ECLI:NL:RBMNE:2026:358

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
11959943 \ LV EXPL 25-46
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontruimingsvordering in kort geding wegens onvoldoende aannemelijkheid in bodemprocedure

In deze kortgedingprocedure vordert de verhuurder ontruiming van een woning vanwege een vermeende huurachterstand, schade aan de woning en niet toegestane inwoning door familieleden. De kantonrechter stelt vast dat de huurovereenkomst niet schriftelijk is vastgelegd en dat partijen van mening verschillen over de overeengekomen huurprijs, waarbij de verhuurder € 1.600,- stelt en de huurders € 800,- per maand.

De verhuurder baseert zijn vordering mede op Whatsappberichten die de huurprijs zouden bevestigen, maar deze zijn niet overgelegd. De huurders betwisten de achterstand en overleggen een betalingsoverzicht waaruit zelfs een voorsprong blijkt, evenals een verklaring over contante betalingen onder bedreiging. De kantonrechter oordeelt dat deze feiten in kort geding onvoldoende kunnen worden onderzocht.

Ook de gestelde schade aan de woning en de niet toegestane inwoning worden door de huurders gemotiveerd betwist. Gezien het verstrekkende en vaak onomkeerbare karakter van ontruiming in kort geding, is vereist dat het in hoge mate waarschijnlijk is dat de bodemrechter de ontruiming zal toewijzen. Dit is niet aannemelijk gebleken.

Daarnaast is niet gebleken dat de verhuurder de uitkomst van de bodemprocedure niet kan afwachten, temeer daar al een datum voor de bodemzitting is vastgesteld en de verhuurder de woning niet zelf nodig heeft voor bewoning. De verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten van de huurders.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid in kort geding.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11959943 \ LV EXPL 25-46
Vonnis in kort geding van 10 februari 2026
in de zaak van
[eisende partij],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. J.N. Reijn,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,2. [gedaagde sub 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
gemachtigde: mr. R. Grijpstra.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 18 november 2025;
  • de e-mail van [eisende partij] met een nadere bijlage;
  • de conclusie van antwoord;
  • nadere producties (13-15) van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026.
Namens [eisende partij] is verschenen [A] (zijn broer tevens gevolmachtigde), bijgestaan door zijn gemachtigde mr. J.N. Reijn. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn verschenen met hun gemachtigde mr. R. Grijpstra. Beide partijen hebben (aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen) hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eisende partij] verhuurt aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de woning aan de [adres] te [woonplaats] . [eisende partij] vordert ontruiming van de woning omdat volgens hem sprake is van een oplopende huurachterstand, schade aan de woning en niet toegestane inwoning door familieleden. De kantonrechter kan dit, op basis van de beschikbare stukken en in het kader van dit kort geding, onvoldoende vast stellen. De vorderingen moeten reeds daarom (vooralsnog) worden afgewezen.

3.De beoordeling

Spoedeisend belang
3.1.
Allereerst moet worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang van [eisende partij] . De kantonrechter is van oordeel dat hiervan voldoende is gebleken gelet op de aard van de vordering tot ontruiming.
Onvoldoende aannemelijk voor toewijzing in kort geding
3.2.
Toewijzing van de ontruiming in kort geding heeft het verstrekkende (en in de praktijk vaak onomkeerbare) gevolg dat de huurders hun woning verliezen. Daarom is vereist dat het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden en de ontruiming eveneens zal toewijzen in een bodemprocedure.
3.3.
Tussen partijen staat ter discussie wat de overeengekomen huurprijs is. Volgens [eisende partij] is de huurprijs € 1.600,00 en volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] € 800,00 per maand.
De huurovereenkomst is niet schriftelijk vastgelegd.
3.4.
[eisende partij] stelt dat overeengekomen huurprijs kan worden afgeleid uit Whatsappberichten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , waarnaar hij verwijst in zijn spreekaantekeningen. [eisende partij] heeft deze berichten niet overgelegd. Ook gelet op de betwisting door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , kan de kantonrechter op basis van enkele verwijzingen, zonder volledige context, onvoldoende vaststellen dat een huurprijs van € 1.600,00 is overeengekomen.
3.5.
Verder stelt [eisende partij] dat ook als moet worden uitgegaan van een huurprijs van € 800,00 en alle betwiste betalingen worden meegenomen, nog steeds sprake is van een huurachterstand van meer dan drie maanden. Ook dit hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gemotiveerd betwist. Volgens hun betalingsoverzicht (productie 14) is er geen sprake van een huurachterstand, maar zelfs sprake een voorstand van € 795,14. Verder hebben zij onder meer een verklaring overgelegd van mevrouw [B] (ex-vriendin van [eisende partij] ), waarin onder meer wordt verklaard over een aantal contante betalingen onder bedreiging van [eisende partij] en over de gemaakte huurafspraken.
3.6.
In het kader van dit kort geding kunnen de hiervoor genoemde omstandigheden echter niet nader worden onderzocht. Dit geldt ook voor de gestelde schade aan de woning en de inwoning van derden zonder toestemming, hetgeen door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gemotiveerd wordt betwist. De kantonrechter kan daarom niet met voldoende zekerheid op voorhand oordelen dat de bodemrechter een vordering tot ontruiming zal toewijzen. Bovendien is niet gebleken dat het van [eisende partij] niet kan worden gevergd om de uitkomst van de bodemprocedure af te wachten, zeker nu al een datum voor de zitting in de bodemprocedure is bepaald. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [eisende partij] de woning niet zelf nodig heeft voor bewoning: hij wil de woning verhuren aan iemand die de huur wel correct betaald. Namens [eisende partij] is op de zitting ook verklaard dat hij inmiddels een baan heeft in het buitenland met onderdak en inkomen.
3.7.
De conclusie van het voorgaande is dat de ontruiming – in het kader van deze kortgedingprocedure – vooralsnog moet worden afgewezen.
[eisende partij] moet de proceskosten betalen
3.8.
[eisende partij] moet als de in het ongelijk gestelde partij in dit kort geding de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 865,00
- nakosten € 144,00 +plus eventuele betekeningskosten)
totaal € 1.009,00

4.De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding
4.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af;
4.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij ook de kosten van betekening betalen.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.
4578