Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3590

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
1604099626
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 138 SrArt. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging woninginbraak en huisvredebreuk, vrijspraak aanranding

Op 8 februari 2026 probeerde de verdachte samen met een ander goederen te stelen uit een woning door de achterdeur te forceren. Tevens drong hij wederrechtelijk een andere woning binnen en gaf een vrouw, die daar lag te slapen, een ongewenste kus op de wang. De verdachte werd vervolgd voor poging tot woninginbraak, aanranding en huisvredebreuk.

De rechtbank oordeelde dat de poging tot woninginbraak en huisvredebreuk wettig en overtuigend bewezen zijn. De verdediging voerde aan dat het oogmerk tot diefstal ontbrak, maar dit werd verworpen vanwege de omstandigheden en bewijsmiddelen, waaronder het dragen van een breekijzer en vluchtgedrag bij politieaanhouding. De verdachte bekende huisvredebreuk.

De aanranding werd niet bewezen geacht omdat de kus op de wang niet als seksuele handeling met seksuele strekking kon worden gekwalificeerd. De rechtbank sprak de verdachte daarom vrij van dit feit, ondanks dat het gedrag als grensoverschrijdend werd beoordeeld.

De rechtbank legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 104 dagen op, met aftrek van het voorarrest, waarmee de verdachte zijn straf had uitgezeten. De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelden werden niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan bewijs en omdat de verdachte van het betreffende feit was vrijgesproken.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 104 dagen gevangenisstraf voor poging woninginbraak en huisvredebreuk, vrijgesproken van aanranding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/040996-26
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 mei 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] (Marokko),
ingeschreven op het adres [adres 1] in [plaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [verblijfplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 11 mei 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. N. Schapendonk;
  • de advocaat van de verdachte: mr. A.C. Vingerling (hierna: de advocaat);
  • mevrouw [A] van Slachtofferhulp Nederland namens de benadeelde partij [slachtoffer] .

