ECLI:NL:RBMNE:2026:3578

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
11819212 \ UC EXPL 25-6229
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 161 Wetboek van RechtsvorderingArt. 6:101 BWArt. 6:119 BWArt. 6:162 lid 2 BWArt. 6:162 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing schadevergoeding wegens messteek na vechtpartij

Op 2 augustus 2021 heeft gedaagde in een vechtpartij in een plaats een messteek toegebracht aan A, die daardoor letsel opliep en medische behandeling nodig had. FBTO, als zorgverzekeraar van A, vergoedde de medische kosten en vordert deze van gedaagde op grond van onrechtmatige daad.

Gedaagde betwist aansprakelijkheid en beroept zich op noodweer, overmacht en eigen schuld van A. De strafrechter heeft echter onherroepelijk vastgesteld dat gedaagde A met een mes heeft gestoken, wat onrechtmatig handelen oplevert. De kantonrechter oordeelt dat het beroep op noodweer faalt omdat de verdediging disproportioneel was en gedaagde niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet met een minder schadelijke wijze had kunnen volstaan.

Verder is vastgesteld dat A zich doelbewust in de vechtpartij mengde en daarmee enige mate van eigen schuld draagt. De kantonrechter past een billijkheidscorrectie toe en komt tot een verdeling van aansprakelijkheid waarbij gedaagde voor 50% aansprakelijk is en A voor 50%. FBTO krijgt daarom een schadevergoeding van €947,63 toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Gedaagde wordt tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt voor 50% aansprakelijk gehouden en veroordeeld tot betaling van €947,63 schadevergoeding plus rente en kosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11819212 \ UC EXPL 25-6229
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd in Leeuwarden,
eisende partij,
hierna te noemen: FBTO,
gemachtigde: mr. D. de Waard,
tegen
[gedaagde],
wonende in [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M. Aygün.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2
De zaak is op 28 april 2026 besproken tijdens de mondelinge behandeling. Namens FBTO was [.] (gemachtigde) aanwezig. [gedaagde] en zijn gemachtigde mr. M. Aygün waren aanwezig.
1.3.
Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
Op 2 augustus 2021 in [plaats 1] heeft tussen [gedaagde] en [A] een voorval plaatsgevonden, waarbij [gedaagde] aan [A] letsel heeft toegebracht. [A] heeft hiervoor een medische behandeling moeten ondergaan. FBTO heeft als ziektekostenverzekeraar van [A] de door hem gemaakte medische kosten vergoed. FBTO wil in deze procedure het bedrag van € 1.895,26 dat zij aan schade heeft vergoed verhalen op [gedaagde] . Volgens FBTO is er sprake van een onrechtmatige daad van [gedaagde] en is [gedaagde] aansprakelijk voor de schade. [gedaagde] betwist aansprakelijk te zijn voor de schade. Ook stelt [gedaagde] dat er sprake is van eigen schuld van [A] waardoor een groot deel van de schade voor FBTO moet blijven. De kantonrechter wijst de gevorderde schade gedeeltelijk toe.

