Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3556

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
C/16/595082 / HA ZA 25-303 en C/16/599915 / HA ZA 25-477
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:82 lid 1 BWArt. 6:265 BWArt. 6:269 BWArt. 6:265 lid 1 BWArt. 6:271 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding van aannemingsovereenkomsten wegens niet-nakoming bij aanbouw en levering prefab aanbouw

In deze civiele zaak staat centraal of de opdrachtgever de overeenkomsten met de aannemer mag ontbinden wegens het niet afronden van een prefab aanbouw en het leggen van vloertegels, en of de aannemer op haar beurt de overeenkomsten met de leverancier mag ontbinden.

De rechtbank oordeelt dat de opdrachtgever de overeenkomsten met de aannemer mag ontbinden omdat de aannemer in verzuim is geraakt door de aanbouw niet tijdig te realiseren, ondanks ingebrekestellingen en uitsteltermijnen. De ontbinding leidt tot terugbetaling van de aanneemsommen aan de opdrachtgever, terwijl de waarde van de reeds verrichte werkzaamheden niet wordt vastgesteld wegens het ontbreken van een tegenvordering.

De aannemer mocht de overeenkomst met de leverancier niet ontbinden omdat de leverancier haar leveringsverplichting terecht had opgeschort vanwege onbetaalde facturen. De rechtbank wijst de vorderingen van de aannemer tegen de leverancier af en bevestigt dat de aannemer de schade niet op de leverancier kan verhalen.

De rechtbank wijst ook bestuurdersaansprakelijkheid af en veroordeelt de aannemer in de proceskosten. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad en de zaak is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank ontbindt de aannemingsovereenkomsten en veroordeelt de aannemer tot terugbetaling van de aanneemsommen, maar wijst de ontbinding van de overeenkomst met de leverancier af.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Vonnis van 10 juni 2026
in de
hoofdzaakmet zaaknummer C/16/595082 / HA ZA 25-303 van
[procesdeelnemer 1],
wonend in [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [procesdeelnemer 1] ,
advocaat: mr. J. Wassink,
tegen

1.[procesdeelneemster 2] B.V.,

gevestigd in [plaats 2] ,
hierna te noemen: [procesdeelneemster 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
2.
[procesdeelnemer 3],
wonend in [plaats 3] ,
hierna te noemen: [procesdeelnemer 3] ,
gedaagde partij in conventie,
[procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 3] samen te noemen: [procesdeelneemster 2] c.s.,
advocaat: mr. F.A.J.H. de Lugt,
en in de
vrijwaringszaakmet zaaknummer C/16/599915 / HA ZA 25-477 van

1.[procesdeelneemster 2] B.V.,

gevestigd in [plaats 2] ,
hierna te noemen: [procesdeelneemster 2] ,
2.
[procesdeelnemer 3],
wonend in [plaats 3] ,
hierna te noemen: [procesdeelnemer 3] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [procesdeelneemster 2] c.s.,
advocaat: mr. F.A.J.H. de Lugt,
tegen
[procesdeelneemster 4] B.V.,
gevestigd in [plaats 4] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [procesdeelneemster 4] ,
advocaat: mr. D.A.J. Sturhoofd.
1 De procedure
in de hoofdzaak
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 27 augustus 2025 en de daarin genoemde stukken,
- de conclusie van antwoord in conventie en conclusie van eis in reconventie met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- de aanvullende producties van [procesdeelnemer 1] ,
- de aanvullende producties van [procesdeelneemster 2] c.s.,
- de mondelinge behandeling van 13 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2
Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
in de vrijwaringszaak
1.3
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 september 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- de aanvullende producties van [procesdeelneemster 2] c.s.,
- de mondelinge behandeling van 13 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.4
Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaken

2.1
[procesdeelnemer 1] heeft [procesdeelneemster 2] , waarvan [procesdeelnemer 3] middellijk bestuurder is, in februari 2024 opdracht gegeven voor het realiseren van een prefab aanbouw aan zijn woning en in april 2024 voor het leggen van vloertegels in de aanbouw. [procesdeelneemster 2] heeft vervolgens de fundering gelegd, maar het werk niet afgemaakt. In de hoofdzaak is in de kern in geschil of [procesdeelnemer 1] daarom de overeenkomsten met [procesdeelneemster 2] mag ontbinden. [procesdeelneemster 2] vindt van niet, onder meer omdat de leverancier van de aanbouw, [procesdeelneemster 4] , heeft geweigerd de aanbouw aan haar te leveren. Voor het geval de rechtbank tot een ander oordeel komt, heeft [procesdeelneemster 2] [procesdeelneemster 4] in vrijwaring opgeroepen. In de vrijwaringszaak is aan de orde of [procesdeelneemster 2] op haar beurt de overeenkomsten met [procesdeelneemster 4] mocht ontbinden. De rechtbank oordeelt dat [procesdeelnemer 1] de overeenkomsten met [procesdeelneemster 2] wel mag ontbinden maar [procesdeelneemster 2] de overeenkomsten met [procesdeelneemster 4] niet.