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
Feit 1:
op 8 februari 2026 in [plaats] samen met een ander heeft geprobeerd om goederen van [benadeelde 1] uit de woning aan de [adres 2] te stelen door naar de woning te gaan, en/of de achterdeur te forceren en/of een of meerdere goederen te verplaatsen;
Feit 2:
op 8 februari 2026 in [plaats] bij [slachtoffer] seksuele handelingen heeft verricht, door
- terwijl die [slachtoffer] in bed lag over die [slachtoffer] heen te buigen en/of
- vervolgens die [slachtoffer] onverhoeds te kussen op haar wang,
terwijl hij wist, althans ernstige reden had om te vermoeden, dat zij dit niet wilde;
Feit 3:
op 8 februari 2026 in [plaats] huisvredebreuk heeft gepleegd bij de woning van [benadeelde 2] en/of [slachtoffer] aan de [adres 3] .
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 2 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat opzetaanranding wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De standpunten van de officier van justitie worden, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 1van de beschuldiging, omdat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening bij de verdachte niet is vast te stellen.
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 2 van de beschuldiging, omdat (in strafrechtelijke zin) geen sprake is van een seksuele handeling.
De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van feit 3 van de beschuldiging.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmiddelen feit 1
De rechtbank oordeelt dat de poging tot woninginbraak is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
3.3.2.
Bewijsoverweging feit 1
De verdediging heeft betoogd dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening bij de verdachte ontbrak, omdat hij niet de intentie had om iets weg te nemen uit de woning. De verdachte was daar omdat hij dacht dat ze daar crack zouden halen.
De rechtbank verwerpt het door de advocaat gevoerde verweer en overweegt daartoe als volgt.
Gelet op de uiterlijke verschijningsvormen van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder de verdachte is aangehouden en de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, had de verdachte naar het oordeel van de rechtbank het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening van spullen in de woning aan de [adres 2] in [plaats] . Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat de verdachte samen met de medeverdachte midden in de nacht naar die woning is gegaan, terwijl zij een rugzak met daarin een breekijzer bij zich hadden. Vervolgens is de achterdeur van de woning geforceerd en zijn zij samen de woning binnengegaan. Toen de verdachte de politie zag, is hij op de vlucht geslagen. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie mogelijk dan dat de verdachte het oogmerk had om goederen uit de woning weg te nemen.
3.3.3.
Bewijsmiddelen feit 3
De verdachte bekent dat hij de huisvredebreuk heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Er is namens hem ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
- de verklaring van de verdachte op de zitting van 11 mei 2026;
- het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 2] ; [2]
- het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] . [3]
3.3.4.
Vrijspraak feit 2
De rechtbank oordeelt dat feit 2 niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Niet ter discussie staat dat de verdachte aangeefster, mevrouw [slachtoffer] , een kus op haar hoofd heeft gegeven terwijl zij in bed lag. Aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar kuste op haar wang. Hoewel de verdachte heeft verklaard dat hij haar op haar (voor)hoofd een kus heeft gegeven, heeft de rechtbank – mede gelet op het feit dat de verdachte onder invloed was – geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster te twijfelen.
De rechtbank is van oordeel dat de kus van de verdachte in de gegeven omstandigheden volstrekt ongepast en grensoverschrijdend is geweest. De rechtbank begrijpt dat aangeefster dit als zeer ingrijpend en beangstigend heeft ervaren. De verdachte, een voor aangeefster volledig onbekende man, stond midden in de nacht plotseling bij aangeefster in haar slaapkamer, boog over haar heen terwijl zij in bed lag en gaf haar vervolgens onverhoeds en ongevraagd een kus op haar wang. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte daarmee gehandeld in strijd met sociaal-ethische normen.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of die kus op de wang onder de gegeven omstandigheden te kwalificeren is als aanranding in de zin van artikel 240 of Pro 241 van het Wetboek van Strafrecht. Van aanranding is sprake als iemand bij een ander seksuele handelingen verricht, terwijl bij die ander daartoe de wil ontbreekt. Onder seksuele handelingen vallen op seksuele beleving gerichte aanrakingen van lichaamsdelen. Daarbij kan het gaan om aanrakingen over de kleding, van het naakte lichaam, of een combinatie daarvan. In de eerste plaats valt te denken aan aanrakingen van seksuele lichaamsdelen, zoals borsten, billen en geslachtsdelen. In de tweede plaats kan het gaan om aanrakingen van andere lichaamsdelen die, afhankelijk van de context, een seksuele strekking krijgen.
Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten waaruit volgt dat de kus op seksuele beleving was gericht. De rechtbank stelt daarbij voorop dat sprake is geweest van één enkele gedraging, te weten de kus op de wang van aangeefster. De verdachte heeft aangeefster verder niet aangeraakt. Een kus op de wang levert niet zonder meer een aanranding op. Zonder bijkomende omstandigheden kan uit een dergelijke kus niet worden afgeleid dat sprake was van een handeling van seksuele aard of met een seksuele strekking.
