ECLI:NL:RBMNE:2026:3576

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
11782392_MC_EXPL_25-803
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijsopdracht inzake leningsovereenkomst van €25.000 tussen partijen

In deze civiele zaak eist eiseres dat gedaagde €15.000 aan haar betaalt, voortvloeiend uit een vermeende leningsovereenkomst van €25.000. Gedaagde betwist het bestaan van deze lening en stelt dat hij niets verschuldigd is. Daarnaast vordert gedaagde in voorwaardelijke reconventie dat eiseres hem €2.250 moet terugbetalen, een bedrag dat hij aan haar zou hebben geleend.

De kantonrechter stelt vast dat de standpunten van partijen over het bestaan van de leningsovereenkomst fundamenteel verschillen. Eiseres baseert haar vordering op een mondelinge afspraak, aanwezigheid van een derde partij bij de afspraak, contante geldverstrekking, gedeeltelijke terugbetaling en ondersteunend WhatsApp- en e-mailbewijs. Gedaagde ontkent de lening en interpreteert de communicatie anders, waarbij hij stelt dat het betaalde bedrag een schenking was en dat de WhatsApp-berichten over een andere afspraak gaan.

De kantonrechter oordeelt dat het bewijs van eiseres nog onvoldoende is om het bestaan van de leningsovereenkomst vast te stellen. Daarom krijgt eiseres een bewijsopdracht om haar stellingen te onderbouwen. Tevens worden nadere procesafspraken gemaakt over de wijze van bewijslevering, waaronder getuigenverhoren en schriftelijke stukken. De beslissing over de vorderingen wordt aangehouden totdat het bewijs is geleverd.

De zaak wordt verwezen naar een rolzitting op 8 juli 2026, waar eiseres zich schriftelijk moet uitlaten over de bewijslevering. De kantonrechter benadrukt het belang van tijdige en volledige opgave van getuigen en bewijsstukken. De uitspraak is gedaan door kantonrechter J.M. van Wegen op 10 juni 2026.

Uitkomst: Bewijsopdracht aan eiseres om het bestaan van de leningsovereenkomst van €25.000 te bewijzen, beslissing over vorderingen aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11782392 \ MC EXPL 25-3803 D/51246
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonend op een geheim adres,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. G.G. Kempenaars,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. P.P. Klokkers.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 december 2025;
- de akte uitlating van [gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling van 6 mei 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling op 6 mei 2026 was [eiseres] aanwezig. Zij werd bijgestaan door mr. Kempenaars. Ook [gedaagde] was aanwezig. Hij werd bijgestaan door mr. Klokkers.
1.3
De kantonrechter heeft bepaald dat zij schriftelijk uitspraak doet.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiseres] eist dat [gedaagde] € 15.000,- aan haar betaalt. Volgens [eiseres] heeft zij € 25.000,- aan [gedaagde] geleend en moet [gedaagde] hiervan nog € 15.000,- aan haar terugbetalen. [gedaagde] betwist dat hij geld heeft geleend van [eiseres] en vindt dat hij niets aan haar hoeft te betalen. Als de leningsovereenkomst van € 25.000,- toch komt vast te staan, eist [gedaagde] dat [eiseres] € 2.250,- aan hem moet betalen of dat dit bedrag met de lening wordt verrekend. Volgens [gedaagde] heeft hij namelijk € 2.250,- aan [eiseres] geleend. De kantonrechter beslist in dit vonnis nog niet wie er gelijk krijgt. [eiseres] mag eerst bewijs leveren van haar stellingen. Daarom wijst de kantonrechter dit tussenvonnis met een bewijsopdracht voor [eiseres] .

