ECLI:NL:RBMNE:2026:3566

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
12054608 \ MC EXPL 26-204 AW/1583
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.S. Koppert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArtikel 233 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande facturen ondanks verwarring contractspartij toegewezen

Eiser, een zzp’er, heeft werkzaamheden verricht voor gedaagde in de periode van april 2024 tot mei 2025 en daarvoor facturen gestuurd die onbetaald zijn gebleven. Gedaagde betwist de vordering met het verweer dat eiser de verkeerde rechtspersoon heeft gedagvaard en dat de facturen onvoldoende zijn gespecificeerd.

De kantonrechter oordeelt dat uit de Whatsapp-communicatie blijkt dat eiser mocht aannemen dat gedaagde zijn contractspartij was, ondanks dat betalingen via een andere vennootschap zijn gedaan. De verwarring over de contractspartij komt voor rekening van gedaagde. Het verweer dat de facturen niet specifiek genoeg zijn, wordt verworpen omdat eiser voldoende heeft onderbouwd wanneer en hoeveel uren hij heeft gewerkt.

De kantonrechter veroordeelt gedaagde tot betaling van de openstaande facturen van €4.940,00, de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten van €619,00 en de proceskosten van €1.251,35. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van openstaande facturen, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12054608 \ MC EXPL 26-204 AW/1583
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiser], handelend onder de naam [handelsnaam] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Likifin Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
namens [gedaagde] is verschenen [bestuurder] , bestuurder.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek
- de akte uitlating producties van [eiser] .
1.2
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] stelt dat hij in de periode van 20 april 2024 tot en met 31 mei 2025 als zzp’er werkzaamheden heeft verricht voor [gedaagde] . [eiser] heeft daarvoor facturen gestuurd. [gedaagde] heeft de facturen van 23 februari 2025, 30 maart 2025, 27 april 2025 en 1 juni 2025 onbetaald gelaten. [eiser] wil dat [gedaagde] die facturen alsnog betaald. [gedaagde] maakt bezwaar tegen de vordering van [eiser] . Volgens [gedaagde] heeft [eiser] de verkeerde rechtspersoon in rechte betrokken en weigert [eiser] daarnaast de facturen te specificeren. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de openstaande facturen van in totaal van € 4.940,00 moet betalen en ook de rente en buitengerechtelijke incassokosten.

3.De beoordeling

[eiser] is ontvankelijk in zijn vordering
3.1
De kantonrechter zal eerst het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] bespreken. Volgens [gedaagde] bestaat de onderneming uit meerdere vennootschappen, waaronder [gedaagde] en [bedrijf 1] B.V. [eiser] heeft de werkzaamheden niet voor [gedaagde] verricht, maar voor [bedrijf 1] B.V. Vanuit deze B.V. heeft [eiser] ook betaald gekregen. [eiser] heeft de verkeerde rechtspersoon gedagvaard.
3.2
[eiser] stelt dat de overeenkomst via Whatsapp tot stand is gekomen. [gedaagde] heeft dat niet betwist. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de overeenkomst tot stand is gekomen met [gedaagde] verwezen naar de Whatsapp conversatie. Uit de Whatsapp conversatie blijkt dat op 19 april 2024 de volgende gegevens aan [eiser] zijn doorgegeven:
“Hey [eiser] hierbij nog de gegevens.
[bedrijf 2] B.V.
[adres]
[vestigingsplaats]
[emailadres] .nl”
3.3
De facturen van [eiser] zijn allemaal gericht aan [bedrijf 2] BV. [bedrijf 2] BV bestaat kennelijk niet, althans [gedaagde] geeft aan dat er een onderneming is die bestaat uit meerdere vennootschappen, waaronder [gedaagde] B.V. en [bedrijf 1] B.V. Vanuit de onderneming of één van de vennootschappen is niet geprotesteerd tegen de facturen op naam van [bedrijf 2] BV. Er is ook niet aangegeven dat de naam van de in de factuur aangeschreven BV onjuist is. In het Whatsappgesprek is van de zijde van de opdrachtgever zelf alleen aangegeven ‘ [bedrijf 2] BV’. Onder deze omstandigheden mocht [eiser] aannemen dat [gedaagde] (ook) zijn contractspartij was. [gedaagde] heeft niet eerder laten blijken dat de overeenkomst niet met haar is gesloten, maar met [bedrijf 1] . Het doen van betalingen vanaf het bankrekeningnummer van [bedrijf 1] is onvoldoende om aan te nemen dat [eiser] had moeten begrijpen dat die BV (alleen) zijn contractspartij is. Zoals [gedaagde] zelf al aangeeft, kan immers ook een derde betalingen verrichten. Door de verschillende vennootschappen van waaruit de onderneming wordt gedreven, is niets gedaan om enige verwarring te voorkomen. De op de rolzitting verschenen bestuurder van [gedaagde] heeft ook verklaard dat hij de facturen gaat betalen, ook al is in zijn ogen de verkeerde vennootschap gedagvaard. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat eventuele verwarring voor rekening van [gedaagde] moet komen en verwerpt het beroep op niet-ontvankelijkheid.
[gedaagde] moet de facturen betalen
3.4
[gedaagde] erkent op zich de bedragen uit de facturen. [gedaagde] geeft echter ook aan dat de facturen van 29 juli 2024 en 1 december 2024 niet kloppen. De kantonrechter gaat voorbij aan dit verweer van [gedaagde] . Van die facturen wordt in deze procedure geen betaling gevorderd en de facturen zijn al door [gedaagde] betaald.
3.5
Volgens [gedaagde] zijn de facturen verder niet specifiek genoeg. [eiser] heeft bij repliek (nogmaals) aangegeven wanneer hij heeft gewerkt en dat dit werkdagen van 8 uren betreffen, los van eventuele pauzes in zijn eigen tijd. Niet valt in te zien waarom dit niet specifiek genoeg is. [gedaagde] heeft zelf richting haar opdrachtgever een urenverantwoording gegeven met daarop niet meer dan alleen de naam van de medewerker, de datum en het gewerkte aantal uren.
Uit die urenverantwoording blijkt dat [gedaagde] heeft aangegeven dat [eiser] op meerdere dagen 8 uren per dag heeft gewerkt. Dit komt overeen met de facturen van [eiser] . Dat de facturen van [eiser] niet juist zijn heeft [gedaagde] dan ook onvoldoende onderbouwd.
3.6
De conclusie is dat de gevorderde hoofdsom van € 4.940,00 zal worden toegewezen.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
3.7
De gevorderde wettelijke handelsrente van € 163,52 over € 4.940,00 tot 8 februari 2025 en de wettelijke handelsrente vanaf 8 februari 2025 tot aan de dag van betaling is als onweersproken gevorderd toewijsbaar.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke kosten betalen
3.8
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 619,00 worden toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.9
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.251,35
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.1
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Evenmin zijn feiten en/of omstandigheden gebleken die aan toewijzing van deze vordering in de weg staan. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.103,52, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 4.940,00, met ingang van 8 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 619,00 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.251,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.