De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de gedragingen van de verdachte gericht waren op het ontkomen aan aanhouding door de politie in verband met een poging tot woninginbraak (feit 1). Tijdens zijn vlucht kreeg de verdachte de kans om een woning in te vluchten, toevalligerwijs de woning van aangeefster. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte de woning met een ander doel heeft betreden dan om aan de politie te ontkomen. Nadat hij de woning binnenging en naar boven rende, trof hij aangeefster in de slaapkamer aan. In het voorbijgaan gaf hij haar een kus op haar wang en maakte hij met zijn vinger een ‘sst’-gebaar. Vervolgens sloot hij zichzelf op in een kast in de slaapkamer, om zich daar voor de politie te verstoppen.
De verdachte heeft bovendien vanaf het eerste verhoor verklaard dat hij aangeefster een kus op haar hoofd gaf omdat zij schrok van zijn onverwachte aanwezigheid in haar slaapkamer. De verdachte schrok (op zijn beurt) van haar reactie. Aangeefster deed hem denken aan zijn moeder. Uit verontschuldiging, omdat hij haar had laten schrikken, heeft hij haar toen een kus op de wang gegeven.
De rechtbank merkt de kus op de wang van aangeefster onder de gegeven omstandigheden dan ook niet aan als een seksuele handeling zoals bedoeld in artikel 240 en Pro 241 van het Wetboek van Strafrecht. Het enkele feit dat aangeefster zich in bed bevond terwijl de verdachte haar de kus op haar wang gaf, is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Er zijn onvoldoende bijkomende omstandigheden om uit af te leiden dat de kus op de wang is aan te merken als een handeling met een seksuele strekking.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan aanranding. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van feit 2 van de beschuldiging.
Dit oordeel doet er niet aan af dat het gedrag van de verdachte, dat de rechtbank als gezegd aanmerkt als volstrekt ongepast en grensoverschrijdend, voor aangeefster ingrijpend en zeer beangstigend moet zijn geweest.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
1
op 8 februari 2026, te [plaats] , tezamen en in
vereniging met een ander, ter uitvoering van het door
verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om in een woning,
gelegen aan de [adres 2] ,
alwaar verdachte en zijn mededader zich buiten weten of tegen
de wil van de rechthebbende bevonden, een of meer goed(eren), dat/die geheel aan [benadeelde 1] toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goed(eren) onder hun bereik te brengen door middel van braak,
- naar voornoemde woning zijn gegaan en
- de achterdeur heeft/hebben geforceerd en
- meerdere goederen in voornoemde woning heeft/hebben verplaatst,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
op 8 februari 2026, te [plaats] , in de woning, gelegen aan de [adres 3] , bij een ander, te weten bij [benadeelde 2] en/of [slachtoffer] , in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1:
poging tot diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden;
Feit 3:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
4.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 194 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding, aflossing van schulden en beheersing van middelengebruik.
De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt primair een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en stelt zich op het standpunt dat hulpverlening in het kader van bijzondere voorwaarden een gepasseerd station is. Daarbij heeft de advocaat gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zo is de verdachte tijdens zijn detentie afgekickt en heeft hij positieve ontwikkelingen doorgemaakt. Ook beschikt de verdachte nog over een eigen woning, aangezien de huur gedurende zijn detentie is doorbetaald. Tot slot merkt de raadsman op dat de verdachte het contact met zijn zoontje definitief dreigt te verliezen.
Voor het geval de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel wel passend vindt, verzoekt de advocaat om daaraan beperktere voorwaarden te verbinden dan de reclassering heeft geadviseerd. De advocaat verzoekt af te zien van de bijzondere voorwaarde van een klinische opname. Volgens de advocaat is onduidelijk waar de verdachte geplaatst zou kunnen worden en hoelang een dergelijke opname nog op zich zou laten wachten. De advocaat vindt uitsluitend reclasseringstoezicht, eventueel aangevuld met een ambulante behandeling, passend. De overige bijzondere voorwaarden acht de advocaat niet langer noodzakelijk.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal uit een woning door middel van braak. Dit is een vervelend en ernstig feit. De verdachte heeft door zijn gedrag schade en overlast veroorzaakt voor de bewoner. Ook heeft de verdachte met zijn handelen inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid bij de bewoner. Bovendien zorgen woninginbraken en pogingen daartoe ook voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan huisvredebreuk, door midden in de nacht wederrechtelijk de woning van de heer [benadeelde 2] en mevrouw [slachtoffer] binnen te dringen. De rechtbank weegt voor de strafwaardigheid ook de omstandigheden mee waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. De verdachte is zonder toestemming de woning binnengerend en vervolgens naar de slaapkamer gegaan, waar mevrouw [slachtoffer] op dat moment lag te slapen. Hij heeft haar, een voor hem volstrekt onbekende vrouw, een kus op de wang gegeven en zich daarna in een kast opgesloten. Dit handelen vormt een ernstige inbreuk op de privacy en het veiligheidsgevoel van de bewoners. De eigen woning behoort immers bij uitstek de plaats te zijn waar iedereen zich – zeker in de nacht – veilig moet kunnen voelen. De rechtbank acht het handelen van de verdachte dan ook volstrekt onaanvaardbaar. De rechtbank begrijpt dat het handelen van de verdachte voor de heer [benadeelde 2] en mevrouw [slachtoffer] zeer beangstigend is geweest. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij blijkt dat mevrouw [slachtoffer] doodsbang was, verstijfde van angst en vreesde dat de verdachte haar iets zou aandoen. Tot op heden ondervindt zij nog steeds herbelevingen en nachtmerries als gevolg van het incident. Beide aangevers zullen deze gebeurtenis nog lange tijd met zich meedragen.