3.De beoordeling

in conventie
3.1
Om te beoordelen of [gedaagde] € 15.000,- aan [eiseres] moet betalen, moet de kantonrechter eerst vaststellen of partijen een leningsovereenkomst hebben gesloten. De standpunten van partijen staan op dit punt tegenover elkaar.
[eiseres] zegt dat partijen een leningsovereenkomst hebben gesloten
3.2
Volgens [eiseres] hebben partijen mondeling afgesproken dat zij € 25.000,- aan [gedaagde] zou geven en dat [gedaagde] dit bedrag aan haar zou terugbetalen. [eiseres] onderbouwt dit allereerst door te stellen dat partijen deze afspraak mondeling aan de keukentafel in haar nieuwe huurwoning hebben gemaakt. Volgens [eiseres] was de (ex-)vriendin van [gedaagde] , mevrouw [A] , hierbij aanwezig. Daarnaast zegt [eiseres] dat zij het geld aan [gedaagde] heeft geleend, omdat [gedaagde] de voormalige echtelijke woning van [eiseres] zou kopen en hiervoor geld tekort kwam. Volgens [eiseres] heeft zij het bedrag contant aan [gedaagde] verstrekt. Zij zegt ook dat [gedaagde] al € 10.000,- van de lening heeft terugbetaald. Dat sprake is van een leningsovereenkomst blijkt volgens [eiseres] ook uit Whatsapp-berichten en uit een e-mail van 28 maart 2024 die zij heeft ingediend.
[gedaagde] ontkent dat partijen een leningsovereenkomst hebben gesloten
3.3
[gedaagde] betwist dat hij geld heeft geleend van [eiseres] . Hij voert aan dat partijen nooit iets over een lening hebben afgesproken en dat dit ook niet volgt uit de door [eiseres] ingediende WhatsApp-berichten en e-mail. Volgens [gedaagde] is tijdens het gesprek aan de keukentafel alleen besproken dat [eiseres] meerdere kandidaat-kopers voor haar voormalige echtelijke woning had, dat de koop met geen enkele andere kandidaat-koper doorging en dat [gedaagde] de woning zou kopen voor de taxatiewaarde van € 775.000,-. [gedaagde] zegt daarnaast dat hij nooit € 25.000,- van [eiseres] heeft ontvangen en dat het door hem betaalde bedrag van € 10.000,- een schenking en geen terugbetaling was. Volgens [gedaagde] heeft hij het bedrag van € 10.000,- al vóór de verkoop van de voormalige echtelijke woning aan [eiseres] gegeven omdat hij haar wilde helpen toen zij in de schulden zat.
Op dit moment is nog onduidelijk of partijen een leningsovereenkomst hebben gesloten
3.4
[gedaagde] heeft de stellingen van [eiseres] gemotiveerd betwist. Daarmee staat op dit moment nog niet vast dat [eiseres] [gedaagde] € 25.000,- heeft gegeven en dat [gedaagde] dit bedrag aan haar zou terugbetalen. De e-mail die [eiseres] heeft ingediend, is nog niet voldoende om vast te stellen dat partijen daadwerkelijk een afspraak over een lening hebben gemaakt. In de email schrijft [eiseres] weliswaar het een en ander over de door haar gestelde afspraak, maar het lijkt erop dat [eiseres] deze e-mail naar zichzelf heeft gestuurd en niet naar [gedaagde] . Er zijn wel andere aanwijzingen dat partijen deze afspraak hebben gemaakt. In het door [eiseres] ingediende WhatsApp-bericht van 28 juli 2023 schrijft mevrouw [A] , de (ex-)vriendin van [gedaagde] , namelijk aan [eiseres] : “
[gedaagde] gaat u later hierover bellen. Want wij krijgen namelijk ons huis ( [naam] ) niet verkocht. Als dat rond is hopen wij iedereen terug te kunnen betalen van wie wij geleend hebben en uiteraard wat we u nog verschuldigd zijn.”Daarnaast schrijft [eiseres] in een WhatsApp-bericht van 29 maart 2024 aan [gedaagde] : “
Ik vind het nu wel vervelend dat ik steeds om mijn geld moet vragen. Toen jullie met het voorstel kwamen, heb ik meteen “ja” gezegd. Nu moet ik zo wat smeken om mijn geld. (…)” [gedaagde] schrijft vervolgens:
“Hi tante, het huis is nog niet verkocht. Dat was de afspraak die we hebben gemaakt. Zodra het huis verkocht is laat t ik weten!”.Ook het door [eiseres] ingediende WhatsApp-bericht van [gedaagde] van 29 april 2024 lijkt erop te wijzen dat [gedaagde] geld van [eiseres] heeft geleend. [gedaagde] schrijft in dit bericht aan [eiseres] :
“Hi tante het huis is verkocht, heb helaas geen geld overgehouden omdat er beslag op is gelegd. Dus kan u niets geven. Ik zit zelf met heel veel stress. Ik kan u niets geven.”
3.5