3.De beoordeling

[gedaagde] heeft onrechtmatig tegenover [A] gehandeld
3.1.
Vooropgesteld wordt dat op grond van het bepaalde in artikel 161 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering een in kracht van gewijsde gegaan op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs oplevert van dat feit. In het onderhavige geval staat vast dat [gedaagde] door de strafrechter bij vonnis van 7 september 2022 is veroordeeld voor poging tot doodslag. [1] De strafrechter heeft bewezen verklaard dat [gedaagde] [A] heeft gestoken met een mes in de romp. Het vonnis van de strafrechter is onherroepelijk. Dat betekent dat – behoudens tegenbewijs – als vaststaand dient te worden aangenomen dat [gedaagde] [A] met een mes heeft gestoken, waardoor [A] lichamelijk letsel heeft opgelopen. [gedaagde] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat dit bewezen verklaarde feit in déze procedure niet als vaststaand feit kan worden aangenomen. Het enkel stellen dat het mes nooit is teruggevonden en dat hij [A] met een huissleutel een vuistslag heeft gegeven is daartoe niet voldoende. Dit had [gedaagde] kunnen weten omdat de strafrechter deze stelling al als ‘volstrekt ongeloofwaardig’ heeft aangemerkt. De vaststaande messteek in de romp leidt in beginsel tot de conclusie dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover [A] heeft gehandeld.
Is er sprake van een rechtvaardigingsgrond?
3.2.
Van onrechtmatig handelen is geen sprake als komt vast te staan dat voor het handelen van [gedaagde] een rechtvaardigingsgrond bestaat. [2] De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond doet namelijk een daad, welke naar algemene omschrijving onrechtmatig zou zijn, in het concrete geval geheel haar onrechtmatig karakter verliezen.
3.3.
De kantonechter is van oordeel dat het beroep van [gedaagde] op de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond niet slaagt. De kantonrechter legt hierna uit waarom. Overmacht of noodweer wordt als rechtvaardigingsgrond aangemerkt. Onder noodweer (in strafrechtelijke zin) wordt verstaan een gedraging die geboden is door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De wijze van verdediging moet voldoen aan het proportionaliteits- en het subsidiariteitsvereiste: er mag geen wanverhouding bestaan tussen de wijze van verdediging en de ernst van de aanranding, en degene die zich op noodweer beroept moet niet met een minder schadelijke wijze van verdediging hebben kunnen volstaan. Het bestaan van de rechtvaardigingsgrond moet – als bevrijdend verweer – in een civiele procedure als hier aan de orde, door [gedaagde] worden bewezen.
3.4.
Volgens [gedaagde] was er sprake van noodweer. [gedaagde] heeft daartoe gesteld dat hij zich heeft moeten verdedigen tegen de agressie van [A] . [gedaagde] stond namelijk met een groep jongens bij een bankje op het [locatie] . Zij werden opeens door tien tot vijftien jongens van de groep waar [A] toe behoort omsingeld. [A] kwam toen op de groep af rennen op zoek naar mensen om te slaan. Daarbij heeft hij een vriend van [gedaagde] en [gedaagde] zelf geslagen. [gedaagde] voelde zich bedreigd omdat hij veel kleiner is dan [A] . Ook kon [gedaagde] naar eigen zeggen niet weg uit deze situatie omdat hij werd omsingeld door de jongens uit de groep van [A] . [gedaagde] heeft daarom [A] een vuistslag gegeven. FBTO heeft daar tegenover gesteld dat het hier ging om een vechtpartij met een vriend van [gedaagde] en niet met [gedaagde] zelf. Volgens FBTO was er wel ruimte voor [gedaagde] om zich te onttrekken aan de vechtpartij. Ook stond het door [gedaagde] gekozen middel om zijn vriend te verdedigen niet in verhouding tot de ernst van de aanval. [gedaagde] heeft daarom niet proportioneel gehandeld.
3.5.
De kantonrechter stelt vast dat op 2 augustus 2021 de groep waartoe [A] behoort op zoek was naar de groep van [gedaagde] . De kantonrechter verwijst daartoe naar de bij de politie afgelegde verklaring van [A] waaruit dit blijkt. [A] heeft namelijk verklaard:
“(…)Toen ik aan kwam (…) was er geen groep jongens meer(…) In het dorp kwamen we nog wel wat jongens tegen maar dat waren niet degene die mijn vriend lastig hadden gevallen. Later zijn we met de hele groep, we waren met 10 à 15 man, in de richting van het plein gelopen. Daar was de groep jongens, het zijn allemaal jonge jongens die mijn vriend hadden lastig gevallen.” [3] [A] en de groep waartoe hij behoort waren duidelijk uit op een gevecht. De kantonrechter stelt op basis van de door [gedaagde] overgelegde foto’s van de politie camerabeelden rondom het incident vast dat [A] zich doelbewust in de vechtpartij heeft gemengd. [4] Dat [A] op [gedaagde] is afgekomen en naast zijn vriend ook [gedaagde] zelf een klap heeft gegeven, zoals [gedaagde] ter zitting heeft gesteld, is niet te zien op de foto’s van de camerabeelden en wordt ook door FBTO weersproken. [5] Op de foto’s is ook niet te zien dat de groep van [A] de groep van [gedaagde] heeft omsingeld zoals [gedaagde] heeft gesteld. [6] Zo is niet te zien of er achter de bomen op het plein ook jongens uit de groep van [A] stonden. Het lag op de weg van [gedaagde] om dat aan te tonen. Dat had [gedaagde] bijvoorbeeld kunnen doen door op een plattegrond met een inrichting van het plein aan te geven waar de jongens uit de groep van [A] precies stonden. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan.