3.De beoordeling in de hoofdzaak

in conventie en in reconventie
[procesdeelnemer 1] mag de overeenkomsten met [procesdeelneemster 2] ontbinden
3.1
Uit WhatsAppberichten tussen [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 1] blijkt dat de aanbouw in de week van 15 juli 2024 zou worden geïnstalleerd, maar dat [procesdeelneemster 2] de installatie steeds uitstelde. Op 15 december 2024 liet [procesdeelneemster 2] aan [procesdeelnemer 1] weten dat de aanbouw niet werd vrijgegeven door [procesdeelneemster 4] . Vervolgens zou de installatie plaatsvinden in februari 2025, maar ook dat gebeurde niet. Op 6 maart 2025 berichtte [procesdeelneemster 2] aan [procesdeelnemer 1] dat de installatie wederom (‘voor de laatste keer’) zou worden uitgesteld (tot 23 april 2025), omdat [procesdeelneemster 4] extra geld verlangde. [procesdeelnemer 1] stuurde [procesdeelneemster 2] vervolgens op 19 maart 2025 een brief waarin hij [procesdeelneemster 2] tot 2 mei 2025 een laatste kans gaf om zich aan de afspraken te houden. [procesdeelneemster 2] heeft hieruit moeten begrijpen dat [procesdeelnemer 1] haar tot 2 mei 2025 de tijd gaf om de aanbouw te realiseren. [procesdeelnemer 1] schrijft namelijk dat hij [procesdeelneemster 2] heeft ingehuurd om een aanbouw aan zijn huis te maken, dat de aanbouw voor augustus 2024 zou zijn afgerond en dat die deadline niet is gehaald. Deze brief moet daarom – anders dan [procesdeelneemster 2] meent – worden aangemerkt als een ingebrekestelling. [1] De advocaat van [procesdeelnemer 1] heeft deze brief van 19 maart 2025 in zijn brief van 24 april 2025 aan [procesdeelneemster 2] ook een ingebrekestelling genoemd. De advocaat schrijft in de laatste brief verder dat de aanbouw deugdelijk moet worden geïnstalleerd en dat ook de werkzaamheden aan de binnenzijde van de aanbouw volledig en naar behoren moeten worden afgerond. [procesdeelneemster 2] heeft dus ook uit de brief van 24 april 2025 moeten begrijpen dat haar een laatste termijn was gegeven om haar verplichtingen uit de met [procesdeelnemer 1] gesloten overeenkomsten voor 2 mei 2025 na te komen.
3.2
Op 2 mei 2025 was de aanbouw nog steeds niet geïnstalleerd. [procesdeelneemster 2] is daarom in verzuim komen te verkeren. Dat brengt mee dat [procesdeelnemer 1] in principe de overeenkomsten met [procesdeelneemster 2] mag ontbinden. [2] Voor ontbinding is niet vereist dat de tekortkoming (het niet realiseren van de aanbouw met vloertegels) aan [procesdeelneemster 2] toerekenbaar is. Of de weigering van [procesdeelneemster 4] om de aanbouw aan [procesdeelneemster 2] vrij te geven maakt dat het niet realiseren van de aanbouw niet aan [procesdeelneemster 2] kan worden toegerekend, zoals [procesdeelneemster 2] stelt, is voor ontbinding dus niet relevant.
3.3
Ook het beroep van [procesdeelneemster 2] op zuivering van het verzuim gaat niet op. Weliswaar heeft de advocaat van [procesdeelneemster 2] in een brief van 16 juli 2025 en een e-mail van 28 juli 2025 aan de advocaat van [procesdeelnemer 1] laten weten dat [procesdeelneemster 2] de overeenkomsten alsnog wil nakomen en eventuele schade van [procesdeelnemer 1] wil vergoeden, maar dat is te laat. [procesdeelnemer 1] had namelijk daarvoor al, op 5 juni 2025, zijn ontbindingsvordering ingesteld. Een aanbod tot nakoming nadat ontbinding is gevorderd heeft geen werking als de ontbinding wordt uitgesproken. [3] En dat is hier het geval, want ook het laatste verweer van [procesdeelneemster 2] tegen de ontbinding slaagt niet.
3.4
