Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3558

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
C/16/604925 / HL ZA 26-5
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 222 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van incident tot voeging van vastgoedprojectzaken wegens verknochtheid

In deze civiele procedure vordert gedaagde de voeging van de hoofdzaak met een andere aanhangige zaak bij dezelfde rechtbank, omdat beide zaken betrekking hebben op vastgoedprojecten die volgens gedaagde onderdeel zijn van één project. Eiser betwist dit en stelt dat het om afzonderlijke projecten met verschillende partijen gaat, waardoor gescheiden behandeling passend is.

De rechtbank overweegt dat verknochtheid aanwezig is indien de feitelijke of juridische geschilpunten identiek zijn of zodanig samenhangen dat consistentie van uitspraken geboden is. Hoewel de rechtbank nog geen inhoudelijk oordeel geeft over de partijen, staat vast dat dezelfde personen bij beide projecten betrokken zijn en dat er veelvuldig gelijktijdige communicatie heeft plaatsgevonden.

Daarom acht de rechtbank een gezamenlijke behandeling door één rechter wenselijk, mede vanuit proceseconomische overwegingen en ter voorkoming van tegenstrijdige uitspraken. De incidentele vordering tot voeging wordt toegewezen, eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van €653,00, en verdere beslissingen worden aangehouden. De hoofdzaak wordt op 22 juli 2026 opnieuw op de rol gezet voor verdere behandeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot voeging toe en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/604925 / HL ZA 26-5
Vonnis in incident van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. T.J. van Veen,
tegen
[gedaagde] BV,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.J.M. Groen.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord, tevens bevattende een eis in reconventie en een incidentele vordering tot voeging
- de conclusie van antwoord in het incident.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1
[gedaagde] vordert in het incident dat de hoofdzaak wordt gevoegd met de bij deze rechtbank aanhangige zaak met het zaaknummer / rolnummer 609356 HL ZA 26-98.
2.2
Op grond van artikel 222 Rv Pro kan, in geval voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, voeging van die zaken worden gevorderd. Van verknochtheid is sprake wanneer de feitelijke of juridische geschilpunten in de ene zaak identiek zijn aan die in de andere, dan wel daarmee zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken is geboden. Niet is vereist dat het gaat om procedures tussen dezelfde partijen.
2.3
Deze zaak en de zaak waarmee [gedaagde] voeging vraagt zijn beide zaken die gaan over vastgoedprojecten. [gedaagde] meent dat het gaat om twee componenten van één project. [eiser] vindt dat het gaat om twee afzonderlijke projecten met afzonderlijke partijen, waardoor de zaken gescheiden behandeld zouden moeten worden.
2.4
De rechtbank zal de incidentele vordering van [gedaagde] toewijzen. Voorkomen moet worden dat er in deze zaken tegenstrijdige beslissingen worden genomen, bijvoorbeeld over de vraag wie als contractuele wederpartij van [gedaagde] geldt. De rechtbank vindt het belangrijk dat er geen tegenstrijdige oordelen over dezelfde feitencomplexen gegeven worden. [gedaagde] meent dat de wederpartij in beide zaken [bedrijf] B.V. is. Hoewel de rechtbank hierover nog geen oordeel velt, staat wel vast dat beide zaken betrekking hebben op projecten waar dezelfde personen bij betrokken zijn, en waar veelvuldig gelijktijdig over is gecommuniceerd. Het is daarom ook vanuit proceseconomische overwegingen redelijk dat de zaken gelijktijdig behandeld worden.
2.5
Naar het oordeel van de rechtbank is een gevoegde behandeling daarom wenselijk, dat wil zeggen dat er een gezamenlijke behandeling en beslissing van beide procedures door één en dezelfde rechter plaatsvindt. Ook is een voeging en behandeling door dezelfde rechter om proceseconomische redenen wenselijk. Van verknochtheid is daarom sprake, zodat de gevorderde voeging wordt toegewezen.
2.6
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 653,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00).
2.7
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1
voegt de hoofdzaak met de bij deze rechtbank aanhangige zaak met zaaknummer / rolnummer 609356 HL ZA 26-98, in welke procedure [bedrijf] B.V. op de rol voor antwoord staat.
3.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 653,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
in de hoofdzaak
3.3
bepaalt dat de hoofdzaak weer op de rol zal komen van
woensdag 22 juli 2026voor het nemen van een conclusie van antwoord in reconventie in de hoofdzaak,
3.4
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr G.J. Baken, rechter, en in het openbaar uitgesproken
op 10 juni 2026.
5827