3.6.
De kantonrechter overweegt dat gezien de onder 3.5 genoemde omstandigheden er sprake was van een bedreigende situatie voor de vriend van [gedaagde] en niet zozeer voor [gedaagde] zelf. Dat [gedaagde] zich genoodzaakt voelde zijn vriend te verdedigen acht de kantonrechter gerechtvaardigd. Maar de wijze waarop [gedaagde] zijn vriend (en mogelijk ook zichzelf) heeft verdedigd staat niet in verhouding tot de ernst van het handelen van [A] tegenover [gedaagde] . [A] heeft een klap aan de vriend van [gedaagde] uitgedeeld waarop hij door [gedaagde] met een mes is gestoken. Zoals FBTO onweersproken heeft gesteld, had dit nog veel ernstiger kunnen aflopen. Dit blijkt ook uit het strafvonnis waarin het volgende citaat van een forensisch arts is opgenomen: ‘Gezien de plaats van de steekwond op de overgang van buik en borst had dit kunnen leiden tot dodelijke bloedingen en zeer ernstige orgaanbeschadigingen.’ [7] Naar het oordeel van de kantonrechter had [gedaagde] zich op een minder ingrijpende wijze kunnen verdedigen. Zo had [gedaagde] weg kunnen komen door uit de vechtende groep te stappen. Dat [gedaagde] geen ruimte had om weg te komen omdat hij volledig was omsingeld is, zoals onder 3.5 is overwogen, niet gebleken. Daarom heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd dat hij niet met een minder schadelijke wijze van verdediging heeft kunnen volstaan. Dat betekent dat noodweer niet kan worden aangenomen. Het handelen van [gedaagde] moet dus als onrechtmatig handelen worden aangemerkt.
Geen sprake van een overmachtssituatie
3.7.
Ook heeft [gedaagde] een beroep gedaan op de aanwezigheid van een schulduitsluitingsgrond, namelijk noodweerexces, die aan toerekenbaarheid van een onrechtmatige daad in de weg staat. [8] Toerekening van de daad aan de dader vindt plaats wanneer deze is te wijten aan zijn schuld of aan een oorzaak die krachtens wet of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Een terecht beroep op noodweerexces staat aan aansprakelijkheid in de weg.
3.8.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat sprake was van een overmachtssituatie. Dat [gedaagde] bang was en dacht dat [A] hem iets ging aandoen is daarvoor niet voldoende. De strafrechter heeft hierover al overwogen dat de omstandigheid dat [gedaagde] bang was om zelf te worden geslagen, onvoldoende is voor het aannemen van een dergelijke hevige gemoedstoestand. [9] Ter zitting heeft [gedaagde] gesteld dat hij bang was omdat hij klein en tenger was en [A] veel groter was dan hij en omdat hij eerder een vechtpartij heeft meegemaakt. Omdat [gedaagde] niet zelf door [A] is aangevallen zijn deze omstandigheden echter onvoldoende om in deze (civiele) procedure wel aan te nemen dat [gedaagde] in een hevige gemoedstoestand verkeerde die ertoe leidde dat de noodzakelijke verdediging verder ging dan in die situatie geboden was.
3.9.
De kantonrechter concludeert op grond van het voorgaande dat het onrechtmatig handelen van [gedaagde] aan hem kan worden toegerekend.
Eigen schuld en billijkheidscorrectie
3.10.
Naar het oordeel van de kantonrechter moet een deel van de door [A] geleden schade als eigen schuld voor zijn rekening en risico blijven. De kantonrechter legt hierna uit waarom. Artikel 6:101 BW Pro geeft als uitgangspunt dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. Deze laatste toets wordt aangeduid als de billijkheidscorrectie.
3.11.
Volgens [gedaagde] heeft [A] met de groep waartoe hij behoort moedwillig het gevecht met de andere groep opgezocht. Ook heeft [A] in plaats van zich afzijdig te houden zich doelbewust in het gevecht gemengd. Daarmee heeft [A] het risico genomen om gewond te raken. Omdat [A] heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade moet een deel van de medische kosten voor rekening van FBTO
blijven. Volgens FBTO heeft [A] niet doelbewust het risico opgezocht om met een mes gestoken te worden. Het verdedigingsmiddel door het gebruik van een mes stond niet in verhouding tot de ernst van de aanval van [A] die met blote vuisten het gevecht aan ging. FBTO betwist dan ook dat er sprake is van eigen schuld van [A]
3.12.
De kantonrechter stelt vast dat zowel [gedaagde] als [A] hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Uit de foto’s van de camerabeelden rondom het incident met bijbehorende beschrijving volgt dat de mishandeling door [gedaagde] niet kan worden gezien als een op zichzelf staand feit. Uit de hiervoor onder 3.4 weergegeven omstandigheden kan worden afgeleid dat [A] de confrontatie met [gedaagde] niet uit de weg is gegaan. In tegendeel, [A] heeft zich doelbewust in het gevecht gemengd. Op de foto’s is te zien dat [A] om zich heen slaat en ook na het door [gedaagde] toegebrachte letsel de confrontatie met andere mensen bleef opzoeken. [10] Door zo agressief te handelen heeft [A] bewust een gevaarzettende situatie opgezocht, en het reële risico aanvaard dat hij bij de vechtpartij betrokken zou raken en daarbij letsel zou kunnen oplopen.