Dat verweer houdt in dat de tekortkoming van [procesdeelneemster 2] niet de ontbinding van de overeenkomsten rechtvaardigt. [4] [procesdeelneemster 2] voert daarvoor aan dat [procesdeelnemer 1] met de vertragingen heeft ingestemd en dat hij zijn achtertuin kan gebruiken. Deze omstandigheden maken de gevorderde ontbinding met haar gevolgen naar het oordeel van de rechtbank niet ongerechtvaardigd. De hoofdprestatie van [procesdeelneemster 2] is namelijk het realiseren van de aanbouw en in die prestatie is [procesdeelneemster 2] tekortgeschoten. De tekortkoming van [procesdeelneemster 2] is dus niet van geringe aard. [procesdeelnemer 1] heeft vanaf 19 maart 2025 ook niet meer met vertragingen van de realisatie van de aanbouw ingestemd (zie 3.1). [procesdeelneemster 2] heeft bijna een jaar nadat de aanbouw zou worden geplaatst en twee maanden na de deadline in de ingebrekestelling aangeboden om de aanbouw alsnog te plaatsen (zie 3.3), maar dat aanbod was niet concreet. Bovendien was het ook toen de vraag of [procesdeelneemster 2] de aanbouw wel zou kunnen plaatsen, gelet op haar geschil met [procesdeelneemster 4] over de levering van de aanbouw.
3.5
In de eis van de dagvaarding (het petitum) staat dat [procesdeelnemer 1] ontbinding vordert van de tussen partijen bestaande overeenkomst van aanneming van werk. Uit de in de dagvaarding beschreven feiten en omstandigheden volgt dat [procesdeelnemer 1] hiermee niet alleen de overeenkomst voor de aanbouw maar ook de overeenkomst voor de vloertegels bedoelt. [procesdeelnemer 1] heeft op de zitting bevestigd dat zijn vordering inderdaad op beide overeenkomsten ziet. De rechtbank zal daarom beide overeenkomsten ontbinden.
De door [procesdeelnemer 1] en [procesdeelneemster 2] verrichte prestaties moeten ongedaan worden gemaakt
3.6
De ontbinding van de overeenkomsten brengt mee dat de prestaties die [procesdeelnemer 1] en [procesdeelneemster 2] op grond van die overeenkomsten over en weer hebben verricht, ongedaan moeten worden gemaakt. [5] [procesdeelneemster 2] moet dus de door [procesdeelnemer 1] betaalde aanneemsommen van in totaal € 42.208,31 terugbetalen. De vordering tot terugbetaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de datum van de dagvaarding (5 juni 2025), zal dan ook worden toegewezen.
3.7
De door [procesdeelneemster 2] verrichte voorbereidende werkzaamheden kunnen niet ongedaan worden gemaakt. [procesdeelnemer 1] moet daarom de waarde van deze werkzaamheden aan [procesdeelneemster 2] vergoeden. [6] Volgens [procesdeelnemer 1] zijn die werkzaamheden niets waard, omdat hij niets heeft aan een fundering zonder aanbouw. Voor het geval niet naar de subjectieve waarde maar de objectieve waarde moet worden gekeken, stelt [procesdeelnemer 1] dat de prestatie van [procesdeelneemster 2]
€ 6.500,- waard is. [procesdeelneemster 2] is het daar niet mee eens. Volgens haar is het geleverde werk
€ 40.506,77 waard.
3.8
De rechtbank laat de waarde van het werk van [procesdeelneemster 2] in het midden. [procesdeelneemster 2] heeft namelijk geen tegenvordering tot waardevergoeding door [procesdeelnemer 1] ingesteld, zodat op dit punt niet wordt beslist.
De tegenvorderingen van [procesdeelneemster 2] worden afgewezen
3.9
[procesdeelneemster 2] vordert in reconventie wel betaling van de volgens haar nog openstaande bedragen van in totaal € 6.014,79. Zij baseert deze vorderingen op artikel 7:674 lid 2 BW Pro. Dat wetsartikel bepaalt dat de opdrachtgever de voor het gehele werk geldende prijs moet betalen als hij de aanneemovereenkomst tussentijds opzegt, verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien. Volgens [procesdeelneemster 2] moet de vordering van [procesdeelnemer 1] tot ontbinding van de overeenkomsten en/of de weigering van het aanbod van [procesdeelneemster 2] tot nakoming van de overeenkomsten gelijk worden gesteld aan een tussentijdse opzegging als bedoeld in dit wetsartikel.
3.1
Deze redenering gaat niet op, omdat de vordering van [procesdeelnemer 1] tot ontbinding van de overeenkomsten wordt toegewezen. Van een ongegronde ontbinding en/of ongegronde weigering van een aanbod tot nakoming is dus geen sprake. De tegenvorderingen van [procesdeelneemster 2] worden daarom afgewezen.
De door [procesdeelnemer 1] gevorderde herstelkosten worden afgewezen
3.11
[procesdeelnemer 1] vordert dat [procesdeelneemster 2] € 4.500,- vergoedt voor het herstellen van zijn tuin. Deze vordering wordt afgewezen. Op de zitting heeft [procesdeelnemer 1] namelijk gezegd dat hij de fundering misschien nog gaat gebruiken voor een aanbouw. Er hoeft in dat geval geen herstel van de tuin plaats te vinden. Dat [procesdeelnemer 1] op dit moment schade heeft geleden als gevolg van de ontbinding [7] , heeft hij dus onvoldoende onderbouwd.