[gedaagde] betwist dat de WhatsApp-berichten wijzen op een leningsovereenkomst. Volgens [gedaagde] heeft zijn (ex)vriendin haar WhatsApp-bericht niet namens hem verstuurd. Daarnaast zegt [gedaagde] dat hij met [eiseres] had afgesproken dat hij haar geld zou geven als hij zijn eigen woning met winst zou verkopen. Volgens [gedaagde] gaan zijn WhatsApp-berichten over die afspraak. De kantonrechter vindt deze betwisting niet voldoende om [eiseres] niet in de gelegenheid te stellen om bewijs te leveren. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat de gemachtigde van [eiseres] aan [gedaagde] vóór deze procedure een sommatie en een herinnering heeft gestuurd en dat [gedaagde] daar nooit op heeft gereageerd. Als de WhatsApp-berichten van [gedaagde] daadwerkelijk zouden gaan over een andere afspraak, lag het voor de hand dat hij dit direct kenbaar had gemaakt toen [eiseres] het bedrag van € 15.000,- opeiste.
[eiseres] moet de door haar gestelde afspraak bewijzen
3.6
Omdat [eiseres] zich op een afspraak uit een overeenkomst beroept en [gedaagde] die afspraak gemotiveerd heeft betwist, moet [eiseres] bewijzen dat partijen de afspraak daadwerkelijk hebben gemaakt (artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). [eiseres] heeft daartoe een bewijsaanbod gedaan. De kantonrechter zal [eiseres] een bewijsopdracht geven. De volledige bewijsopdracht staat onder 4.1 in de beslissing.
in (voorwaardelijke) reconventie
3.7
Als de kantonrechter in conventie oordeelt dat sprake is van een leningsovereenkomst, vordert [gedaagde] in reconventie dat [eiseres] hem € 2.250,- moet terugbetalen of dat dit bedrag met de lening van € 25.000,- wordt verrekend. Volgens [gedaagde] heeft hij namelijk € 2.250,- aan [eiseres] geleend. De beoordeling van de vordering in voorwaardelijke reconventie is afhankelijk van de uitkomst van de bewijsopdracht in conventie. Daarom beslist de kantonrechter nu nog niet over de voorwaardelijke vordering in reconventie.
3.8
[gedaagde] vordert in reconventie dat [eiseres] zijn werkelijke proceskosten moet betalen. De kantonrechter zal in het eindvonnis op deze vordering beslissen.
in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
Het vervolg van de procedure
3.9
De kantonrechter verwijst de zaak naar de rol van woensdag 8 juli 2026. [eiseres] kan zich op deze roldatum bij akte uitlaten over de vraag of, en zo ja op welke wijze zij het bewijs wil leveren.
3.1
Als [eiseres] het bewijs (mede) wil leveren door het doen horen van getuigen, dan moet zij dit in de akte vermelden en de verhinderdata van partijen, de gemachtigden en de op te roepen getuigen opgeven. De kantonrechter zal dan vervolgens een dag en tijdstip voor een getuigenverhoor bepalen. Partijen moeten bij de getuigenverhoren aanwezig zijn. Als een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben. De kantonrechter verwacht dat het verhoor per getuige 60 minuten zal duren. Als partijen verwachten dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan 60 minuten, kan dat in de te nemen akte worden vermeld.
3.11
De kantonrechter stelt de definitieve beslissing over de vorderingen van partijen voorlopig uit. Als [eiseres] van bewijslevering afziet, zal de kantonrechter eindvonnis wijzen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1
draagt [eiseres] op te bewijzen dat zij € 25.000,- aan [gedaagde] heeft gegeven en dat [gedaagde] dit bedrag aan [eiseres] zou terugbetalen;
4.2
bepaalt dat:
  • [eiseres] zich op de rol van
  • als [eiseres] het bewijs wil leveren door schriftelijke bewijsstukken, zij die stukken dan meteen bij de akte moet indienen;
  • als [eiseres] getuigen wil laten horen, zij de naam en woonplaats van die getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden
  • de kantonrechter geen uitstel zal verlenen voor het opgeven van verhinderdata;
  • als er geen verhinderdata worden opgegeven de kantonrechter een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is;
  • de kantonrechter het getuigenverhoor zal kunnen bepalen op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, als bij de opgave minder dan vijftien dagdelen zijn vrijgelaten;
  • de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;
  • als [eiseres] getuigen wil laten horen, alle partijen uiterlijk veertien dagen vóór het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen;
4.3
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.