Daarmee is sprake van enige mate van eigen schuld aan de zijde van [A] als bedoeld in artikel 6:101 BW Pro. FBTO heeft onvoldoende ingebracht om dat anders te zien.
De kantonrechter acht wel de rol van [gedaagde] bij het ontstaan van de schade van [A] groter omdat de verdediging met een mes door [gedaagde] in dit geval disproportioneel is. [A] hoefde niet te verwachten dat hij als gevolg van zijn eigen handelen ernstig gewond zou raken en zelfs het leven zou kunnen laten door een messteek. [gedaagde] had ook kunnen verwachten dat [A] als gevolg daarvan medisch behandeld zou moeten worden en daardoor schade zou lijden en heeft de aanmerkelijk kans op ernstiger letsel aanvaard. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben de aan [A] toe te rekenen omstandigheden voor 25% bijgedragen aan het ontstaan van de schade. De kantonrechter ziet dan ook reden 25% van de schade voor rekening van [A] te laten.
Billijkheidscorrectie
3.13.
[gedaagde] doet een beroep op de billijkheidscorrectie en komt tot een 80% aansprakelijkheid van [A] . Volgens [gedaagde] dient er rekening mee gehouden te worden dat [A] zich niet afzijdig heeft gehouden en heeft gezorgd voor een voor hem bedreigende situatie. [gedaagde] heeft zich door de bedreiging van de grotere groep van [A] en de aanval van [A] zelf geïntimideerd en angstig gevoeld.
3.14.
De kantonrechter acht voor de beoordeling of er op grond van de billijkheid een andere verdeling moet komen van belang dat [gedaagde] bedreigd werd door een aanzienlijk grotere groep, hij zich daardoor geïntimideerd voelde en dat hij erg angstig was. Door de chaotische situatie en zijn angst is het zeer goed mogelijk dat [gedaagde] het gevoel heeft gehad dat hij geen kant meer op kon. De kantonrechter vindt het zeer kwalijk dat [A] vanuit [plaats 2] naar [plaats 1] is gekomen om te vechten terwijl hem zelf niets was aangedaan. [gedaagde] is dan ook door [A] in deze situatie terecht gekomen. [gedaagde] heeft weliswaar verkeerd gehandeld door [A] met een mes te steken maar dat neemt niet weg dat [A] de aanstichter van de vechtpartij is geweest. Deze omstandigheden maken dat in dit geval tot een andere verdeling van de schade op grond van de billijkheidscorrectie wordt gekomen dan die op basis van de causaliteit. De kantonrechter komt gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden tot 50% aansprakelijkheid van [gedaagde] voor de door [A] geleden schade.
Schadevergoeding
3.15.
FBTO vordert € 1.895,26 aan (materiële) schade. Dit zijn de medische kosten die [A] heeft moeten maken voor behandeling in het ziekenhuis. [11] FBTO heeft tegen de gevorderde schade geen verweer gevoerd. De gevorderde schade wordt daarom toegewezen met inachtneming van het percentage eigen schuld van [A] . Vanwege de 50% eigen schuld van [A] dient [gedaagde] een bedrag van € 947,63 te vergoeden.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
3.16.
FBTO vordert de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 2 februari 2023. Dit zal worden toegewezen over het toegewezen bedrag van € 947,63 tot aan de dag van volledige betaling.
[gedaagde] moet de door FBTO gemaakte buitengerechtelijke kosten vergoeden
3.17.
FBTO vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. FBTO heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat sprake is van verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Aan de voornoemde criteria is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 172,- inclusief btw worden toegewezen.
3.18.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van FBTO worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
385,00
- salaris gemachtigde
432,00
(3 punten × € 144,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.035,14

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan FBTO van een schadevergoeding van € 947,63 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 februari 2023 tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan FBTO te betalen een bedrag van € 172,00 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.035,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door A.L. Poort-Gleusteen en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026

Voetnoten

1.Productie 1 bij de dagvaarding
2.Artikel 6:162 lid 2 BW Pro
3.Productie 1 bij de conclusie van antwoord
4.Productie 2 bij de conclusie van antwoord
5.Productie 2 bij de conclusie van antwoord pagina 3, 4 en 5
6.Productie 2 bij de conclusie van antwoord
7.Onder 4.3.van het strafvonnis van 7 september 2022 productie 1 bij de dagvaarding
8.Artikel 6:162 lid 3 BW Pro
9.Zie onder 7 van het strafvonnis van 7 september 2022, productie 1 bij de dagvaarding
10.Productie 2 bij de conclusie van antwoord pagina 6
11.Zie specificatie van de gemaakte medische kosten productie 3 bij de dagvaarding