De door [procesdeelnemer 1] gevorderde deskundigenkosten worden afgewezen
3.12
[procesdeelnemer 1] heeft in mei 2025 een deskundige ingeschakeld om de waarde van het door [procesdeelneemster 2] uitgevoerde werk en de kosten van herstel van de tuin te begroten. De deskundige heeft daarvoor € 403,17 bij [procesdeelnemer 1] in rekening gebracht. [procesdeelnemer 1] vordert vergoeding van deze kosten.
3.13
Ook deze vordering wordt afgewezen. [procesdeelnemer 1] had namelijk geen goede reden om een deskundige in te schakelen. [procesdeelneemster 2] had in mei 2025 geen vordering tot waardevergoeding ingesteld en die vordering is er ook later niet gekomen (zie 3.8). Daarnaast was niet zeker dat de tuin moest worden hersteld (zie 3.11). Er is dus geen sprake van redelijke kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. [8]
Geen bestuurdersaansprakelijkheid [procesdeelnemer 3]
3.14
[procesdeelnemer 1] spreekt [procesdeelnemer 3] – als middellijk bestuurder van [procesdeelneemster 2] – naast [procesdeelneemster 2] aan voor de terug te betalen aanneemsommen (zie 3.6), de herstelkosten (zie 3.11) en de deskundigenkosten (zie 3.12) op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. Volgens [procesdeelnemer 1] is het aan [procesdeelnemer 3] te wijten dat de aanbouw niet door [procesdeelneemster 2] is gerealiseerd. [procesdeelnemer 3] heeft er namelijk voor gezorgd dat de betalingen die [procesdeelneemster 2] aan [procesdeelneemster 4] had gedaan voor de aanbouw voor [procesdeelnemer 1] (grotendeels) zijn afgeboekt op een aanbouw voor een andere klant van [procesdeelneemster 2] . Hierdoor kwamen de facturen van [procesdeelneemster 4] voor de aanbouw van [procesdeelnemer 1] weer open te staan en weigerde [procesdeelneemster 4] deze aanbouw aan [procesdeelneemster 2] te leveren, aldus [procesdeelnemer 1] .
3.15
Deze handelwijze, die [procesdeelnemer 3] niet heeft weersproken, verdient niet de schoonheidsprijs. Maar dat is niet genoeg om de vordering van [procesdeelnemer 1] toe te wijzen. Voor een geslaagd beroep op bestuurdersaansprakelijkheid is in dit geval namelijk nodig dat de bestuurder ( [procesdeelnemer 3] ), die heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de rechtspersoon ( [procesdeelneemster 2] ) haar contractuele verplichtingen niet nakomt en daardoor wanprestatie pleegt, wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de rechtspersoon tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. [9] Aan deze vereisten is niet voldaan. De terug te betalen aanneemsommen zijn geen schade als gevolg van de wanprestatie door [procesdeelneemster 2] , maar vloeien voort uit de ongedaanmakingsverbintenis die voor [procesdeelneemster 2] is ontstaan als gevolg van de ontbinding van de overeenkomsten. [procesdeelnemer 1] heeft niet gesteld dat [procesdeelneemster 2] deze verbintenis niet zal nakomen, dat [procesdeelnemer 3] daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat [procesdeelneemster 2] geen verhaal biedt. Voor zover de herstelkosten en deskundigenkosten wel zijn aan te merken als schade als gevolg van de wanprestatie van [procesdeelneemster 2] , geldt dat deze schadeposten hiervoor zijn afgewezen. De tegen [procesdeelnemer 3] ingestelde vorderingen worden dan ook (eveneens) afgewezen.
[procesdeelneemster 2] moet de proceskosten betalen
3.16
[procesdeelneemster 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [procesdeelnemer 1] in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaardingen
442,27
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
Totaal
4.396,27
3.17
De proceskosten van [procesdeelnemer 1] in reconventie worden begroot op € 554,00
(2 punten × 0,5 × € 554,00) aan salaris advocaat.
3.18
De nakosten en de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beoordeling in de vrijwaringszaak