De verdachte is enkel bezig geweest met zijn eigen belang, het ontkomen aan de politie, en heeft zich niet bekommerd om de mogelijke gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte kennis genomen van:
  • het strafblad van de verdachte van 28 april 2026;
  • een reclasseringsadvies van Tactus van 25 maart 2026, opgesteld door reclasseringswerker [B] ;
  • een reclasseringsadvies van Tactus van 4 mei 2026, opgesteld door reclasseringswerker [B] .
Het strafblad
Uit het strafblad van de verdachte volgt dat hij niet recent is veroordeeld voor een vergelijkbaar strafbaar feit. Wel heeft de verdachte een aanzienlijk strafblad (17 pagina’s) met diverse soorten delicten, wat zorgelijk is te noemen. Eerder opgelegde straffen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden weer strafbare feiten te plegen.
Het reclasseringsadvies
Uit de adviezen blijkt dat de reclassering het recidiverisico als hoog inschat. Op dit moment worden er diverse risicofactoren gezien die de kans op herhaling van het plegen van een strafbaar feit door de verdachte vergroten, zoals het psychosociaal functioneren, de relatie van de verdachte, de houding van de verdachte en het sociaal netwerk van de verdachte. Het middelengebruik wordt door de reclassering als grootste risicofactor gezien, nu sprake is van langdurig middelengebruik. Daarnaast geeft het delictverleden van de verdachte aanleiding tot zorg.
De verdachte heeft in de afgelopen jaren begeleiding en ondersteuning ontvangen van verschillende instanties. Zo liep hij in toezicht bij de reclassering en waren instanties zoals Humanitas, het buurtteam en de verslavingszorg betrokken. Het lukt de verdachte echter niet om afspraken na te komen en hij neemt een vermijdende houding aan ten opzichte van de instanties, waardoor de zorg niet goed van de grond komt.
De verdachte is op 18 maart 2026 aangemeld bij het NIFP/IFZ voor een klinische behandeling, maar tot op heden is nog geen passende kliniek gevonden voor de verdachte. De verdachte heeft bij het opstellen van het rapport van 4 mei 2026 aangeven te zijn afgekickt tijdens detentie en geen zucht meer te ervaren. De verdachte heeft aangeven dat zijn motivatie voor een behandeling is afgenomen en hij een klinische behandeling niet meer nodig vindt.
De reclassering adviseert, ondanks de verminderde motivatie bij de verdachte, toch bijzondere voorwaarden op te leggen bij een veroordeling, waaronder een meldplicht bij reclassering, een klinische opname, een ambulante behandeling en middelencontrole. De reclassering vindt dit nodig omdat de problematiek van de verdachte ernstig en hardnekkig is en eerdere ambulante behandelpogingen niet hebben geleid tot gedragsverandering en recidivebeperking.
Strafkader
De rechtbank is van oordeel dat alleen een vrijheidsbenemende straf passend is, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Eerdere voorwaardelijke straffen en interventies hebben kennelijk onvoldoende effect gehad om de verdachte te weerhouden van het plegen van strafbare feiten. Ook heeft de verdachte laten zien dat hij zich niet kan houden aan eerder aan hem opgelegde bijzondere voorwaarden. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen heil in het opleggen van een voorwaardelijke straf of het stellen van bijzondere voorwaarden. Ook ziet de rechtbank, gelet op de duur van het voorarrest, onvoldoende ruimte voor een voorwaardelijk strafdeel. De rechtbank zal daarom een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.
De rechtbank heeft bij de vaststelling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Volgens de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geldt voor een voltooide woninginbraak als uitgangspunt een gevangenisstraf van 3 maanden. Strafverhogende omstandigheid is in dit geval het samenwerkingsverband met de medeverdachte. Strafverminderend werkt de omstandigheid dat het uiteindelijk bij een poging tot diefstal is gebleven. Daarnaast weegt natuurlijke mee dat de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan een heftige vorm van huisvredebreuk.
Conclusie
Alles afwegende vindt de rechtbank het passend en geboden om de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van 104 dagen, met aftrek van het voorarrest. Dit betekent dat de verdachte op de datum van de uitspraak zijn straf heeft uitgezeten.
De rechtbank legt een lagere straf op dan de officier van justitie heeft geëist. Dat komt, onder meer, doordat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van feit 2 van de beschuldiging.
De voorlopige hechtenis
De verdachte heeft op de uitspraakdatum 104 dagen in voorarrest doorgebracht. Daarmee heeft de verdachte de opgelegde gevangenisstraf uitgezeten. De rechtbank zal om die reden het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

