6.3.Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal en daarmee inbreuk gemaakt op het eigendom van Albert Heijn. Winkeldiefstallen zijn hinderlijke feiten, die veel overlast en schade opleveren voor de getroffen winkeliers en het daar werkzame personeel. De verdachte heeft zich daar niet om bekommerd en uitsluitend oog gehad voor zijn eigen behoeften.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 29 april 2026. Hieruit volgt dat de verdachte veelvuldig is veroordeeld voor onder meer winkeldiefstallen.
Verder houdt de rechtbank rekening met het reclasseringsadvies van 16 april 2026, opgesteld door [A] , reclasseringswerker bij GGZ Reclassering Inforsa. Volgens de reclassering is sprake van een delictpatroon van vermogensdelicten. De verdachte zou de diefstallen plegen om drugs te kopen. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Op dit moment worden er diverse (dynamische) risicofactoren gezien die de kans op herhaling van het plegen van een strafbaar feit door de verdachte vergroten, waaronder verslavingsproblematiek, het ontbreken van huisvesting, een negatief sociaal netwerk, het ontbreken van dagbesteding en financiële problemen. Daarnaast lijkt ook sprake te zijn van psychiatrische problematiek, maar wegens beperkte medewerking van de verdachte is dit niet goed onderzocht.
Sinds 2024 zijn aan de verdachte al veel interventies of trajecten aangeboden, maar deze zijn telkens niet van de grond gekomen vanwege geen of beperkte medewerking. De verdachte stond van juli 2024 tot en met november 2025 onder toezicht van de reclassering, maar dit toezicht is voortijdig negatief geëindigd, omdat de verdachte zich niet hield aan de bijzondere voorwaarden. Hoewel de verdachte nu en ook in de afgelopen jaren laat weten gemotiveerd te zijn voor het abstinent raken van middelen, is het hem onvoldoende gelukt om te werken aan gedragsverandering. Het risico dat de verdachte zich aan voorwaarden zal onttrekken, wordt door de reclassering als hoog ingeschat.
De reclassering ziet geen andere mogelijkheden dan het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel om de problematiek van de verdachte aan te pakken. De reclassering heeft overwogen om een voorwaardelijke straf of een voorwaardelijke ISD-maatregel met als bijzondere voorwaarde een langdurige klinische opname te adviseren, maar ziet hier geen mogelijkheden voor. De verdachte heeft in de afgelopen jaren veelvuldig laten zien zich niet aan afspraken te houden, ook niet wanneer dit was opgelegd in een strafrechtelijk kader.
De reclassering adviseert daarom oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. De reclassering hoopt dat gedurende de maatregel een klinische behandeling en, indien geïndiceerd, begeleid of beschermd wonen ingezet kan worden.
Strafkader
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt (de zogeheten
harde criteria). Hiervoor is bewezen verklaard dat de verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van de verdachte van 29 april 2026 blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan 13 februari 2026 meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezenverklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Ook blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De rechtbank overweegt daarnaast dat de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de ISD-maatregel eist, gezien de ernst en het aantal door de verdachte begane soortgelijke feiten.
De rechtbank overweegt nog dat uit het vierde lid van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht volgt dat oplegging van een ISD-maatregel slechts mogelijk is indien een recent, met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van die maatregel is overgelegd. Het verweer van de verdediging dat in het advies van 16 april 2026 een deugdelijke onderbouwing ontbreekt over de noodzaak van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, verwerpt de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat het advies met voldoende redenen is omkleed. De noodzaak en wenselijkheid van de maatregel komen daarin duidelijk naar voren. Uit de voorhanden zijnde stukken, in hun totaliteit bezien, blijkt dat in voldoende mate reële alternatieven voor een ISD-maatregel zijn onderzocht, wat maakt dat de rechtbank het niet nodig vindt om dit verder te laten onderzoeken. De rechtbank wijst het verzoek van de verdediging om de zaak aan te houden, zodat onderzoek kan worden gedaan naar de vraag of oplegging van een ISD-maatregel in dit geval passend en opportuun is, dan ook af.
De verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader, zoals bedoeld in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers van het Openbaar Ministerie (de zogeheten
zachte criteria). Uit zijn strafblad blijkt immers dat tegen de verdachte in de afgelopen vijf jaren meer dan tien processen-verbaal voor meer dan tien misdrijven zijn opgemaakt, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijf.
De rechtbank acht oplegging van de ISD-maatregel in dit geval passend en nodig ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van de verdachte. Aan de verdachte zijn in korte tijd meerdere gevangenisstraffen opgelegd. Daarnaast zijn hem herhaaldelijk kansen geboden door het opleggen van voorwaardelijke straffen, die vervolgens in meerdere gevallen alsnog ten uitvoer zijn gelegd omdat de verdachte zich niet aan de voorwaarden hield. Deze interventies hebben de verdachte er niet van weten te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en wederom met politie en justitie in aanraking te komen. De omstandigheid dat mogelijk sprake is van psychische problematiek staat niet zonder meer aan de oplegging van een ISD-maatregel in de weg. De rechtbank heeft bij haar beslissing tot het opleggen van de ISD-maatregel in het bijzonder meegewogen dat de ISD-maatregel in de eerste plaats is bedoeld ter beveiliging van de maatschappij. Daarnaast is van belang dat gedurende de ISD-maatregel ruimte bestaat voor diagnostisch onderzoek en eventuele behandeling. Dit is door de deskundige op de zitting bevestigd. Ook om die reden ziet de rechtbank aanleiding om de ISD-maatregel op te leggen.
De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, of het opleggen van een voorwaardelijke ISD-maatregel, niet toereikend is. Er is een forser justitieel kader nodig om bij de verdachte een gedragsverandering te bewerkstelligen en de recidive te beëindigen.
Alles overwegend legt de rechtbank aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op.
Om de beëindiging van de recidive van de verdachte en een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, en ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen voor de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel. Daarom zal de rechtbank deze maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaar. De tijd die de verdachte voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, wordt
nietin mindering gebracht op de duur van de maatregel, zodat de maximale looptijd van de ISD-maatregel volledig kan worden benut.