[procesdeelneemster 4] heeft de overeengekomen aanbouw niet aan [procesdeelneemster 2] geleverd
4.1
[procesdeelneemster 2] heeft op 19 maart 2024 een prefab aanbouw bij [procesdeelneemster 4] besteld voor
een bedrag van € 15.860,84. Deze aanbouw was bestemd voor de woning van [procesdeelnemer 1] . [procesdeelneemster 2] zou een schuifpui, dakraam en gevelbekleding aanleveren die [procesdeelneemster 4] in/aan de aanbouw zou monteren. Verder spraken partijen af dat [procesdeelneemster 2] het bedrag van
€ 15.860,84 in vier termijnen zou voldoen. De laatste termijn zou voor de levering moeten zijn betaald.
4.2
[procesdeelneemster 2] heeft het laatste deel op 20 november 2024 aan [procesdeelneemster 4] betaald. [procesdeelneemster 4] heeft de aanbouw vervolgens niet aan [procesdeelneemster 2] geleverd. Volgens [procesdeelneemster 2] is [procesdeelneemster 4] daardoor tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis uit de met [procesdeelneemster 2] gesloten overeenkomst, waardoor [procesdeelneemster 2] op haar beurt niet aan haar verbintenissen uit de overeenkomsten met [procesdeelnemer 1] kon voldoen. [procesdeelneemster 2] vordert daarom dat [procesdeelneemster 4] tegenover haar wordt veroordeeld waartoe [procesdeelneemster 2] in de hoofdzaak tegenover [procesdeelnemer 1] wordt veroordeeld.
4.3
Deze vordering wordt afgewezen. [procesdeelneemster 4] heeft namelijk terecht haar leveringsverplichting opgeschort.
[procesdeelneemster 4] mocht haar leveringsverplichting opschorten
4.4
Partijen hebben op 11 maart 2025 afgesproken dat de betalingen van [procesdeelneemster 2] voor de aanbouw voor [procesdeelnemer 1] tot een bedrag van € 13.247,60 zouden worden afgeboekt op de door [procesdeelneemster 2] op 11 juni 2024 bij [procesdeelneemster 4] bestelde aanbouw voor een andere klant in [plaats 5] . [procesdeelneemster 2] wilde de aanbouw voor die klant in [plaats 5] , die [procesdeelneemster 2] nog niet volledig had betaald, namelijk als eerste ontvangen. Door deze afboeking kwam voor de aanbouw van [procesdeelnemer 1] (weer) een bedrag van € 13.247,60 open te staan. Daarnaast moest [procesdeelneemster 2] [procesdeelneemster 4] € 1.875,- aan transportkosten betalen.
4.5
Volgens [procesdeelneemster 2] had zij op 20 november 2024 al € 600,- voor transport betaald en had zij twee vorderingen op [procesdeelneemster 2] die zij met het openstaande bedrag kon verrekenen: een vordering vanwege niet door [procesdeelneemster 4] geplaatste dakbedekking en een vordering vanwege schade aan de schuifpui voor de aanbouw in [plaats 5] . Het resterende bedrag van € 5.029,36 heeft [procesdeelneemster 2] op 25 mei 2025 aan [procesdeelneemster 4] betaald. [procesdeelneemster 4] was dan ook verplicht de aanbouw te leveren, aldus [procesdeelneemster 2] .
4.6
De rechtbank volgt [procesdeelneemster 2] hierin niet. Nog los van de vraag of [procesdeelneemster 2] bevoegd was tot verrekening – [procesdeelneemster 4] betwist dat – is het bedrag van € 5.029,36 – anders dan [procesdeelneemster 2] aanvoert – niet aan [procesdeelneemster 4] betaald. [procesdeelneemster 2] heeft dit bedrag namelijk overgemaakt op de oude bankrekening van [procesdeelneemster 4] . De bankrekening van [procesdeelneemster 4] was per juli 2024 gewijzigd. Het bedrag van € 5.029,36 is daarom aan [procesdeelneemster 2] teruggestort. Op de zitting heeft [procesdeelneemster 2] bevestigd dat zij dit bedrag teruggestort heeft gekregen. [procesdeelneemster 2] wist dus dat dit bedrag niet aan [procesdeelneemster 4] is voldaan en dat er nog steeds een bedrag openstond. Of [procesdeelneemster 4] [procesdeelneemster 2] al in juli 2024 heeft bericht over de wijziging van haar rekeningnummer, zoals [procesdeelneemster 4] stelt en [procesdeelneemster 2] betwist, is niet relevant. Het was aan [procesdeelneemster 2] om ervoor te zorgen dat het openstaande bedrag daadwerkelijk bij [procesdeelneemster 4] terecht kwam. [procesdeelneemster 2] weet dat zij dat niet heeft gedaan. Daarom was [procesdeelneemster 4] bevoegd haar verbintenis om de aanbouw (bestemd voor [procesdeelnemer 1] ) te leveren, op te schorten. [procesdeelneemster 4] was [procesdeelneemster 2] al tegemoet gekomen door de betalingen voor de aanbouw van [procesdeelnemer 1] af te boeken op de aanbouw voor de klant in [plaats 5] . Het beroep van [procesdeelneemster 4] op opschorting is dan ook niet disproportioneel of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, zoals [procesdeelneemster 2] nog heeft aangevoerd.
