In deze kortgedingprocedure vordert de verhuurder ontruiming van een woning vanwege een vermeende huurachterstand, schade aan de woning en niet toegestane inwoning door familieleden. De kantonrechter stelt vast dat de huurovereenkomst niet schriftelijk is vastgelegd en dat partijen van mening verschillen over de overeengekomen huurprijs, waarbij de verhuurder € 1.600,- stelt en de huurders € 800,- per maand.
De verhuurder baseert zijn vordering mede op Whatsappberichten die de huurprijs zouden bevestigen, maar deze zijn niet overgelegd. De huurders betwisten de achterstand en overleggen een betalingsoverzicht waaruit zelfs een voorsprong blijkt, evenals een verklaring over contante betalingen onder bedreiging. De kantonrechter oordeelt dat deze feiten in kort geding onvoldoende kunnen worden onderzocht.
Ook de gestelde schade aan de woning en de niet toegestane inwoning worden door de huurders gemotiveerd betwist. Gezien het verstrekkende en vaak onomkeerbare karakter van ontruiming in kort geding, is vereist dat het in hoge mate waarschijnlijk is dat de bodemrechter de ontruiming zal toewijzen. Dit is niet aannemelijk gebleken.
Daarnaast is niet gebleken dat de verhuurder de uitkomst van de bodemprocedure niet kan afwachten, temeer daar al een datum voor de bodemzitting is vastgesteld en de verhuurder de woning niet zelf nodig heeft voor bewoning. De verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten van de huurders.