6.Vordering benadeelde partij

6.1.
Vordering van de benadeelde partijen
Benadeelde partij [slachtoffer]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 500,- voor de gevolgen van feit 2 van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). De benadeelde partij vordert geen concreet bedrag voor vergoeding van materiële schade. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Benadeelde partij [benadeelde 2]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding voor de gevolgen van feit 3 van de beschuldiging. De benadeelde partij vordert geen concreet bedrag voor vergoeding van materiële en/of immateriële schade.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
Benadeelde partij [slachtoffer]
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij, voor wat betreft de gevorderde € 500,- voor vergoeding voor immateriële schade, kan worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover. Daarnaast vordert zij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Benadeelde partij [benadeelde 2]
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij neemt de officier van justitie geen standpunt in, nu uit navraag is gebleken dat de benadeelde partij geen vergoeding voor schade wenst te vorderen.
6.3.
Standpunt van de verdediging
Benadeelde partij [slachtoffer]
De advocaat verzoekt primair de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair verzoekt hij de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de gevorderde immateriële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt.
Benadeelde partij [benadeelde 2]
De advocaat neemt ten aanzien van de vordering benadeelde partij geen standpunt in.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
Benadeelde partij [slachtoffer]
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de beschuldiging van feit 2. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering.
[slachtoffer] is ook slachtoffer van de onder 3 bewezen verklaarde huisvredebreuk. Uit de formulering van haar vordering blijkt dat zij slechts schade vordert die het gevolg is van de beschuldiging van feit 2.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.
Benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij heeft aan de officier van justitie kenbaar gemaakt geen schadevergoeding te willen vorderen. De vordering is echter niet ingetrokken. De rechtbank moet daarom op deze vordering beslissen.
De benadeelde partij heeft voor materiële of immateriële schade geen concreet bedrag gevorderd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij heeft onvoldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het strafbare feit schade heeft opgelopen. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan de vordering, indien gewenst, aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
45, 57, 63, 138 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

8.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart feit 2 niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en 3 bewezenverklaarde;
straf
  • veroordeelt de verdachte tot
  • bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] (feit 2)
  • verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;
  • veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 3)
  • verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;
  • veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
voorlopige hechtenis
-
heft op het bevel tot de voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, mr. S. Ourahma en mr. G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
mr. S. Ourahma en mr. H. van Veenschoten zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij, op of omstreeks 8 februari 2026, te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans alleen ter uitvoering van het door
verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in een woning en/of
op een besloten erf waarop een woning stond, te weten een woning gelegen aan de
[adres 2] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen
de wil van de rechthebbende bevond(en), een of meer goed(eren), in elk geval enig
goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan
verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk
om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het
misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun
bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse
sleutel
- naar voornoemde woning is/zijn gegaan en/of
- de (achter)deur heeft/hebben geforceerd en/of
- een of meerdere goederen in voornoemde heeft/hebben verplaatst,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij, op of omstreeks 8 februari 2026, te [plaats] , althans in Nederland, met een
persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te
weten door
- ( terwijl die [slachtoffer] in bed lag) over die [slachtoffer] heen te buigen en/of
- ( vervolgens) die [slachtoffer] onverhoeds meermalen, althans eenmaal, te kussen op
haar wang,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die
[slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;
3
hij, op of omstreeks 8 februari 2026, te [plaats] , althans in Nederland, in de woning,
het besloten lokaal en/of het besloten erf, te weten een woning gelegen aan de
[adres 3] , bij een ander, te weten bij [benadeelde 2] en/of [slachtoffer] ,
althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is
binnengedrongen;
Bijlage II: Bewijsmiddelen [4]
De verklaring van de verdachte op de zitting van 11 mei 2026:
Ik ging met [medeverdachte] mee naar de woning (
de rechtbank begrijpt: De [adres 2] in [plaats]). In de rugzak zag ik een breekijzer. Ik heb op de steiger bij de woning gelopen. Toen ik de politie zag, ben ik gaan rennen. Ik heb geen derde persoon gezien, we waren daar met zijn tweeën.
Proces-verbaal van aangifte [benadeelde 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik doe aangifte van inbraak in mijn woning op de [adres 2] in [plaats] op 8 februari 2026. Ik zag dat er schade was bij mijn achterdeur. Ik zag dat ze hadden geprobeerd mijn deur open te forceren. Ik zag dat de houten deurframe kapot was op verschillende punten. Ik zag dat mijn Airfryer op de grond lag in de woonkamer. Ik zag dat mijn koffiezetapparaat niet meer op de plek stond waar ik hem had achter gelaten. [5]
Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
U wordt verdacht van een poging woninginbraak gepleegd op 8 februari 2026 te Utrecht,wilt u hier vandaag wat over zeggen?Ik wil gewoon een bekentenis afleggen. Er is mij verteld dat er een woning was die leeg zou staan en dat daar gereedschap in zou liggen. Ik ben met een persoon daarheen gegaan en de deur is daar geforceerd en toen ben ik samen met de andere persoon naar binnen gegaan en toen we binnen waren kwam gelijk de politie.
U ging daar naar binnen omdat daar gereedschap was, dat wilde u meenemen?Ja. [6]

Voetnoten

2.Pagina 40 PV VGL.
3.Pagina 38-39 PV VGL.
5.Pagina 16 PV VGL.
6.Pagina 1 Verhoor RC.