4.7
Het bovenstaande brengt mee dat het niet aan [procesdeelneemster 4] te wijten was dat [procesdeelneemster 2] de aanbouw niet aan [procesdeelnemer 1] kon leveren. [procesdeelneemster 2] kan het bedrag waartoe zij in de hoofdzaak is veroordeeld dan ook niet verhalen op [procesdeelneemster 4] .
[procesdeelneemster 2] mocht de overeenkomst met [procesdeelneemster 4] niet ontbinden
4.8
[procesdeelneemster 2] heeft per brief van 22 augustus 2025 de ontbinding ingeroepen van de overeenkomst met [procesdeelneemster 4] van 19 maart 2024. Zij vordert een verklaring voor recht dat deze overeenkomst – en voor zover vereist de overeenkomst van 11 maart 2025 – is of zijn ontbonden en (terug)betaling van € 5.623,- (in verband met het door [procesdeelneemster 2] geleverde dakraam en betaald transport) en € 55.266,22 aan schadevergoeding, vermeerderd met rente en kosten.
4.9
Deze vorderingen worden eveneens afgewezen. Nog los van de vraag of het mogelijk is dergelijke vorderingen in een vrijwaringsprocedure in te stellen, brengt de terechte opschorting door [procesdeelneemster 4] mee dat zij niet in verzuim is komen te verkeren. [10] [procesdeelneemster 2] mocht de overeenkomst(en) met [procesdeelneemster 4] daarom niet ontbinden [11] en heeft geen recht op schadevergoeding. [12]
De vordering van [procesdeelnemer 3] wordt afgewezen
4.1
Tot slot wordt ook de vordering van [procesdeelnemer 3] tot betaling van al datgene waartoe hij in de hoofdzaak tegenover [procesdeelnemer 1] wordt veroordeeld, afgewezen. In de hoofdzaak is de vordering van [procesdeelnemer 1] tegen [procesdeelnemer 3] immers afgewezen.
[procesdeelneemster 2] c.s. moet de proceskosten betalen
4.11
[procesdeelneemster 2] c.s. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [procesdeelneemster 4] worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.764,00
4.12
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak
in conventie
5.1
ontbindt de tussen [procesdeelnemer 1] en [procesdeelneemster 2] bestaande overeenkomsten van aanneming van werk,
5.2
veroordeelt [procesdeelneemster 2] om aan [procesdeelnemer 1] te betalen een bedrag van € 42.208,31, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 5 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.3
veroordeelt [procesdeelneemster 2] in de proceskosten van € 4.396,27, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro als de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4
wijst de overige vorderingen van [procesdeelnemer 1] af,
in reconventie
5.5
wijst de vorderingen van [procesdeelneemster 2] af,
5.6
veroordeelt [procesdeelneemster 2] in de proceskosten van € 554,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro als de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in conventie en in reconventie
5.7
veroordeelt [procesdeelneemster 2] in de na dit vonnis aan de zijde van [procesdeelnemer 1] ontstane kosten, begroot op € 296,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [procesdeelneemster 2] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8
verklaart de veroordelingen in 5.1, 5.3, 5.6 en 5.7 uitvoerbaar bij voorraad,
in de vrijwaringszaak
5.9
wijst het gevorderde af,
5.1
veroordeelt [procesdeelneemster 2] c.s. in de proceskosten van € 5.764,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [procesdeelneemster 2] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.11
veroordeelt [procesdeelneemster 2] c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.12
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.J. van Yperen en door mr. J.R. Hurenkamp in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
4204

Voetnoten

1.Artikel 6:82 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
2.Artikel 6:265 BW Pro.
3.Artikel 6:269 BW Pro.
4.Artikel 6:265 lid Pro 1 (‘tenzij’) BW.
5.Artikel 6:271 BW Pro.
6.Artikel 6:272 BW Pro.
7.Artikel 6:277 BW Pro.
8.Artikel 6:96 lid 2 BW Pro.
9.Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627.
10.Artikel 6:59 in Pro verbinding met artikel 6:61 lid 2 BW Pro.
11.Artikel 6:265 lid 2 BW Pro.
12.Artikel 6:74 lid 2 BW Pro.