een) onderbouwing van deze stelling overgelegd. Daarom is hiermee het bewijs niet geleverd.
3.12
[gedaagden] heeft verder – zonder onderbouwing – aangevoerd dat als er sprake is van een stukgelopen motor, dat wild rijden (door [eiser] ) daarvan de oorzaak is. [eiser] heeft betwist dat hij wild heeft gereden. Wat [gedaagden] in dit kader heeft aangevoerd, is in het licht van de verklaring van garage [bedrijf] onvoldoende concreet om aan te kunnen nemen dat het gebrek na de koop is ontstaan.
3.13
Het voorgaande betekent dat is komen vast te staan dat de auto niet beantwoordt aan de overeenkomst en dat levert een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op.
[eiser] mocht de overeenkomst ontbinden
3.14
[eiser] heeft [gedaagden] in de gelegenheid gesteld de tekortkoming te herstellen, maar dat heeft [gedaagden] niet gedaan. [eiser] was daarom gerechtigd de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. [6] Dat heeft hij op 5 september 2025 gedaan.
[gedaagden] moet een deel van de koopsom terugbetalen
3.15
De ontbinding leidt ertoe dat partijen van hun verbintenissen zijn bevrijd. [7] Daarom zal [gedaagden] hoofdelijk worden veroordeeld tot terugbetaling aan [eiser] van de koopprijs van € 4.250,00 minus de verkoopopbrengst van de auto (€ 700,00) = € 3.550,00.
[gedaagden] moet een schadevergoeding aan [eiser] betalen
3.16
Omdat de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst aan [gedaagden] kan worden toegerekend, moet zij de schade van [eiser] vergoeden. Het gevorderde bedrag aan schadevergoeding van € 1.657,15 bestaat uit kosten die [eiser] heeft gemaakt voor de autoverzekering, de motorrijtuigenbelasting en vervangend vervoer in de periode dat hij de auto niet meer kon gebruiken. Ook de kosten voor de sleepdienst komen voor vergoeding in aanmerking. [eiser] heeft toegelicht dat hij die kosten heeft gemaakt om de auto te verplaatsen van en naar een kosteloze parkeerplek en de garage. De omvang van de kosten komt de kantonrechter redelijk voor. [gedaagden] zal hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de gevorderde schadevergoeding aan [eiser] .
[gedaagden] is de wettelijke rente verschuldigd
3.17
Omdat [gedaagden] de hiervoor genoemde bedragen niet op tijd aan [eiser] heeft betaald, is zij daarover de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro verschuldigd met ingang van de data als genoemd in de beslissing tot de voldoening. Bij deze data is rekening gehouden met het moment waarop de auto (na verkoop door [eiser] ) is overgeschreven op naam van de nieuwe eigenaar.
[gedaagden] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.18
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [eiser] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. De gevorderde btw zal worden afgewezen, omdat hiervoor niet is aangemaand als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Daarom zal een bedrag van € 550,00 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
[gedaagde sub 2] moet de proceskosten betalen
3.19
[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,38
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.280,38
3.2
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.207,15,
te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over:
- het bedrag van € 4.250,00 (koopprijs tot overschrijving na verkoop), met ingang van 4 augustus 2025 tot 22 december 2025,
- het bedrag van € 3.550,00 (koopprijs na aftrek verkoopopbrengst),met ingang van 22 december 2025 tot de voldoening,
- het bedrag van € 1.657,15 (schadevergoeding),met ingang van 19 december 2025 tot de voldoening,
4.2
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 550,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.3
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, in de proceskosten van € 1.280,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:5 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:17 lid Pro 1, 2 en 5 BW.
3.Artikel 7:22 lid 2 BW Pro.
4.Artikel 7:6 BW Pro.
5.Artikel 7:18a lid 2 BW.
6.Artikel 7:22 lid 1 BW Pro.
7.Artikel 6:271 BW Pro.